Jodo Shinshu Begrijpen (1)

Dr. Taitetsu Unno

Het doel van het boeddhistische pad in het algemeen is de realisering van vrijheid, overheen de beperkingen die we ervaren in deze wereld van geboorte-en-dood (samsara). Technisch heet dat: een persoon streeft ernaar alle soorten van ‘vormen’ die onze vrijheid begrenzen en beperken te overschrijden om een ‘vormloze’ werkelijkheid te verwerkelijken. Dit mag evenwel niet verstaan worden als een verlaten van deze wereld en ontsnappen in een ‘ginds’. Werkelijkheid die ‘vormloos’ is, doordringt alles in de wereld van de ‘vorm’. Daarom moet wie streeft naar de verwerkelijking van ware vrijheid steeds dieper doordringen in de samsarische wereld. Wordt dan die vrijheid verwezenlijkt, dan zal die persoon de nieuw-gevonden kracht aanwenden om alle wezens te bevrijden uit de boeien van geboorte-en-dood.

Ware vrijheid, boeddhistisch bekeken, wordt verwezenlijkt door te leven in overeenstemming met de werkzaamheid van de Dharma. Het begrip ‘dharma’ heeft veel connotaties, maar in het boeddhisme heeft het hoofdzakelijk twee betekenissen. Vooreerst verwijst dharma naar elke realiteit, het ‘zelf’ inbegrepen, in haar dynamische, voortstromende manifestatie (zoals in de uitdrukking ‘dharma-zoals-het-is’); ten tweede betekent dharma de leer waarin deze realiteit in woorden en begrippen uitgedrukt wordt (zoals bv. in ‘Buddha dharma’).

In het vroege boeddhisme verschijnt de werkzaamheid van dharma in de uitdrukkingen van onbestendigheid, veranderlijkheid en voortstroming; het basisritme van het leven bouwt onze wereld op en daarin valt er geen enkele vorm van bestendigheid waar te nemen. Buiten dit proces van verandering is er niets, geen op zichzelf bestaand ding, geen ‘ziel’ of ‘atman’ geheten entiteit, geen absolute zijn. De veranderlijkheid van de werkelijkheid erkennen, dat is bevrijding; dit erkennen is wijsheid, die onafscheidelijk is van mededogen. De veranderlijkheid niet inzien, niet willen inzien, dat is zich vastklampen aan een ‘zelf’ en de onvermijdelijke verandering te loochenen. Hierdoor komt men tot lijden.

In het Mahayana-boeddhisme, wordt de dharma-werkzaamheid uitgedrukt in het ‘ontstaan in afhankelijkheid’ (1) de wereldvormende activiteit waarin alle wezens en alle dingen onderling verbonden zijn, elkaar interpenetreren en van elkaar afhankelijk zijn voor hun ontstaan en hun ophouden. Nochtans is dit dynamische universum, waarin geen enkele blijvende essentie is en die open staat voor oneindige mogelijkheden, toch een vanzelfsprekendheid. Dit universum kan enkel verwerkelijkt worden via strenge ascese en zelf-discipline. Dat is dan ook de bedoeling van de Zen-praktijken. Indien en wanneer dit universum van ontstaan in afhankelijkheid volkomen gerealiseerd wordt, dan is de persoon die dergelijke realisatie vervuld heeft, een volkomen ontwaakte, een Boeddha, een Tathagata. Dank zij de aldus verkregen wijsheid-en-mededogen, wordt die persoon werkzaamheid voor het heil van alle wezens.

In het Shinboeddhisme, de meest ontwikkelde vorm van Reine-Landboeddhisme (2) openbaart de dharma-werkzaamheid zich als de Voortijdelijke Gelofte van Amida Buddha, de Boeddha van het Oneindige Licht (wijsheid) en van het Oneindige Leven (mededogen). De uitdrukking zelf van de Voortijdelijke Gelofte, waarbij het heil van alle wezens vooropgezet wordt, betekent de gelijktijdigheid van de verlichting van alle wezens. Met andere woorden: onze eventuele verlichting is reeds vervat in de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte. Hierdoor hebben wij de mogelijkheid ons toe te vertrouwen aan de dharma-werkzaamheid, waardoor wij bevrijd worden van onze ego-fixatie. Dit toevertrouwen noemt men shinjin, het proces van verlichting dat open staat voor alle wezens. Shinjin heeft een bijzondere betekenis vooral voor die wezens die er niet in slagen met succes de vaak complexe vormen van religieuze praktijk te vervullen, welke nodig zijn om het einddoel, de absolute vrijheid, te bereiken. Het uitspreken van de nembutsu, Namu-Amida-Butsu, is de getuigenis van het ware vertrouwen als vervulde daad.

Shinran (1172-1262) verduidelijkte de dharma-werkzaamheid als de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte. Samen met zijn leraar Honen, veranderde hij het verloop van het Japanse boeddhisme door het pad ter verlichting te openen voor al diegenen die voordien door de religieuze autoriteiten hiervan uitgesloten bleven: boeren, jagers, vissers, handelaars, monniken die de kloosterregels overtreden hadden, en bovendien alle vrouwen van welk slag ook. Shinran schreef veel boeken, waarvan sommige van de belangrijkste in zijn tachtiger jaren. Een blijvende erfenis van zijn denken is bevat in het boek Tannisho (3) kort na zijn overlijden geschreven door zijn discipel Yuien. Yuien herneemt hierin wat hij van zijn meester vernomen heeft met de bedoeling bepaalde vervormde inzichten, die toentertijd gangbaar waren onder Shinrans volgelingen, recht te zetten. De historische omstandigheden waarin Tannisho ontstond laten niet na sommige passages te merktekenen, maar de literaire sterkte van het werk heeft het doen aanvaarden als een geïnspireerd document dat zijn oorsprong vindt in het hart zelf van het mededogen.

Het Brandpunt van het Ware Mededogen

In het brandpunt van de Voortijdelijke Gelofte, die niets anders is dan het ware mededogen gericht op een bepaald wezen, bevindt zich ‘de dwaze persoon van zelf- kracht’. ‘Dwaas’ moet hier begrepen worden in religieuze zin. In Shinrans terminologie, verwijst ‘dwaas’ naar een persoon “die niet uit de boeien van geboorte-en-dood bevrijd kan worden door om het even welke religieuze praktijk, door de overvloed aan blinde driften”.

Dwaas betekent hier dus de onmogelijkheid enige religieuze praktijk tot het uiteindelijke doel van absolute bevrijding te volvoeren. De kern van de dwaasheid die de religieuze praktijk blokkeert, is blinde drift (bonno) (4), die ons conventionele ‘zelf’ doordringt en ons de dharma-werkzaamheid doet afwijzen. Shinran zegt hierover:

“Dat wij er niet aan denken vlug naar het Reine Land te gaan en, wanneer we ook maar lichtjes ziek zijn, al hopeloos denken dat we gaan sterven, ook dat is een uitwerking van onze blinde driften. Het is moeilijk dit oude huis van lijden te verlaten, waarin we van geboorte tot geboorte rondgewenteld hebben, van ver verleden kalpa’s tot heden toe, en we voelen geen verlangen naar het Reine Land van Vrede waarin we nog moeten geboren worden; waarlijk, dit komt doordat onze blinde driften zo krachtig en zo overtuigend zijn. Maar ofschoon wij het jammerlijk vinden deze wereld te verlaten, op het moment dat ons leven hulpeloos eindigt door het uitgeput geraken van onze karmische banden aan deze saha-wereld, dan zullen we naar dat Land gaan. Amida heeft een bijzonder mededogen voor wie geen gedachte van verlangen heeft er vlug heen te gaan.”

(Tannisho, ix)

Er zijn mensen die religie verwerpen als zinloos, terwijl er anderen zijn die ze willen benutten voor eigen profijt of welzijn. Beide categorieën zijn getekend door hun blinde driften. Iedereen is aan zijn leven gehecht, zelfs een kleine onpasselijkheid doet de vrees om te sterven oprijzen. Wij verheugen ons nooit genoeg in de vreugde van anderen, noch lijden we genoeg met het lijden van anderen. Maar zelfs die blinde driften, die inherent zijn aan de existentie van de menselijke wezens, kunnen ten slotte geen weerstand blijven bieden tegen de niet-aflatende werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte.

Hoofdkenmerk van een dwaas iemand, gedreven door zijn blinde driften, is zijn blind vertrouwen in zelf-kracht. Zelf-kracht is de illusie eigen aan iemand die er altijd van bewust is ‘het goede te doen’, gelijk of dit ‘goede’ een morele handeling of een spirituele verwezenlijking is. Gehechtheid hieraan drukt het zelf nog dieper in de slavernij van het samsarisch bestaan van voortdurende ontevredenheid en ongenoegen. Diezelfde gehechtheid is eveneens aansprakelijk voor de berekeningen en slimmigheidjes (hakarai) waarmee men poogt onverzadigbare ik-gerichte behoeften te voldoen, zelfs in de meest ‘verheven’ morele of religieuze zin. Wie zo trots gaat op zijn zelf-kracht is vanzelfsprekend onbekwaam zichzelf geheel aan de Ander-Kracht toe te vertrouwen. En zonder deze mogelijkheid tot vertrouwen en overgave, kan men nooit loskomen uit de dwang van zelf-fixering. Vermits die mogelijkheid voortkomt uit de Ander-Kracht, is het noodzakelijk dat men zichzelf openstelt voor de werkzaamheid van de Ander-Kracht.

De enige weg langswaar ‘wezens van blinde driften’ dit kunnen verwezenlijken, is een eens-gerichte aandacht voor de lering die tot ons vloeit vanuit de wereld van de dharma-zoals-het-is.

Luisteren naar de Buddha-dharma is de centrale praktijk in het Shinboeddhisme: er worden geen andere vereisten of voorwaarden gesteld, noch meditatieve praktijken, zedelijke voorschriften of intellectuele vorming. Maar er zijn verschillende gradaties in dat luisteren: ze gaan vanaf halfhartigheid tot totale vereenzelviging. Uiteindelijk overwint de kracht van hetgeen men gehoord heeft ook de blindste driften en wordt een nieuw wezen geboren dat de werkzaamheid van de dharma incarneert. Zulk een radicale vorm van luisteren doorbreekt de subject/object dichotomie en dan heeft de directe ervaring van niet-dichotome werkelijkheid plaats. Een nabije analogie zou zijn het ongerepte luisteren naar muziek, zoals T.S. Eliot dat beschrijft in “The Dry Salvages”:

Music heard so deeply
It is not heard at all
And you are the music
While the music lasts.

De Buddha-dharma is geen voorwerp om bestudeerd, geanalyseerd of gebruikt te worden. Hij moet begrepen worden met geheel zijn wezen, en wanneer hij waarlijk gehoord wordt, bestaat er geen afscheiding meer tussen wie hoort en hetgeen gehoord wordt. Saiichi, de myokonin of voorbeeldig Shin-devoot, drukt dit als volgt uit:

Ik ben het niet die het gehoord heeft,
Ik ben het niet die het gehoord heeft;
Namu-Amida-Butsu slaat mijn hart aan
Nu ben ik geraakt en door u opgenomen.

Om te resumeren: het brandpunt van het ware mededogen is steeds en altijd het dwaze wezen dat niet bij machte is zichzelf los te rukken uit de tirannie van zijn blinde driften. Shinran roept dit uit voor elk van ons: “Wanneer ik de mededogende gelofte van Amida overweeg, die na vijf kalpa’s van diepe meditatie gevestigd werd, dan was dit voor mij, Shinran, heel alleen. Omdat ik een wezen ben zo zwaar belast met karma, voel ik nog diepere dankbaarheid voor de Voortijdelijke Gelofte, die gevestigd werd voor mijn heil.”

(wordt voortgezet)

Dr. Taitetsu Unno is verbonden aan het Smith College te Northampton, Mass. (USA), een van de hoogst aangeslagen universitaire instellingen op gebied van menswetenschappen. Hij is momenteel een van de meest vooraanstaande auteurs van boeken en artikels over Shinboeddhisme, zowel op academisch als op ‘gewoon’ niveau. Het is niet uitgesloten dat hij in de loop van dit jaar een bezoek zal brengen aan Jikoji.

(1) Sanskr. pratitya samutpada.

(2) Ook wel ‘Amidisme’ genoemd.

(3) Sinds enkele maanden ook beschikbaar in Nederlandse vertaling: Tannisho - Het Betreuren van Afwijkingen, uitg. De Simpele Weg, Antwerpen.

(4) Is zowat de samenvatting van de ‘drie hindernissen’: begeerte, haat en begoocheling, de (Sanskr.) klesa’s van het algemene boeddhisme.

Ekō 44

Jodo Shinshu Begrijpen

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home