De Naam Is Namu Amida Butsu (4)

Shitoku A. Peel

Shin-priester in Europa?

Ondanks de vele misverstanden en verkeerde interpretaties die erover in omloop zijn, is het boeddhisme van de Jodo-Shinshu geen devotionele, statische geestesconstructie die zou wortelen in een wat vage, vlotlopende soort quiëtisme. Wel integendeel. Het doet voortdurend beroep, via de ‘geschikte middelen’ (upāya kausalya) van het Oneindige Boeddhaschap, op een actieve, dynamische deelneming aan de smarten en vreugden van deze samsara-wereld.

Een Shinboeddhist koestert niet de trots de Boeddha in woorden en daden te gelijken of na te bootsen. Een Shinboeddhist streeft niet naar het ‘goede’ via ‘goede werken’, noch zelfs niet naar het religieus, moreel of maatschappelijk verdienstelijke. Hij beseft immers dat het niet zijn zelf-daden, zijn zelf-wil, zijn illusorische zelf-kracht zijn die hem naar het heil van nirvana leiden. Telkens hij iets doet wat ‘verdienstelijk’ is, doet hij dat zonder berekening, zonder verwachting op beloning net zoals hij “Namu Amida Butsu” zegt zonder enige bijzondere bedoeling, enkel om zijn dankbaarheid uit te drukken. Net als de nembutsu is zijn handelen gratis, spontaan tot zelfs in de moraliteit.

Het leven, met zijn pijnen en pleziertjes, heeft de Shin-priester ook een pak nederigheid bijgebracht. Dit is immers de prijs die hij dienste te betalen bij zijn keuze van priesterschap in het Pad van de nembutsu. Deze nederigheid is niet zomaar een psychologische reactie op mislukkingen. Ze is veeleer een religieus, ja ontologisch bewust-zijn van de banden die hen binden aan alle andere wezens. Zoals gezegd in het Mettā-suttam: “Mochten alle wezens gelukkig zijn! Mocht elk levend wezen gelukkig zijn, of het nu zwak of sterk is, verheven, middelmatig of gering, klein of groot, zichtbaar of onzichtbaar, nabij of ver, reeds geboren of nog toekomstig. Mochten alle wezens gelukkig zijn!”

Elk moment van elke dag dient de Shin-priester deze totale verbondenheid met geheel het leven-in-ruimte-en-tijd opnieuw te actualiseren, - en gelijktijdig ook zijn solidariteit met elk van die wezens apart te reactualiseren. Al-liefde in haar meest gedepersonaliseerde vorm dient voor hem een ervaring van elk uur te zijn. Dient te zijn… zou moeten zijn…

In de atmosfeer van onze westerse wereld dient de “priester”, die de taken van zijn boeddhistisch engagement wenst te vervullen, klaar te staan om allen tegemoet te treden die lijden, de zieken, de psychisch gestoorden, de stervenden, ook de dieven en de moordenaars, hun cipiers en hun beulen, de slachtoffers en hun boosdoeners. Ze allen tegemoet te treden met een geest van nembutsu. Amida’s boodschap van liefde en mededogen is geen sentimenteel deuntje met wat tranen en tremolo’s, noch een welmenend zich-afzonderen in comfortabel zelf behagen of naďeve orthodoxie. De leringen van de Jodo-Shinshu hebben niets gemeens met het weelderig tierend salon-boeddhisme.

De grootheid van de Jodo-Shinshu berust in zijn directe eerlijkheid, in zijn gebrek aan belangstelling voor discussies of het tellen van een ledenaantal in vergelijking met andere religies. Zijn realiteit - en dat wat precies zijn verschil met die andere religies uitmaakt - dat bestaat erin andere lui te tonen hoe Amida, in dit bestaan hier en nu, ons de weg toont naar de spirituele innerlijke ruimte van het niet-terugvallen.

De grootheid van de Jodo-Shinshu is “shinjin”, het ‘gemoed van vertrouwen’, de ‘ingesteldheid op het andere’, de ‘vestiging van nirvana’, het opgeven en loslaten van persoonlijke inzichten en berekeningen wat de verlichting betreft, om op te gaan in het volledige en uit-sluitende vertrouwen in de Gelofte-Kracht van het Oneindige Boeddhaschap. De grootheid van de Jodo-Shinshu is de Geboorte in het Reine Land, waardoor alle discriminaties en dichotomieën van nirvana en samsara definitief uitgewist worden.

Hoe is het mogelijk die fundamenten van het onderricht van Shinran Shonin te laten inpassen in de over-nerveuze patronen van onze wereld van vandaag? Hoe kan een vereenzaamd machteloos Shin-priester in Europa deze fundamenten een begin van verwezenlijking geven? In de gelofte van zijn tokudo (ordinering), heeft hij het op zich genomen “steeds zelf te leren, steeds anderen te onderrichten”. Zijn activiteit zal dus getekend blijven door deze ambivalentie: voor hemzelf, steeds Boeddha’s Leer te bestuderen, uit te diepen niet enkel in het discursieve of intellectuele, maar vooral met zijn totaliteit van een-levend-wezen-te-zijn (1). Op het maatschappelijke vlak is zijn roeping allicht nog belangrijker, precies omdat hij zijn geestelijke ervaring dient mede te delen. Zonder schuwheid, zonder schaamte moet hijzelf zijn openbloeiend vertrouwen in de Ander-Kracht uitdrukken.

Maar hoe? Maar hoe? Ook dat weet hij niet en hij zal het waarschijnlijk nooit weten, maar dat belet niet dat hij ervan overtuigd is dat hij het moet doen.

In zijn existentiële onmogelijkheid een voorbeeld te zijn voor zijn mede-mensen, kan de priester niets anders zijn dan een vinger uitgestoken, niet in de richting van een of ander maanlandschap, maar naar Amida’s kosmische (2) mededogende werkzaamheid.

De activiteit van de “priester” bestaat erin een beeld te zijn, ofschoon zelfs een miserabel beeld van het Grote Mededogen dat zichzelf ook uitdrukt in onze moderne wereld van ingewikkelde lijdensvormen.

Andere lui kunnen vruchtbaar mediteren over Liefde en Goedheid, maar de Shin-priester moet de dynamiek van Amida’s liefde-gemoed waar-maken in de geringste dingen van het dagdagelijks bestaan, zonder dat daarbij enige verwachting, zelfs niet enig denken aan beloning, lof, verdienste, eerbewijs of gunstig karma bijkomt. Met een openstaande geest, met een liefdevol gemoed zou hij vooruit dienen te treden in het soms benauwende besef dat zijn werkzaamheid, vergeleken bij Amida’s Eindeloze mahā-karunā (Grote mededogen), en zijn medelijden voor zijn mede-wezens toch belachelijk klein is.

Ik zie me nog staan in Schiphol, onthutst en toch vertrouwend. Ietwat bevreemd van mezelf, van de nieuwe mens die ik was. Heel wat jaren zijn voorbijgegaan sedert mijn terugkeer uit Kyoto als Shin-priester. Maar weinig dagen gaan voorbij zonder dat ik weer het gehuil van die sirene in de donkere hal van Goei-do hoor, die onvergetelijke oktoberavond. Hier, in het westen, na al die jaren, zie ik nog het gelaat van de Hoofdabt in het zachte licht van die ene kaars. En in mijn oren trilt nog de zachte klank van zijn rustige stem: “… and in this way, fulfill the duties of your priesthood in the fullest meaning of this post. This is my request to you.”

Namu Amida Butsu

-----

(1) Tabrah noemde dit being-a-living-being

(2) Ik hou helemaal niet van dit woord (Shitoku).

Ekō 42

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home