Tannishō - Postscriptum (2)

Daarom: hoe dankbaar moeten we Shinran zijn, die zichzelf als voorbeeld van dwaas karmisch belast wezen stelde om ons te doen begrijpen dat we in verwarring leven, doordat we de diepte van het karmische kwaad van ons werkelijke bestaan niet kennen noch de hoogte van Tathāgata’s weldadigheid.

In waarheid, zowel ikzelf als anderen spreken samen enkel over “goed” en “kwaad”, waarbij we Tathāgata’s weldadigheid buiten beschouwing laten.

Onder de uitspraken van de Shōnin was er ook de volgende: “Ik weet van die twee, goed en kwaad a, niets af.”

a - zen-aku, zie nota pag

 

De reden hiervoor is: moest ik weten wat goed is, in de mate dat de Tathāgata het ten grondea weet, dan zou ik pas weten wat ‘goed’ betekent.

a - on-kokoro ni: lett. ‘In zijn waardig hart’.

 

Moest ik weten wat kwaad is, in de mate dat de Tathāgata het ten gronde weet, dan pas zou ik weten wat ‘kwaad’ betekent. Maar met een dwaas wezen vol blinde passies in deze wereld, die het brandende huisa van de veranderlijkheid is, zijn alle zaken zonder uitzondering leugens en ijdelheden, helemaal zonder waarheid of oprechtheid. Enkel de nembutsu is waar en werkelijk.”

Dat waren zijn woorden.

a - Verwijzing naar de parabel van het brandende huis in het Lotus-sūtra (Hoke-kyō, Sanskr. Saddharma-pundarīka-sūtra).

 

Inderdaad: zowel ik als de anderen, wij spreken onderling enkel leugentaal; hierbij is er één enkel waarlijk betreurenswaardig ding.

Dat is het volgende: aangaande ons uitspreken van de nembutsu, discuteren we maar samen over de aard van shinjin, of leggen die uit aan anderen. Op die momenten staan we niet toe dat de anderen hun mond open doen; - en om elke betwisting te beslechten, houden we staande dat onze bewering Shinrans woorden zijn, zelfs over zaken die hij nooit gezegd heeft.

Dat vind ik zo jammerlijk en betreurenswaardig.

Gij moet zorgvuldig over de zin van hetgeen ik geschreven heb nadenken en hem begrijpen.

Ofschoon dit in geen enkel opzicht mijn eigen woorden zijn, vermits ik de lijnen van de sūtra’s en sāstra’s niet ken en de diepgang van de dharma-schrifturen niet kan vatten noch onderscheiden, - zullen ze beslist dwaas klinken;

nochtans, mij een honderdste deel van de inbreng van de woorden van de wijlen Shōnin herinnerend, - nauwelijks een fragment - toch schrijf ik erover.

Hoe bedroevend toch - al heeft men het geluk de nembutsu uit te spreken - toevlucht te zoeken in het Grensland in plaats van rechtstreeks in het Vervulde Land geboren te worden.

 

Opdat er geen verschil zou zijn in shinjin onder de beoefenaars van deze ene gemeenschapa, heb ik mijn penseel met inkt bevochtigd en met tranen in de ogen teken ik dit op.

a - i-shitsu heeft heel wat betekenissen: ‘afstamming, origine, kelder, broeikas, graansilo’. Hier de betekenis van ‘gemeenschap behorend tot eenzelfde traditie’.

 

De titel van deze uiteenzettIng weze “Optekening In Betreuring van de Afwijkingen”a.

a - shō = optekening, commentaar, bemerking; tan = betreuren; i = afwijkingen.

 

Dit moet niet naar buitena getoond worden.

a - Niet dat deze tekst geheim of esoterisch is, maar hij kan aanleiding geven tot misverstand, zeker in de behandeling van “goed” en “kwaad”; hij moet dus liefst gereserveerd worden voor mensen die reeds vertrouwd zijn met de leer. Deze slotopmerking wordt bovendien bekrachtigd door de colofon welke Rennyō Shōnin, de 8ste hoofdabt van Honganji (1415-1499) bij de tekst gevoegd heeft.

Ekō 42

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home