Jikōji - Belijdenis

Wij getuigen

1. dat de Lering van de Ander-Kracht Nembutsu de consequente uitloper is van het onderricht van Gautama Buddha en van de diverse Mahayana-meesters (1);

2. dat de kern van deze lering volwaardig en volledig vervat is in het onderricht en de werken van Shinran Shonin, namelijk:

(a) dat de Geboorte in het Reine Land niet verschillend is van de Uiteindelijke Verlichting, het volkomen en definitieve nirvana, de vervulling van het Boeddhalichaam in zijn wezenheid (2) de ware zelfnatuur (3) der dingen, welke niet-zelfheid (4), leegheid (5), natuurlijkheid (6) is;

(b) dat voor ons de Geboorte in het Reine Land uitsluitend verwezenlijkt wordt door de mededogende werkzaamheid van de Ander-Kracht, de kracht van het onmeetbare Boeddha-mededogen en de Boeddha-wijsheid welke wij ervaren als zijnde ‘de verdienste-overdracht bij het heengaan (7);

(c) dat deze Geboorte in het Reine Land nog in dit bestaan kan gevestigd worden, als Shinjin, het ‘Gemoed van Vertrouwen’ (8) dat zich uitdrukt in de Nembutsu en de weerspiegeling is van Amida Tathagata’s werkzaamheid;

(d) dat de Naam Namu Amida Butsu de objectivering is van dit ‘Gemoed van Vertrouwen’ en in het diepste van de wezens opgeroepen wordt door de Ander-Kracht, als zijnde de fysische uitdrukking van hun ware en werkelijke wezenheid;

(e) dat, vermits het Oneindige Boeddhaschap, buiten elke tijdruimtelijkheid om, de Grote Praktijk verricht heeft, morele, meditatieve, liturgische en rituele praktijken voorts slechts bijkomende ondersteuningen (9), geschikte hulpmiddelen (10) van sociale of psychologische aard zijn en dat enkel het ‘Gemoed van Vertrouwen’ de diepe oorzaak van de Geboorte is;

(f) dat het Ware Reine Land is: het mede-worden tot het Oneindige Boeddhaschap, in mededogende werkzaamheid met het doel alle wezens tot de Verlichting te brengen, dit genoemd zijnde ‘de verdienste-overdracht bij het terugkomen’ (11);

(g) dat het Oneindige Boeddhaschap, buiten elke tijdruimtelijke, conceptuele begrenzing eigen aan de menselijke geest, alle wezens zonder onderscheid omvat (12).

3. dat deze leer van de Ander-Kracht Nembutsu niet-selectief, maar natuurlijkerwijze, zij het ook latent, werkzaam is in alle mensen, wijs of dwaas, rijk of arm, geleerd of ongeletterd, man of vrouw, oud of jong, zonder onderscheid van tijd of plaats;

4. dat deze leer bijgevolg universeel is, d.i. volwaardig en volledig beleefd kan worden in de uiteenlopende historische en geografische situaties, overheen alle uiterlijke, cultuurgebonden vormen;

5. dat wie deze lering van de Ander-Kracht Nembutsu beleeft, afstand doet van eigen heilsberekeningen en -praktijken, om zich zonder enige bekommernis om straf of beloning en in de mate van zijn mogelijkheden, in te zetten voor het geestelijke, morele, sociale en materiële welzijn van alle wezens.

-----

(1) In het bijzonder de zeven Patriarchen van de Jodo-Shinshu,  maar ook de filosofen van Madhyamaka, Yogacara, Avatamsaka enz.

(2) Sanskr. dharmakāya-dharmatā, Chin. fa-hsing fa-shen, Jap. hosshō hosshin.

(3) Sanskr. svabhāva, tathatā, Chin. tzu-hsing, chen-ju, Jap. jishō, shinnyo.

(4) Pāli anattā, Sanskr. anātman, nairātmya, Chin. wu-wo; Jap. muga.

(5) Sanskr. shūnyatā, Chin. k’ung-hsing, wu, hsü-wu; Jap. kū, kūshō, mu, komu.

(6) Sanskr. svayambhū, Chin. tzu-jan, Jap. jinen.

(7) Chin. wang-hsiang, hui-hsiang, Jap. ōsō-ekō.

(8) Sanskr. sraddhā-cittā (E. Lamotte), Chin. hsin-hsin, Jap. shinjin.

(9) Chin. chu-yeh, Jap. jogō. ‘Auxiliary Practices’.

(10) Sanskr. upāya; Chin. fang-pien, Jap. hōben.

(11) Chin. huan-hsiang, hui-hsiang, Jap. gensō ekō.

(12) Jap. sesshu fusha.

Ekō 42

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home