De Naam Is Namu Amida Butsu (7)

Shitoku A. Peel

Het Reine Land: Wat, Waar, Wanneer? (slot)

Laten we nu proberen dat “andere” te benaderen. Wie of wat is het?

Bij bepaling is het niet “ik”, noch “mijn”. Maar evenmin is het “jij” of “jouw”, noch “hij” en “zij” en “het” of we die woorden nu met of zonder hoofdletters schrijven; noch is dit amida'sche “andere” een wat-of-wie-ook-heid die we erbij zouden roepen al is het maar om van ons cognitieve denken af te geraken en aldus het probleem in een doofput te steken.

Let wel op: ook wanneer we praten in termen van “zich overgeven aan de/het Andere”, moeten we beslist elke vorm van mogelijk misverstand uitschakelen. Onze woorden lopen immers verkeerd. Dat is zo één van die vervelende dingen van het intellect, een soort van losprijs die we moeten betalen na ‘iets te begrijpen’. Daarna is het goed dat we, op (on)bepaalde niveaus en in (on)bepaalde gebieden ons doel niet mogen stellen in een intellectueel, d.i. conceptueel, diacursief ‘vatten’. Maar ook dit is belangrijk: er schuilen evenveel gevaren, wolfijzers en schietgeweren, wanneer we ons zouden toeleggen op een emotionele of mystiek-‘esoterische’ benadering.

Eigenlijk zitten we hier in een beslist netelige innerlijke configuratie. Alle instrumenten waarover de menselijke geest beschikt , zijn waardevol, nuttig, praktisch… zolang men ze blijft gebruiken op het terrein waarvoor ze ‘gemaakt’ zijn. Maar een rationale gaan toepassen in het emotionele of het mystieke, of emotioneel een logische structuur gaan interpreteren, - neen, dat zijn van die zaken waarvoor ik o zo schuw ben. En zelfs die schuwheid is in se geen oplossing.

Het is heel fraai te willen goochelen met holle woorden zoals ‘een holistische benadering’ of ‘een kosmische intuïtie’. Mooie zelfbegoochelingen zijn dat, of een ad infinitum verschuiven van het probleem.

En toch. En toch moeten, willen we zoeken naar een pad waarlangs we van dat ‘Reine Land’, dat ‘nirvana’, die ‘verlichting’ ons een ietwat benaderend beeld, een vage metafoor kunnen voorstellen.

Dat hangt natuurlijk af van de individuele instelling die we hebben. De boeddhistische traditie weet te zeggen dat er 84 000 van die individuele instellingen zouden zijne. Wanneer ik dus wil spreken over “mijn” individuele instelling, dan zit ik voor 1/84 000 goed… van relativeren gesproken.

Dus wat mij betreft, zie ik de benadering van de aard van het Reine Land het liefst langs de esthetische zijde. Een esthetisch ‘begrijpen’ dus. Zoals het kijken naar een wondermooie schilderij, een intreden erin; of het beschouwen van énige landschappen: de schuimende zee, wolken over het polderland, zonsopgang in het gebergte, berken in de heide, kraters van een Hawaïaanse vulkaan; of het luisteren naar koren en aria’s en recitatieven uit de Mattheus-Passion en zelfs tot klank worden; of luisteren naar de merel die bij valavond over de regen zingt en zelf merel en valavond en regen worden… of het lezen van sommige gedichten, Bassho, Trakl, Rimbaud, Gezelle, Li Tai-po, Mallarmé, T. S. Eliot, Homeros, Ikkyu… en zelf vers worden.

Ik vermoed dat we - voor mij althans… - hier een pad van begrijpen van het Reine Land hebben, en ook dat we op deze wijze het Reine Land kunnen beschouwen en dat we zeker op deze wijze, met een esthetische openheid, ook de Reine Landsutra ‘s zouden moeten lezen.

Betekent dat evenwel dat een schoonheidservaring voor ons de definitieve verklaring van het Reine Land zou inhouden? Dat denk ik niet Kunnen we zó ver gaan als te beweren dat shinjin zou kunnen herleid worden tot een religieuze ervaring op het esthetische niveau van ons gemoed? Zou het Reine Land dan niets anders zijn dan een contactveld tussen een en ander, zij het “kosmisch” kunstwerk en zijn beschouwer? Is het Mateloze Licht van het Reine Land dan niets anders dan een schoonheidsmanifestatie, een thing of beauty, dat ons plots, onberekenbaar maar slechts momentaan tot trillen, tot vervoering brengt?

Laten we asjeblief de vergelijking niet te ver doortrekken. Omnis comparatio claudicat. We kunnen inderdaad het beeld van de esthetische emotie gebruiken als een analogie, maar we kunnen hierbij het grote nadeel van deze beeldspraak niet ontlopen: hoezeer we ook verzinken in de schoonheid, hoezeer we ook opgaan in ontroering en onszelf daarin denken te vergeten, er is toch steeds, in elke schoonheidservaring de latente of uitgesproken aanwezigheid van “ik” en “ons”, want het is en blijft voor mij een ik-ervaring binnen in mijn individuele instelling. Het Reine Land blijft ‘mij’ ver, zolang ‘ik’ er is, en zolang ‘het’ een ‘ander’ is.

Het Reine Land kan enkel gelokaliseerd worden daar waar ‘ik’ en ‘ander’ niet meer apart staan, waar het ‘zelf’ samengevloeid is met het ‘ander’, waar het ‘ik’ zichzelf en zijn zelf-illusie vergeten is en waar ook vergeten is wat ‘ander’ is. Om het simplistisch te zeggen: het Reine Land komt tot existeren op het moment en op de plaats (2) waar al deze, door ons zo geliefde, tegenstellingen ophouden te bestaan.

Elk van ons is er echter zozeer op uit zich te affirmeren, zich ‘waar te maken’, ‘zichzelf te zijn’. Kijk eens naar de overvloed van advertenties van ‘groeperingen’ en ‘specialisten’ in de zovele vormen van zelfbevestiging. Want dàn kunnen we erbij zijn, dàn zullen de anderen ons erkennen, dan gaan we naar succes en zelfbevrediging, dàn kunnen we rijden met onze psychologische luxe-car of scheren we de hoogste toppen van maatschappelijk aanzien. Of gewoon in onze zelf-aanbidding, zullen we ons feel fine. Dàn kunnen we alle gelegenheden des levens grijpen om onszelf te tonen op onze zelfgemaakte piëdestals.

Maar uiteindelijk komen we allen, hoe we ook zijn, zelf-verheerlijkend of zelf-destructief, toch terecht in de stroom die ons voert naar de Oceaan van het Oneindige Licht en het Oneindige Leven. En de relicten van hetgeen we dachten te zijn en alle dingen die we aanbeden of verguisd hebben, zijn onvindbaar en ongrijpbaar geworden in de Niet-Tweeheid van de Uiteindelijke Verlichting.

Dat is de reden waarom ik me dikwijls afvraag of het niet mogelijk of onmogelijk zou zijn het zó uit te drukken: daar waar al het ‘mijne’ samenvloeit met al het ‘andere’, zou dààr het Reine Land niet zijn? Dat zou - voor mij althans - een verklaring zijn hoe het Reine Land tezelfdertijd niet in ons, waar ook niet buiten ons, en hoe het, tezelfdertijd wel in ons en wel buiten ons is.

En zo kunnen we ons voorstellen dat het Reine Land zo ver van ons ligt dat er miljoenen boeddhalanden moeten doorkruist worden om er te geraken, en toch zo dichtbij dat we het met de hand kunnen aanraken, of zoals de Myokonin het zei: “de deur vlak naast de onze”. Het Reine Land is vlak bij, hier en nu, zodra wij het aanvaarden en beleven, waar het is miljarden lichtjaren van ons verwijderd zolang we ons ertegen verzetten, al is het maar doordat we ons huidig ik-bestaan heel wat interessanter vinden.

Sta we nu nog een vrijheidje toe, een beeld waar ik erg van hou: wanneer onze handen in gassho zijn, de twee handpalmen intiem tegeneen en de juzu eromheen, dan is het tussen die twee handpalmen dat het Reine Land gevonden wordt. Om het Reine Land te ‘be-grijpen’ moeten we gewoon de handen bijeenbrengen in dankbaarheid en nederigheid. Dààr en dan is het Reine Land.

Zou dit niet, zoals Bodhisattva Nagarjuna het zei, de eigenlijke, ware en werkelijke ‘gemakkelijke weg’ naar nirvana zijn?

Op al onze gecompliceerde, geslepen en vernuftige vragen, is het enige antwoord de uiterste eenvoud van gassho, de eenvoud van dankbaarheid voor Amida Buddha’s Grote Mededogen. Het antwoord op al onze intellectuele bespiegelingen ligt tussen onze beide handen. In deze beweging van het eensgerichte gemoed, ervaren we de niet-gedifferentieerdheid van “ons” NAMU en de “andere” AMIDA BUTSU. En daarmee buigen we naar het innerlijke Westelijke Paradijs van onze dood, die Geboorte is.

Maar, zeg me eerlijk: zijn wij ècht nederig genoeg om ons gewoed zó uit te kleden en naakt te staan in onze gassho, en het Reine Land te vinden - niet te zoeken - dààr waar het zich werkelijk bevindt?

(1) sommige teksten spreken zelfs van 108 000, maar het verschil is uiteindelîjk de moeite niet waard.

(2) in de zin van Kitaro Nishida, filosoof en stichter van de z.g. Kyoto School.

Ekō 45

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home