Onthechting?

Katrien Haemers

Vroeger, toen ik nog “jong en onervaren” was, heb ik altijd grote bewondering en aantrekking gevoeld voor het ascetische, de onthechting. Niet dat ik dat in mijn onmiddellijke omgeving zoveel zag; mijn familieleden waren eerder levensgenieters.

Hoe ik ertoe gekomen ben, weet ik niet, maar ascetisme had voor mij een esthetische klank: het riep het beeld op van een sobere monnikencel, met schaarse maar mooie voorwerpen, of de zuivere lijnen van een kloostergang in een cisterciënzer abdij.

Ook de eerste beelden die ik van het boeddhisme te zien kreeg, toonden mij datzelfde “esthetische ascetisme”: tempels en kloosters en tuinen van Zen-monniken. En weerspiegelt ook een Boeddhabeeld niet de schoonheid van inwendige en uitwendige soberheid?

Ik verbond spontaan boeddhisme met onthechting en soberheid.

En nu, vele jaren later, op een ogenblik dat ik besef dat mijn romantische opvatting over ascetisme wel enigszins verschillend is van de realiteit, nu merk ik dat veel mensen boeddhisme verbinden met ascetisme, en daar bovendien door afgeschrikt worden.

Het (h)erkennen van begeerte als oorzaak van lijden, het stellen van de oplossing in het loslaten van verlangen, zelfs het loslaten van de bevestiging van een zelf, het klinkt niet zo aantrekkelijk. “Wat schiet er dan nog over?” hoor ik dan zeggen. En “de goede dingen die het leven biedt, moet men toch niet weigeren, anders wordt het helemaal triestig”. En men hoort een lichte paniek tegenover een dergelijke “negatieve” levensfilosofie.

Zoals mijn idee over ascetisme veraf stond van de realiteit ervan, zo krijg ik het idee dat mensen ook wel een verkeerd beeld hebben van wat “onthechting” voor de boeddhistische leek wel is.

Ik geloof niet dat het gaat over onthechting als een weigering van het goede, een verbod op genieten, een verwerpen van vreugde of plezier. Maar ik meen dat het een waarschuwing is die geldt voor het ononderbroken najagen van genot en plezier, het onophoudelijk navolgen van elk verlangen of elke afkeer, en het niet-kunnen-loslaten van datgene wat ons genoegen geeft, het willen bezitten, behouden, steeds vermeerderen, het verafgoden en vergoddelijken, alle aandacht en alle energie richten op het bestendigen van een toestand van genieten.

Ik meen dat “onthechting” in de leer van de Boeddha nauw verbonden is met de deugd van gelijkmoedigheid: bereidheid om vreugde en pijn met eenzelfde gemoedsgesteldheid te aanvaarden en los te laten. Zowel vreugde als pijn, zowel aanvaarden als loslaten. Ook de mogelijkheid om verdriet los te laten. De vaardigheid om over te stappen van overvloed naar schaarste, zonder te klagen, te steigeren, of te panikeren.

De mogelijkheid om in het licht van de schijnwerpers te staan en van het podium weg te gaan om achter de schermen te spelen.

De bereidwilligheid om een eenvoudige, weinig gewaardeerde of zelfs weinig opgemerkte taak uit te voeren, met dezelfde aandacht en zorg als een heel belangrijke opdracht waar alle kranten over zullen schrijven. Zoals de Taoïsten spreken van “het bakken van een visje zoals men een keizerrijk bestuurt, en het keizerrijk besturen zoals men een visje bakt”.

Kunnen zien dat men een schakel in de ketting is, en geen parel aan de kroon, noch het sluitstuk van een kostbaar sieraad.

Het vermogen vol vreugde te zijn voor de aanwezigheid van een geliefd mens, het thuiskomen van een kind, en niet droevig voor het weggaan.

Is dat alles al niet moeilijk genoeg?

Men moet zichzelf niet amputeren tot asceet; de weg van het midden ligt niet in zo’n extreme houding.

Maar gelijkmoedigheid opbrengen, tegenover alles wat gegeven wordt, tegenover alles wat ontnomen wordt, daarheen leidt de weg van onthechting.

De Vimalakirtinirdesa brengt in heel kleurrijke beelden en vol milde humor, een herkenbaar beeld van wat dan onthechting wel kan zijn. De rijke man Vimalakirti, die zonder veel scrupules houdt van weelde, rijkdom en genoegens, geeft hier een les aan de monniken: het is niet door zich angstvallig afzijdig te houden van de genietingen dat men onthecht is. Ook de afkeer, de vrees voor iets, is een vorm van gehechtheid. Ook het scrupuleus afmeten van wat mag of niet mag, bindt en houdt gevangen. Vimalakirti heeft geen problemen met wereldse genoegens: daarom kan hij ze ook ongehinderd “toveren” wanneer het nodig is, maar even gemakkelijk laat hij alles weer verdwijnen wanneer de omstandigheden veranderen en er geen nood meer is.

Zoals een vriend zegde: Het is niet de vraag of ik drink of niet drink. De vraag is dat het niet meer belangrijk is dat ik drink of niet drink.

Zo zie ik de onthechting in de leer van de Boeddha, en om dat te bevestigen zal ik bekennen dat ik onder het schrijven van deze regels zat te genieten van een gouden ondergaande zon; vóór mij op tafel stond een glaasje met iets lekkers in, en op de achtergrond klonk er heerlijke Mozartmuziek. U merkt het: hééI ascetisch was dat niet!

Ekō 46

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home