De Naam Is Namu Amida Butsu (3)

Shitoku A. Peel

Shin-priester in Europa?

1979. De oktoberschemering omhult Kyoto. En in deze reusachtige eeuwenoude Goei-do heerst al duisternis.

Hier hebben we ochtend aan ochtend gezeten, mijn drie jonge co-trainees uit Californië en ik, gekomen uit de verre en schier onbekende streek die Berugii (België) heet.

Elke morgen om zes zaten we hier, eerst in de Amida-do om de Lofzang van de Boeddha (Sambutsu-ge) te zingen. Daarna, tezamen met honderden inwoners van Kyoto en bezoekers uit de provincies, liepen we van de Amida-do naar de andere tempelhal, de Goei-do. En om halfzeven, als de opkomende zon begon te boren doorheen het vensterpapier van de tempel, zaten we weer in Shinran’s hal om er de mooie Hymne van het Volmaakte Vertrouwen (Shoshinge) te chanten, gevolgd door het melodisch reciteren van de Nembutsu, tussendoor de vijf Wasans-van-de-dag. Als dat voorbij was, werd plechtstatig één van Rennyo’s brieven (Gobun-sho) voorgelezen, dra gevolgd door een preek in het Japans. Maar rond die tijd waren onze benen al zo aan het afzien dat niemand van ons gevieren er nog iets aan had… En wat waren we blij als die heerlijke lange dienst voorbij was en we als dronkaards probeerden recht te komen vanop de tatami, lachend en huilend van de pijn in knieën, kuiten, enkels en voeten…

Maar die ochtenddiensten, die behoren nu tot een andere periode, die van het daglicht, dat van de zon die roodgloeiend opkwam boven de blauw, groen en diepgrijs geglazuurde dakpannen van de Keizerlijke Stad. Elke dag, als de ochtenddienst voorbij was en de schuifdeuren van de tempelhal werden wijd geopend, braken de gele, oranje en gulden stralen doorheen de schemer van de Goei-do, tot diep tegen het Shinran-altaar.

Nu, deze avond van 15 oktober, is het helemaal anders. De zon is reeds weggedoken achter de bergen die Kyoto omringen. In de almaar donkerder wordende tempelhal, geen drommen volgelingen, geen publiek. Er zijn hier enkel wat zwijgzame ‘officiëlen’ van de Honganji, die als getuigen zullen optreden bij onze ‘wijding’ tot Shin-priester. Donker en stil is het in deze Goei-do. Het Shinran-altaar glimt discreet, bijna onzichtbaar in het schijnsel van de sesamolielamp die sedert het jaar 1636 zonder enige onderbreking het beeld van de stichter van de Jodo-Shinshu verlicht. De vier aspiranten die we zijn staren wat onwennig naar het altaar, terwijl we achter onze ruggen het grote zwarte gat van de ons anders zo vertrouwde tempelhal bevroeden.

Voor ons, op een klein tafeltje, juist één kaars. Achter dit tafeltje staat Shinrans afstammeling en opvolger, de nog jonge Monshu, Koshin Ohtani, die sedert enkele maanden de taak van titulair hoofd van de Nishi Honganji op zich genomen heeft. In deze plechtige, verstilde, geheiligde sfeer, wanneer het rituele gedeelte van de ontroerende plechtigheid over is, begint de Monshu langzaam tot ons te spreken.

“Hier zijt ge gekomen voor het altaar van onze stichter, Shinran Shonin. Door op u de Drie Juwelen, de Boeddha, de Dharma en de Sangha te nemen, hebt gij de Tokudo wijding ontvangen, waardoor gij nu priesters van de Jodo Shinshu geworden zijt. Gij zult voortaan uw dagelijks leven leiden zoals het een priester past… Luister naar de woorden van Patriarch Zendo: Geloof zelf hetgeen gij aan anderen onderricht… Verspreid de lering van de Jodo-Shinshu in alle landen van de wereld en vervul uw priesterlijke plichten.”

Plots snijdt een snerpend gehuil door de tempelhal. Het komt van buiten het heiligdom: de sirene van een ziekenwagen, of van de brandweer of misschien wel van een politiewagen.

De dromerige rust van de Goei-do, de heilige stilte had ons bijna doen vergeten dat deze hoofdtempel van de Honganji niet gelegen is tegen een verre berghelling, te midden van kalme velden of fluisterende cederwouden, ver van de lelijke geluiden van deze wereld. De hoofdtempel van de Nishi Honganji ligt langsheen de Horikawa-dori, een van de drukste lanen van Kyoto.

Want dit is het ware beeld van de Jodo-Shinshu: geen zalvend verlangen naar verlichting in de zaligmakende eenzaamheid van een afgelegen klooster, maar net zoals dat door merg en been snijdende gehuil in de tempelhal, zo is de Jodo-Shinshu gevestigd, te midden van het stadsrumoer, in de draaikolk van elckerlick’s dagelijkse leven, met alle vreugdes, met alle smarten. Neen: Jodo-Shinshu is beslist geen lering voor bezadigde, dromerig-zwevende mensen. Het is geen lering voor mediterende wijzen of would-be heiligen. Het is een lering voor mensen-met-een-lach-en-een-traan, voor mensen van smart en plezier, voor gewone mensen, doodgewone mannen en vrouwen. Misschien is het wel juist dààrom dat de plechtige ordinantie in Shinrans Tempelhal wel moest eindigen met de schreeuw van die voorbijrazende sirene.

Een dergelijke dringende, verscheurende kreet begroet onophoudelijk de Shin-priester in zijn Europees Westen. Reeds op het ogenblik dat de nieuwbakken priester, met zijn nog kale hoofd, luchthaven Schiphol verlaat om zich na zijn Japanreis huiswaarts in het Vlaamse land te begeven, hoort hij diezelfde sirene en voelt hij reeds op zijn schouders de zware druk van de nieuwe situatie: “Hoe zal ik het ooit aankunnen?”

‘Priester’: wat een verkeerd woord. Hij voelt zich noch een bemiddelaar tussen God of Boeddha en zijn mede-mensen, noch de drager van een sacramentele waardigheid. Aan, in en rondom hem is er niets sacramenteels, niets heiligs, niets speciaals, niets aparts. De nieuwbakken Shin-priester weet maar al te goed dat hij noch wijs noch goed is, maar dat hij enkel een bombu is, een wezen dwaas zoals de meeste andere, en daarbij wat laf, wat lankmoedig, wat verwaand… Hoe kan hij, in deze toch al niet zo voorbeeldige maatschappij, dan een voorbeeld zijn?

Maar juist ook nu voelt hij de sterkte van de banden die hem binden aan het “andere”. Waarlijk, in deze wereld zou hij graag een lichtend voorbeeld willen zijn, maar telkens hij dat probeert, struikelt hij. Hoe graag zou hij aan zijn mede-wezens de weg naar de verlichting tonen, net zoals Shinran dat deed, maar hij is niet bekwaam er de juiste omstandigheden voor te vinden, noch de doel-treffende woorden noch misschien zelfs de juiste innerlijke aandrang.

Nu dat hij een ‘priester’ is, verwachten sommigen dat hij het juiste, diamantharde antwoord weet op hun levensproblemen of op hun moeilijke vragen over de Leer. Maar die ‘priester’ van ons is hier in de onmogelijkheid aan zijn gedachten de juiste verwoording, de passende draai te geven. En het kan ook voorkomen dat deze ‘priester’ meer dan eens twijfelt aan zijn opdracht. In deze materialistische omgeving, die snakt naar allerhande bedrog en begoocheling, in deze relicten van christelijke en postchristelijke structuren, hoe dààrin ooit de westerling warm maken voor de volkomen volmaaktheid van het Boeddhaschap?

Maar juist op het moment dat hij gaat toegeven aan zijn twijfels, aan zijn desespereren, dan denkt hij aan de situatie in Japan, zovele eeuwen terug, toen Shinran, in navolging van Honen Shonin, besloot de Nembutsu-lering te prediken, en dan nog wel in zijn ballingsoord in dat onherbergzame noordoosten van Japan. Shinran, in die situatie van afzondering en ontbering, ver van zijn geliefd meester en zijn mede-volgelingen, predikte de Nembutsu-leer precies voor diegenen die, volgens de gangbare conventie, geen aanspraak konden maken op lering: de minsten, de geringsten, de boeren, de vissers, de dagloners, over wie zo plechtig van de kansel verklaard werd dat ze toch nooit de verlichting zouden kunnen verwezenlijken.

Juist zoals het Mahayana Boeddhisme rust op de twee pijlerconcepten van Wijsheid en Mededogen, waarbij beide niets anders zijn dan de absolute een-heid in de Boeddha, zo leert de nieuwbakken Shin-priester geleidelijk, met scha en met schande, dat hij enkel leven kan steunend op dankbaarheid en nederigheid.

Deze dankbaarheid gaat hoofdzakelijk naar de universele en natuurlijke (niet ‘boven-natuurlijke’!) Gelofte-Kracht van Amida, de Oneindige Boeddha van Licht en Leven. Dankbaarheid: zij is verwerkelijkt (geobjectificeerd, gereifieerd, volgens het filosofische jargon van onze tijd) in de Naam Namu Amida Butsu. Deze absolute Boeddha-kracht ver-vult de Nembutsu-adept in alle dieptes en ondieptes van zijn betrekkelijk existeren. En het is juist hiervan dat hij getuigenis aflegt tegenover de wereld die hem omringt.

Dit gevoel van dankbaarheid is niet enkel gericht op zijn persoonlijke opvatting van Boeddha of Boeddhaschap, maar wordt in de Nembutsu uitgedrukt als de dankbaarheid tegenover alle wezens, vermits alle wezens zonder enige uitzondering deelachtig zijn, hetzij feitelijk hetzij potentieel, hetzij bewust hetzij onbewust, aan Amida Buddha’s heilswerkzaamheid.

(wordt vervolgd)

Ekō 41

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home