De Naam Is Namu Amida Butsu (8)

Shitoku A. Peel

Amida: Mijn God Of Mijn Vriend?

Heel wat mensen, hoofdzakelijk van christelijke gezinning, beweren nog steeds dat er geen essentieel verschil bestaat tussen de monotheïstische, en neer in het bijzonder christelijke opvatting van een al-goede en al-wijze God, en het boeddhistische concept van een Absoluut en Oneindig Boeddhaschap, in het Shinboeddhisme gewoonlijk aangeduid als de Boeddha van het Oneindige Licht, dat de grenzeloze Wijsheid is, en van het Oneindige Leven, dat het Grote Mededogen is.

En onder de indruk van zo’n cassante en met klem herhaalde bewering, zijn er zelfs boeddhisten, zelfs Shinboeddhisten die hierdoor in verwarring en twijfel geraken. Is dan Amida niet een al-goede en al-wijze God die ons redt uit deze wereld van lijden, zonde en onwetendheid?

Daarom is het misschien goed even te proberen te zien wat in het oog van de doorsnee christen “God” is, en wat in de boeddhistische optiek de “Boeddha” - of juister gezegd het “Boeddhaschap” wel en niet is.

Wanneer we het christelijk concept “God” beschouwen, zien we dat van deze god gesteld wordt dat hij “de oorzaak van alle dingen” is, “de Schepper van hemel en aarde”, de “eerste oorzaak”. Hij treedt in een historische context niet enkel op als Schepper van de wereld, van alle wezens en van alle dingen, ook (noodzakelijkerwijze direct of indirect) van het lijden, van het kwade, van de zonde; maar ook en eigenlijk erg onlogisch, als Jezus Christus, Gods Zoon, ja waarlijk eniggeboren zoon van God, die op het kruis leed en stierf ter inlossing van de erfzonde en van alle zonden van de mensheid. Deze inlossing noemen de christenen “liefde”; zonde daarentegen is ongehoorzaamheid aan wat God bevolen en/of verboden heeft en waarover men zich geen vragen dient te stellen.

We kunnen hier niet dieper op ingaan en moeten het probleem laten voor wat het is. Wij hebben immers allerminst de bedoeling hier een polemiek tegen het monotheïsme te beginnen. Als boeddhisten, dienen we elke vorm van nutteloos dispuut uit de weg te gaan. Evenmin ligt het in onze bedoeling de christelijke theologieën, met hun veelvuldige en vaak tegenstrijdige definities en conclusies, te bestuderen. Het volstaat immers een blik - ook van verre - te werpen op de christelijke theologieën, heden meer nog dan in het verleden, om getroffen te worden door onoverkomelijke divergenties die te voorschijn komen in hoogst belangrijke geloofspunten, als b.v. de begrippen ‘zonde’, ‘verlossing’. ‘genade’ en zeker het begrip ‘God’.

Nochtans kunnen we met ons onderwerp niet verder geraken als we niet kunnen stellen dat de overkoepelende, conventionele religieuze definitie van de christelijke God niet buiten de notie van ‘Schepper’ kan. Dit impliceert dat het onvermijdelijk wordt op een fundamenteel dualisme te stuiten, nl. dat van de ‘Schepper’ en van de ‘schepping’, waaruit dan weer de natuur van het “wezen” voortspruit. Inderdaad, deze “God” is het Absolute Wezen. Zegt de bijbel ook niet dat God zichzelf omschrijft als “ik ben die is” (1). Het is vanuit dit Wezen (met een grote W) dat de Schepping haar wezen kon afleiden. Tegenover het relatieve wezen van de schepping, staat het Absolute Wezen van de Schepper.

Het boeddhisme is echter niet begaan met het probleem van ‘wezen’, noch van ‘zijn’ of ‘niet-zijn’. De boeddhistische ‘Leitmotive’ van anattā (‘niet-zelfheid’) en sūnyatā (leegheid) zijn fundamenteel tegengesteld aan elke notie van ‘wezen’ in de metafysische betekenis van deze term. Voor de boeddhist is het “reële”, is de realiteit van het bestaan niet ‘ding’ of ‘wezen’, maar ‘worder’, ‘zo worden’, ‘gebeurtenis’.

Dat is dan ook meteen de reden waarom het boeddhisme heel de problematiek van een “Schepping” negeert. Al wat bestaat, is een gevolg van vroeger bestaan; al wat bestaat, al wat we in onze existentie ontmoeten, kwam tot existeren via de wetmatigheid van de “Oorsprong in Afhankelijkheid” (2) (populair beter gekend als “Wet van Oorzaken en Gevolgen” of gewoon “Oorzaken en Voorwaarden” in-nen). Er is geen begin voor deze wetmatigheid. Boeddhistisch gezien is ‘schepping’ een tijdloze, onophoudelijke gebeurtenis waarin ieder van ons betrokken is, waarbij ieder van ons de ‘schepper’ is van zijn huidig en van zijn later bestaan.

In feite is zelfs het begrip van een “God” in judeo-christelijke of islamitische zin volkomen vreemd aan het boeddhisme. Ook de theïstische visie van sommige Hindoe-stelsels heeft niets te maken met het boeddhisme. Sta me toe in deze context de beroemde Abhidharma-kenner èn Vajrayana-adept Herhert V. Guenther te citeren; in zijn “Philosophy and Psychology of the Abhidharma” zegt hij gevat:

“Buddhism is a thorough atheistic doctrine.” (p. 114) (…) “The fact (…) is that no phase of Buddhism even had theistic or pantheistic tendencies.” (p. 115)

Prof. J. Takakusu, in zijn “Essentials of Buddhist Philosophy”, dringt herhaaldelijk aan op het feit dat het boeddhisme slechts zelden belangstelling heeft voor de problematiek van “wezen” en “zijn” (Sanskr. tattva = wezenheid, is-heid), maar hoofdzakelijk begaan is met “zo-heid” (Sanskr. tathata), wat toch duidelijk genoeg niet refereert naar de statische status van “zijn”, maar wel naar de dynamiek van “zo-worden”.

Alleen reeds daarom dienen we omzichtig om te springen met pogingen tot identificatie van fundamentele begrippen en moeten we weerstand bieden aan de verleiding van te gemakkelijke gelijkschakelingen.

De Boeddha. ook dààr waar hij voorgesteld wordt als zijnde ‘oneindig’ of ‘fundamenteel’ of ‘oorspronkelijk’ kan dan ook nooit beschouwd worden als een equivalent voor een God-Schepper van hemel en aarde, en zeker niet voor een God-Rechter. Het Boeddhaschap is uiteindelijk niets anders dan ultieme zo-heid, absolute leeg-heid.

In de meeste boeddhistische scholen worden begrippen als zo-heid en leeg-heid meestal benaderd vanuit de negatieve zijde (3), maar in de Reine-Land visie wordt het Boeddhaschap hoofdzakelijk benaderd in positieve formuleringen, “Opperste”, “Oneindig”, “Mateloos”, “Ander-Kracht”, “Gelofte-Kracht”. Ook het nirvana, dat essentieel niet verschillend is van het Boeddhaschap, wordt in tamelijk concrete vormen voorgesteld. Maar de Shinboeddhist weet pertinent dat hij gebruik maakt van positieve vormgevingen en voorstellingen met de bedoeling te verwoorden wat hij als onverwoordbaar aanvoelt, ofschoon de gebezigde termen finaal noch negatief noch positief mogen opgevat worden, geenzijds van ‘zijn’ en ‘niet- zijn’. Hij weet pertinent dat deze termen in laatste instantie onpersoonlijk dienen opgevat te worden. Onpersoonlijk staat hier niet voor de afwezigheid van enige ‘persona’. maar wel voor de fundamentele gelijkheid van al wat als persoonlijk ervaren wordt. Immers: alle ‘wezens’ zijn op gelijke wijze betrokken bij het Boeddhaschap en hebben deel aan de werkzaamheid van de Gelofte-Kracht.

Boeddhaschap is niet iets dat apart staat, zoals een ‘ziel’ of ‘atman’ die het menselijk lichaam zou bewonen. De Boeddhanatuur is intrinsiek verbonden met de menselijke natuur. In ‘niet-tweeheid’. Dat betekent dat de menselijke natuur, geconditioneerd door en resulterend uit karmische vormingen en eventueel andere omstandigheden en daarom ook enkel betrekkelijk, niet identiek is aan de Boeddhanatuur, - maar er ook niet van afgescheiden.

Deze ‘niet-tweeheid’ wordt uitgedrukt in Namu Amida Butsu. Het is in en door deze niet-afgescheidenheid dat het lijdende, begoochelde, dwaze bestaan dat we leiden kan deelhebben aan de absolute Boeddhanatuur en dat de mensen, de ‘wezens’ tot het besef kunnen komen dat ze rechtstreeks betrokken zijn bij de dynamiek van universele bevrijding, van universele Verlichting voor alle ‘wezens’, wat en hoe ze ook zijn.

Dat verklaart waarom boeddhisten kunnen stellen dat het uiteindelijke religieuze doel van hun boeddhist-zijn niets anders, niets minder is dan Boeddha te worden. Een christen daarentegen kan nooit zeggen dat hij God-zelf wil worden…

De boeddhistische bevrijding is niet verbonden aan historische of para-historische gebeurtenissen als schepping, zondeval, kruisdood en herrijzenis of laatste oordeel; noch wordt de boeddhistische bevrijding geconditioneerd door een of andere vorm van ‘afkopen’. Bevrijding, of noem het ‘heil’, is de tijdloze, buitentijdse activiteit van een natuurkracht, de Boeddha-natuurkracht. die men zo men wil kan vergelijken bij andere natuurkrachten of -wetten, zoals zwaartekracht; maar dan ook een kracht die alle wezens naar de uiteindelijke bevrijding drijft. Deze Boeddha-werkzaamheid heeft plaats in een spiritueel continuüm. Voor de menselijke geest manifesteert deze werkzaamheid zich als Oneindige Wijsheid en Oneindig Mededogen.

Amida Buddha - eigenlijk onze voostelling van het “Andere” - is dus niet zozeer een “schenker van genade”, zoals sommigen het wel willen voorhouden, maar hij is de natuurlijke bron van “genade”. Neen, hij is “genade” zelf.

In dit verband mag nog benadrukt worden dat de Boeddha geen Wijsheid en Mededogen heeft, maar dat hij Wijsheid en Mededogen is. Hij is geen “God” die ons Verlichting verleent, naar hij is Verlichting.

(wordt voortgezet)

(1) Hebr. ‘hyh ‘sr ‘hyh; Septuagint egò eimi ho ón (lett. ‘ik ben de zijnde’).

(2) Sanskr. pratitya samutpada.

(3) Uiterst model hiervoor is Nagarjuna.

Ekō 46

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home