Tannishō - Postscriptum (1)

Is het niet zo dat elk van de hiervoor besproken punten voortkomt uit afwijkingen van de shinjin-gedachte?

Volgens hetgeen de wijlen Shōnin vertelde, waren er ten tijde van Hōnen Shōnin, onder het grote aantal discipelen, er slechts weinigen met dezelfde shinjin als Hōnen en hierover was er een discussie ontstaan tussen Shinran en zijn mede-beoefenaars.

Het gebeurde zo: “Zenshinsa shinjin en Hōnens shinjinb zijn één en dezelfde,” zei Shinran, waarop mede-beoefenaars, met name Seikan-bō, Nembutsu-bō en anderen, onverwachts -opwierpen: “Hoe kan Zenshin-bō’s shinjin één en dezelfde zijn als de shinjin van de Shōnin?” Toen ze dit gezegd hadden, antwoordde Shinran: “Moest ik zeggen dat, ondanks het feit dat Shōnins wijsheid en geleerdheid zo groot zijn, mijn wijsheid en geleerdheid eraan gelijk zouden zijn, dat zou een dwaling zijn; maar in shinjin, de vestiging van de geboorte, is er geen enkel verschil. Ze zijn helemaal één.”

a - Zenshin: naam die Shinran in 1205 van Hōnen gekregen had.

b - shinjin heeft hier onmiskenbaar de betekenis van ‘gemoed van vertrouwen’, d.i. overtuiging, vast vertrouwen in de Gelofte-Kracht.

 

Dat was Shinrans antwoord. Nochtans, aangezien er nog bedenkingen bestonden: “Hoe kan zulke redenering waar zijn?”, besloot men uiteindelijk dat het best was dit probleem aan de Shōnin voor te leggen, of de ene ofwel de andere gelijk had, waarop zij de bijzonderheden aan Hōnen gingen uiteenzetten.

Daarop verklaarde Hōnen Shōnin: “Genkū’s shinjin is van de Tathāgata ontvangen shinjin.

Zenshins shinjin is eveneens van de Tathāgata ontvangen shinjin.

Daarom zijn ze beide één en dezelfde.

Iemand met een afwijkend shinjin zal zeker niet gaan naar het Reine Land waarheen Genkū zal gaan.” Aldus sprak hij; daardoor blijkt dat, ook onder mensen van de exclusieve enkelvoudige praktijka hetzelfde probleem bestaat van hun shinjin dat niet één zou zijn met Shinrans shinjin.

a - ikkō senjū: de praktijk van de nembutsu.

 

Ofschoon het bovenstaande waardelozea herhaling is, heb ik het hier toch neergeschreven.

a - izuremo-izuremo “zo maar wat om het even”, een bescheidenheidformule, waarmee de auteur een onderscheid wil invoeren tussen zijn eigen verwoording die hij gebrekkig en waardeloos vindt, vergeleken bij de waardevolle zin van de woorden van Shinran Shōnin.

 

Zolang dit op dauw gelijkende leven nog wat vasthoudt aan het verwelkte gras van dit lichaama kan ik nog luisteren naar de onzekerheden van de mensen die mij vergezellen op het padb en hun de betekenis van de woorden van de Shōnin uiteenzetten, maar ik ben bedroefd bij de gedachte dat, wanneer ik mijn ogen zal gesloten hebben, er vast en zeker verwarringen zullen ontstaan tengevolge van verslapping van de Leer.

Wanneer gij verward geraakt door mensen die elkaar beweringen als de voorgaande voorhouden, lees dan zorgvuldig de schrifturen die overeenstemmen met de gedachtegang van de wijlen Shōnin en die hijzelf placht te lezenc.

a - De auteur schreef Tannishō op hoge leeftijd. Een bepaalde, niet-verifieerbare traditie zegt dat Yuien-bō even oud zou zijn als Shinran; maar zijn geboortejaar is niet gekend. Wèl mag verondersteld worden dat hij in 1290 gestorven is.

b - Net zoals Shinran, ziet Yuien zijn mede-geloofsgenoten als mede-reizigers. Het “pad” is natuurlijk de Leer, een vergelijking die sedert de oudste tijden in het Boeddhisme gebruikelijk was.

c - shōgyō: volgens de meeste commentaren, niet enkel de sūtra’s en de sāstra’s, maar beslist ook werken van tijdgenoten als Seikaku (Yuishin-shō) of Ryūkan (Ichinen-tanen funbutsu no koto).

 

Over het algemeen zijn in de schrifturen de ware en werkelijke leringena en de aangepaste en voorlopige leringen door elkaar gemengd.

a - Volgens Shinrans (o.a. KGSS VI, 2) kritische klassering van de leringen, is de ‘ware lering’ (shinshū) vervat in het Grote Reine-Land Sūtra (Dai-Muryōju-kyō); de ‘werkelijke lering’ (jikkyō) verwijst naar de Mahāyāna-leringen van de “plotse verlichting”, o.a. Zen, Shingon, Tendai en Kegon. De ‘aangepaste lering’ (gonkyō) heeft betrekking op de Mahāyāna-leringen van de “geleidelijke verlichting”, o.a. Hossō, en ook het ‘Kleine Voertuig’. De ‘voorlopige lering’ (kemon) is Shinrans aanduiding voor de zelfkracht nembutsu praktijk volgens de 19de en 2Oste Geloften, hoofdzakelijk zoals uiteengezet in het Meditatie-sūtra en leidend tot geboorte in het Grensland.

 

De hoofdbedoeling van de Shōnin is dat we de aangepaste leringen verwerpen en de werkelijke opnemen, de voorlopige opzij-zetten en de ware in praktijk brengen.

U moet onder geen omstandigheden de schrifturen verkeerd lezen.

Ik heb een aantal belangrijke citaten uitgekozen en als referentie voor de leer aan dit boekdeel in aanhangsel bijgevoegd. a

a - Het is onduidelijk waarop dit slaat. Men veronderstelt meestal dat dit ‘citaten-aanhangsel’ verloren gegaan is.

 

De Shōnin had de gewoonte te zeggen: “Wanneer ik aandachtig Amida’s Gelofte overweeg, die oprees uit vijf kalpa’s van meditatie, dan realiseer ik dat het allemaal voor mij, Shinran alleen was!

Hoezeer ben ik dan ook vervuld van dankbaarheid voor de Voortijdelijke Gelofte, waarin Amida mijn heil gevestigd heeft, alhoewel mijn bestaan met zoveel onheilzaam karma overbelast is!”

Nu eens te meer overwegend dat dit de belijdenis was van zijn intiemste denken, vind ik dat deze uitspraak niet in het minst verschilt van de gulden woorden van Shantaoa: “Weet dat gijzelf in werkelijkheid een in geboorte-en-dood gevat dwaas wezen van karmisch kwaadb zijt, een wezen sedert de verste voorbije kalpa‘s steeds verzinkend en alsmaar rondwentelend in samsāra zonder ooit één voorwaardec die naar bevrijding kan leiden.

a - Shantao (Jap. Zendō, 613-681), 5de Patriarch, auteur o.a. van commentaar bij het Meditatie-sūtra.

b - zai-aku shōji no bombu.

c - en (Sanskr. pratyaya): ‘bij-oorzaak’, ‘voorwaarde’.

Ekō 41

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home