Geschiedenis Van Het Ontstaan Van De Verschillende Obediënties In Het Shinboeddhisme (1)

S. S. Kibe Monshu

Shitoku had meermaals de gelegenheid te praten met Senji Kibe, abt van de Kinshoku-ji tempel te Chōzu (Shiga-ken, Japan) en Monshu van de Kibe-obediëntie, die zowat 230 tempels telt. Hij ondervroeg hem o.a. over ontstaan en eigenheid van de ‘kleinere’ obediënties binnen de grote Shin-beweging. In maart 1983 schreef Kibe Monshu ten gebruike van Shitoku een korte geschiedenis over de ontwikkeling van de Jodo-Shinshu. Deze geschiedenis werd uit het Japans in het Engels vertaald door Kensho Hayashi, hoofdpriester van de Hōjuji-Tempel. Hier volgt in enkele afleveringen de Nederlandse bewerking van deze vertaling.

1. Vroegste geschiedenis van de Jodo-Shinshu

Er wordt gezegd dat de Jodo-Shinshu door Shinran Shonin opgericht werd in 1224, als één van de boeddhistische denominaties. Oorspronkelijk echter is het zo dat hij er de man niet naar was een nieuwe sekte op te richten; maar in het ‘stichtingsjaar’ 1224 zou hij de laatste hand gelegd hebben aan Kyogyoshinsho, het belangrijkste van zijn werken. Het is daardoor dat hij in latere jaren beschouwd werd als oprichter van het Shinboeddhisme.

Shinran werd in 1173 geboren in een voorstad van Kyoto en nog kind zijnde trad hij in de boeddhistische kloostergemeenschap. Daar bestudeerde hij de Leer en in het bijzonder de doctrines van de Tendai-school waarvan hij priester werd en waarvan hij gedurende twintig jaar in Enryakuji, hoofdtempel van de Tendai, de ascetische en meditatieve praktijken beoefende. Toch begon hij stilaan te twijfelen aan de werkzaamheid van deze praktijken en, na jaren van onzekerheid, verliet hij de Tendai-gemeenschap om volgeling te worden van Honen Shonin en de Reine-Landlering (een algemene benaming voor de leringen geaxeerd op Namu-Amida-Butsu). Toen de Nembutsu-school vervolgd werd, werden Honen en zijn discipelen als misdadigers behandeld. Shinran werd verbannen naar Echigo, zowat 500 km ten NO van Kyoto en berucht om zijn sneeuw in de winter. Vijf jaar later werd zijn verbanning opgeheven, maar toen hij vernam dat meester Honen ondertussen overleden was, begaf hij zich niet naar Kyoto, maar naar het Kantō-district, nabij de berg Tsukuba, ongeveer 70-80 km ten NO van Tokyo (maar Tokyo bestond toen nog niet).

Daar verbleef hij ongeveer 20 jaar, tijdens dewelke hij zijn Kyogyoshinsho schreef. In die Kantō-streek maakte hij een groot aantal volgelingen, waarvan de belangrijkste namen bekend zijn, maar waarover ik het nu niet wil hebben. Het blijkt dat Shinran rond zijn zestigste naar Kyoto terugkeerde, waarschijnlijk in 1232. De weg die hij nam loopt zowat parallel met de huidige Tokaidō-weg en tijdens die lange tocht verbleef hij op verschillende plaatsen.

Tegen het einde van zijn tocht kwam hij in Ohmi (de huidige Shiga-prefectuur) aan en in 1235 bereikte hij het dorp Kibe in het Yasu-district. Hier stond een kleine tempel Ten-an-dō, waarvan de traditie zegt dat hij in 858 zou gesticht zijn en waar een kleine gemeenschap leefde. Het ligt zowat 40 km ten oosten van Kyoto en bood Shinran een goede gelegenheid informatie in te winnen uit de keizerlijke hoofdstad, vanwaar hij bijna 40 jaar terug vertrokken was.

Kyoto was toen inderdaad de hoofdstad van Japan en telde bij de driehonderdduizend inwoners. Zo komt het dat Shinran geruime tijd in Ten-an-dō te Kibe verbleef, ofschoon er geen eensgezindheid bestaat betreffende de juiste duur (die vermeld wordt als van “enkele maanden” tot “drie jaar”), maar het is een vaststaand en in de officiële geschiedenis van de Jodo-Shinshu erkend feit dat hij er lang genoeg verbleef om er talrijke volgelingen te maken. Dezen vormden de basis van de Kibe obediëntie en van de latere Kinshoku-ji tempel.

Toen Shinran het Kantō-district verlaten had, liet hij er groepen volgelingen achter die zijn leer verder verbreidden. De sterkste groep werd geleid door Shinbutsu Shonin, die actief was in de Nyoraidō-tempel in het Takada-district. Dit was eveneens een eerbiedwaardige kleine tempel, waar Shinran een langere tijd zou verbleven hebben. Later groeide hij met de nieuwe naam Senjū-ji uit tot de hoofdtempel van de Takada-obediëntie.

Na zijn terugkeer in Kyoto, had Shinran geen vaste verblijfplaats. Hij schreef er al zijn werken, uitgezonderd Kyogyoshinsho. Hij had er wel enkele discipelen, maar ze vormden geen georganiseerde groep.

Zijn leven was niet gemakkelijk. Voor de eenvoudigste dingen was hij afhankelijk van de hulp van vroegere volgelingen, die hem toevallig kwamen opzoeken bij hun bezoek aan Kyoto. Sommige van die bezoekers bezochten op hun weg van Kantō naar Kyoto blijkbaar ook de tempel in het Kibe-district, maar historische bewijsstukken bestaan er niet meer over.

Shinran Shonin overleed te Kyoto in 1262, in de ouderdom van 90 jaar. Ongeveer tien jaar later werd voor hem een grafmonument opgericht in de oostelijke buitenwijken van de stad, met vlakbij een kleine tempel waarin zijn houten beeld bewaard werd. Dit is het Ohtani mausoleum, dat aan de oorsprong ligt van de Hongan-ji tempel. Het was op initiatief van Shinrans jongste dochter Kakushin-ni dat dit tot stand kwam, maar het waren Shinrans volgelingen uit de Kantō-streek die voor de bouw ervan zorgden. Vlak voor haar overlijden in 1283 sprak zij de wens uit dat de volgelingen verder zouden instaan voor graf en tempel en zouden aanvaarden dat haar nageslacht generatie na generatie het toezicht erover zou blijven uitoefenen.

Later groeide deze toezichts- en bewakingsfunctie uit tot wat we ‘Monshu’ (letterlijk ‘bewaker, heer van de poort’), hoofdabt van de Honganji, noemen. Andere obediënties gebruiken ook de term ‘Hosshu’ (‘bewaker van de Leer’).

Dat is ruwweg de geschiedenis van de Jodo-Shinshu in de dertiende eeuw. Men moet daarbij bedenken dat er toen geen duidelijke aflijning was van het begrip ‘shū’ dat we nu vertalen als ‘sekte, school, denominatie’ en dat de Jodo-Shin-’sekte’ toen slechts als een obscure ‘ha’ (‘onder-sekte’) beschouwd werd.

Ofschoon ik denk dat de vertaling van ‘ha’ eigenlijk ‘onderverdeling’ is, heeft het Japanse woord toch geen bijbetekenis van ‘onder-’. Het doet veelmeer denken aan de omstandigheid waarin meerdere grassprieten opkomen uit één wortel, wat toch wel een zeker verschil uitmaakt ten opzichte van de onder-verdeling van een ‘tak’ in meerdere ‘twijgen’.

Ekō 41

Geschiedenis Van Het Ontstaan Van De Verschillende Obediënties In Het Shinboeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home