Vragen En Antwoorden (3)

F. F. is een boeddhist uit Zürich die zich qua Jōdo-Shinshū een heel pak vragen stelt, vooral omdat hij zich ervan bewust is dat er heel wat vooroordelen en verkeerde voorstellingen bestaan in verband met de Shin-lering. In 1984 stelde hij hierover een lijst van 25 pertinente vragen op. Enkele ervan komen hier aan bod.

- Volgens de overlevering is Amida de Heer van het Reine Land (Sanskr. sukhāvati, Jap. Jōdo), waarin hij iedereen laat inkomen die in vertrouwen op Zijn erbarmen zijn Naam aanroept. Moet dit “Paradijs” opgevat worden als een bepaalde plaats of is het overdrachtelijk gebruikt voor de toestand van transcendent verlost-zijn?

Het lezen en ondergaan van de sūtra’s die over het Reine Land gaan, kan geschieden op twee niveaus: een ‘populair’ niveau, waarin de eenvoudige lieden hun verwachtingen geprojecteerd zien, en een ‘allegorisch’ niveau, waarin o.m. monniken en geletterden dharmalogische en filosofische structuren uitgedrukt zien. Shinran leest de schrifturen beslist in deze laatste zin; men kan overigens aannemen dat hij zelfs een zekere demythologisering nastreefde. Hij benadrukt dat het Reine Land niet een streek ergens in de lijdenswereld is maar nirvāna zelf: “het rijk van het ongeschapene nirvāna”. Hij stelt nirvāna duidelijk als synoniem niet enkel voor Amida’s Reine Land, maar eveneens voor “ware zo-heid”, “niet-handelen”, “ware werkelijkheid”, “bevrijding” enz. In het Shin-boeddhisme dient evenwel het Reine Land niet uitsluitend als een metafysisch begrip behandeld te worden. Voor Shinran is het in de eerste plaats een soteriologisch proces, niet een doel op zichzelf, maar een onderdeel van de spirituele progressie naar heil voor alle wezens (Lees over dit onderwerp b.v. K. T. Tanaka, “ Where is the Pure Land? Controversy in Chinese Buddhism on the Nature of Pure Land”, in Pacific World, New Series Nr 3, Fall 1987).

 

- Boeddha Shakyamuni heeft nadrukkelijk geen geloof (sraddhā) geëist. In het Shin-Boeddhisme is dit echter de conditio sine qua non voor de verwezenlijking van het heil. Staat de Shin-lering derhalve nog op boeddhistische bodem?

Het is een jammerlijk misverstand overgebleven vanuit de jaren dat de Europese intelligentsia nog geloofde in de almacht van de ratio en het ‘geloof’ verbande naar de laagste regionen van de laagste instincten. De historische Boeddha heeft daarentegen een groot belang gehecht aan sraddhā (Pāli: saddhā). In de teksten van het Kleine Voertuig, met inbegrip van de Pāli-kanon, is sraddhā de eerste functie (indriya), de eerste kracht (bala), de eerste waarde (dhana), de eerste zegening (sampad) enz. Sraddhā leidt naar verlossing (sraddh-ādhimukta) en de laatste monnik die door Gautama op zijn sterfbed in de Sangha werd opgenomen, verwezenlijkte de verlossing in een extra-korte tijd dank zij zijn grote sraddhā. Bovendien heeft sraddhā evenmin als shinjin de betekenis van ‘geloof’, ook niet in de Paulinische of Lutherse zin (zie b.v. Tatsuo Oguro, “Der Rettungsgedanke bei Shinran und Luther”) van ‘sola fide, sola gratia’. Noch is sraddhā synoniem voor het hindoeïstisch begrip bhaktī. Sraddhā heeft de betekenis van ‘vertrouwen’, van ‘aanvaarden na kennisname’, van ‘zekerheid over het resultaat’. Ook bij Shinran is het begrip shinjin gekoppeld aan connotaties van ‘zekerheid, (be)vestiging’. Shinjin is bovendien geen middel tot het heil (‘verrechtvaardiging’), maar is reeds een aspect van het heil zelf, dat tot vervulling komt in de Geboorte (ōjō). Het is juist door de nauwe band tussen sraddhā (vertrouwen) en shinjin (gemoed van vertrouwen) dat de Shin-lering volwaardig rust op boeddhistische bodem.

Ekō 40

Vragen En Antwoorden

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home