Oorsprong Van De Mokuguo

Karl Petit

Onder de cultusvoorwerpen die gebruikt worden in heel wat boeddhistische tempels, is er een dat nooit nalaat de verbazing op te wekken van al diegenen die niet vertrouwd zijn met de Leer van de Verhevene: dat is de Japanse mokugyo (moku = hout; gyo = vis), ideogrammen die de Chinezen uitspreken als mu-yü.

Deze eigenaardige holle en breeduit gespleten houten bol, die men, zoals iedereen wel weet, aanslaat om het hardop voorlezen van de sutra’s te ritmeren (1) heeft sedert eeuwen de vorm aangenomen van een soort heel dikke vis - men zegt dat het een karper is - waarvan de staart meestal over het lichaam gekromd is.

Men kent er ook die gesneden werden in de vorm van twee dikke vissenkoppen of waarvan de greep doet denken aan twee gestileerde hoofden. Gewoonlijk is de mokugyo meestal rood gelakt en vervaardigd uit Japans kamferhout, maar er bestaan er ook in moerbeziehout en in palissander.

Het gebruik van deze houten klok is bedoeld om de monniken wakker te houden: vermits een vis nooit de ogen sluit, is hij dan niet geschikt als symbool van waakzaamheid? Het beslist niet onaangename geluid van de mokugyo herinnert de gelovige boeddhisten eraan dat zij, net als de vissen, waakzaamheid en energie moeten aan de dag leggen, willen ze genieten van de weldaden van hun religie.

Haar wat is de oorsprong van dit voorwerp? Zoals van zovele dingen in Japan, moeten we die in China gaan zoeken. Zijn uitvinding wordt, zo zegt ons H. S.K. Yamaguchi (2) toegeschreven aan ene Chih-ling, die in China tijdens de Sui-dynastie (581-617) zou geleefd hebben en zijn inspiratie zou gevonden hebben in een Subha Sastra waarin een Indische legende wordt verteld.

Volgens deze legende, zou een ongehoorzaam monnik in een later leven een vis geworden zijn. Hij was hierdoor zeer ongelukkig, temeer daar op zijn rug een heuse boom gegroeid was, wat heel hinderlijk moet geweest zijn. Op een dag dat hij zijn vroeger leermeester ontmoette, verzocht hij deze hem hiervan te verlossen door van het hout van de boom een voorwerp te maken dat hem voorstelde en in de tempel kon gebruikt worden. Hierdoor zou de vis gemakkelijker de Verlichting kunnen verwezenlijken. De meester sneed daarop uit het hout een mokugyo en, blijkbaar doordat er tijdens de erediensten zo vaak op geslagen werd, ging de wens van de vroegere monnik in vervulling.

Men mag hiermee ook het feit in betrekking brengen dat het vissenpaar dat voorkomt bij de “Zeven Verschijningen” op de voetzolen van de Boeddha vaak afgebeeld met lichte varianten op schilderingen en zelfs in steen gebeeldhouwd -, een oud boeddhistisch symbool is. “De vis, dat is de bevrijding uit alle dwang en belemmeringen,” schreef Lafcadio Hearn (3) de bekende japaniserende Brit, “Zoals de vis in het water zich gemakkelijk beweegt in alle richtingen, zo ook is de toestand van het boeddhaschap dat van alle hindernissen en belemmeringen bevrijd is.”

In heel wat Japanse boeddhistische tempels onderhoudt en verzorgt men karpers als teken van de eerbied die men aan alle levende wezens verschuldigd is. In het oude China verbeeldde de vis tevens rijkdom, overvloed en vruchtbaarheid (het grote aantal eitjes!), zodat de vis een grote populariteit kende op de muntvormige amuletten die men in de boeddhistische tempels verkocht en waarop een vissenpaar afgebeeld is.

Een typisch voorbeeld van merkwaardige symboliekafwijking!

------

(1) Gebruik in de tempels van de Jodo-, Zen- en enkele andere stromingen maar niet in de Jodo-Shinshu.

(2) In “We Japanese”, deel 2, pag. 113.

(3) In “In Ghostly Japan», pag. 125.

Ekō 42

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home