Editoriaal: Monniken? Leken?

Het Shinboeddhisme is uiteraard geen monnikenboeddhisme. De “priesters” zijn niets anders dan leken, in die zin dat ze niet onderworpen zijn aan de disciplineregels (vīnaya) die traditioneel - in min of meerdere mate - onderhouden worden door de blijkbaar meer traditionele stromingen in het boeddhisme, welke sedert T’anluan het “Pad der Wijzen” worden genoemd. Die Shin-priesters huwen, eten vlees, drinken wijn, verdienen brood en toespijs. Ze zijn zowat zoals de protestantse dominees, de joodse rabbijnen of de islamitische imams. Shinran noemde zichzelf “noch monnik noch leek”, maar in de historische praktijk is de ‘Shin-priester’ gegroeid uit die mensen die de leer verkondigden en verklaarden, - onverschillig of ze monniken met een degelijke formele kloosteropleiding, of leken met een of andere levenservaring waren.

Deze leken-traditie is trouwens in het Shinboeddhisme steeds sterk blijven doorwerken. Ook in het hedendaagse Japan (sommigen zeggen dat in Japan het boeddhisme dood is…) blijven de lekenorganisaties, meestal op lokaal vlak, en naast de eigenlijke tempelstructuur, zeer actief. Leken worden immers niet enkel betrokken bij het sociale leven of bij de materiële aspecten van de gemeenschap. Ze zijn zeer vaak intensief betrokken bij het spirituele leven en aldus mede-uitdragers van Shinrans boodschap.

Het spreekt dan vanzelf dat ook in ons laďciserend Europa, het onderscheid tussen ‘Shinpriester’ en ‘Shinleek’ feitelijk slechts gradueel is. Laten we stellen dat de Shinpriester precies door de openlijkheid van zijn roeping dieper geëngageerd is, meer tijd en inspanning kan en wil besteden aan zijn ‘pastorale’ bedrijvigheid: onderricht, organisatie, psychosociale begeleiding e.d.m. - maar dit is en blijft hoofdzakelijk een kwantitatief onderscheid.

Bovendien moeten we wel vaststellen dat er nog steeds, in dit beginstadium van de introductie van het Reine-Landboeddhisme in Europa, praktische, organisatorische, institutionele problemen blijven bestaan die de basisuitbouw van een volwaardig Europees “priesterschap” bemoeilijken. De traditionele tokudo opleiding blijft nog steeds gereserveerd aan Japan. Enkel in de Honganji te Kyoto kan tokudo-shiki (de ceremonie van de priesterlijke roeping) plaats vinden. Of iedereen in Europa hiermee even gelukkig is, laat ik erbuiten.

We zijn dus a.h.w. verplicht het lekenaspect dat behoort tot de originele elementen van de Jodo-Shinshu te beklemtonen ten einde een werkelijke gemeenschap (“zonder onderscheid van wijs en dom,  man en vrouw, monnik en leek…”) een sangha, te vormen. Op onze altaren symboliseert de bloemenruiker in de vaas, de Sangha, de gemeenschap. Deze Sangha is het derde Iuik van de Drievoudige Toevlucht, in de “Drie Juwelen: de Boeddha, de Leer en de Gemeenschap”. Maar welke bloem in die vaas is monnik, welke is leek?

Sedert zowat een half jaar, worden de erediensten (benaming volgens de Belgische wetgeving terzake…) in Jikoji mede geleid door leken. Of dit volkomen conform is met de conventies in Japan (daterend van het pijnlijke Tokugawa-tijdperk, dit is 500 jaar na Shinran!), laten we nu even terzijde. Van belang is dat na dit halve jaar ervaring; het resultaat beslist positief blijkt.

Misschien dat hier of daar een gongslag wat verkeerd uitviel of dat inderdaad een liturgisch detail verloren liep. En dan? Wat geeft het? De Leer van de Boeddha is geen sacramentele ritualistiek noch een product van ene Japans-Confucianistische etiquette. De Leer is in de eerste plaats een beleven. Een beleving, een belevenis zelfs.

Dat is juist zo wonderbaarlijks wanneer onze Jikoji-lui: Bruno, Danielle, Hubert, Katrien, Luc, Marcel, die deze taak op zich hebben willen nemen, zo spontaan, zo natuurlijk bij de Shin-erediensten willen voorgaan, - vanop de naijin de bezinning leiden, de zang voorzingen, in de nembutsu opgaan en daarbij hun ‘homilie’ - ik zou liever zeggen hun getuigenis - uitspreken. Zo is het mooi mens te zijn, samen mens te zijn.

Daarom ben ik zo blij met deze verwesterlijking van het tempelgebeuren in Jikoji. Onze Europese, West-Europese, Nederlandse, Vlaamse cultuur bewijst hier niet in strijd te zijn met de eeuwenoude lering die we via Japan vanuit India ontvangen hebben. Daarom ook ben ik zo blij in Eko dergelijke getuigenissen te kunnen opnemen, - want ze getuigen van de diepte en de waarachtigheid van hun overtuiging.

En om nogmaals Rennyo Shonin te citeren: In de Jodo-Shinshu is niet zozeer van belang het aantal volgelingen te vergroten, - maar wel dat elk van die volgelingen zijn vertrouwensgemoed uitdiept. En dit gebeurt in Jikoji dan ook dank zij onze ‘leke-priesters’. Diep gasshō en Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 43

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home