Jodo Shinshu Begrijpen (3)

Dr. Taitetsu Unno

Ander-Kracht

Amida Buddha wordt weliswaar de “Ander-Kracht” genoemd, maar dat ‘andere’ is niet een ‘ander’ in contrast tot ‘zelf’. Saiichi zei het duidelijk:

“Er is geen zelf-kracht
er is geen andere kracht
alles is Ander-Kracht.”

Bij ons dagelijkse denken worden wij geketend door de subject-object dichotomie. We zien de wereld vanuit een zelf-ingesloten standpunt en kunnen het “andere” niet naar waarde schatten zoals het werkelijk is, doordat er een kloof bestaat tussen het “zelf” en het “andere”. Bekeken vanuit dit zelf-beperkte en zelf-beperkende standpunt, wordt Ander-Kracht beschouwd als een object, een abstractie en bijgevolg wordt het voor ons betekenisloos. Wordt evenwel dit standpunt verlaten of in scherven geslagen, dan wordt Ander-Kracht tot dynamiek in het leven, wordt zelf dynamisch leven waarin alle dharma’s, de menselijke zowel als de andere, ertoe gebracht worden hun intrinsieke potentialiteiten ten volste te verwezenlijken. Dan wordt immers de totaliteit van elke werkelijkheid volledig Ander-Kracht, een Ander-Kracht waarin geen plaats zeer overblijft voor zelf-kracht.

Shinran maakte dit duidelijk door het niet-bestaan van eigenzinnigheid of egocentriciteit te onderlijnen:

“Wanneer ik niets bekokstoof, dan is dit ‘gemaakt om uit zichzelf te worden’. Dit is niets anders aan de Ander-Kracht.”

Het oorspronkelijke Chinees-Japanse woord voor ‘gemaakt om uit zichzelf te worden”, dat is jinen, een overigens moeilijk te vertalen term. ‘Ji’ betekent ‘zelf’, niet enkel het menselijke ‘zelf’, maar ook het ‘zelf’ van bomen, bloemen, vissen, vogels, bergen, …; ‘nen’ betekent ‘veroorzaken te worden’. Met andere woorden, elke realiteit, of ze van mensenaard is of anders, wordt ertoe gebracht zichzelf te worden, zijn potentieel te vervullen en werkelijk waar te worden door de werkingskracht van de dharma. Dergelijke werkzaamheid van de dharma, om te ‘maken dat de dingen uit zichzelf worden’, zonder enige discriminatie. noch tussen oud en jong, man of vrouw, goed of kwaad, - dat is de Ander-Kracht. Shinran beklemtoont dat, wanneer hij schrijft: “Ander-Kracht betekent niets anders dan vrij te zijn van elke vorm van berekening.”

Ander-Kracht, bijgevolg, is niet een absoluut wezen, niet een kracht die van elk wezen afgescheiden is, het is ook geen mirakelverwekker. Misschien geeft volgend citaat van een eminent Japans pottenbakker, Shoji Hamada, een omschrijving van de Ander-Kracht die voor iedereen begrijpelijk en vatbaar is:

“Als een oven klein is, dan zou ik bij machte zijn hem helemaal te controleren; dat wil zeggen mijn eigen zelf kan dan de controleur worden, de meester over de oven. Maar ‘s mensen zelf is uiteindelijk slechts een heel klein iets.

Wanneer ik met een grote oven werk, dan wordt de kracht van zijn eigen zelf zo zwak dat ik de oven niet zeer degelijk kan controleren. Dat betekent dat voor een grotere oven ik een kracht groter dan die van zijn eigen zelf moet hebben.

Zonder de weldadige medewerking van zulk een mij te boven gaande kracht zou ik geen goede stukken aardewerk kunnen verkrijgen. Een van de redenen waarom ik over een grote oven wou beschikken, dat is dat ik een goed pottenbakker wilde zijn, die, als het kan, meer in een toestand van genade kan werken dan vanuit zijn eigen vermogen. En u weet dat praktisch alle beste potten van weleer in grote ovens vervaardigd werden.”

Ander-Kracht, als jinen, zet het onheilzame om in het heilzame, het laagste in het hoogste. En dat hoogste, dat is niets anders dat het Grote Mededogen (mahakaruna) in volle werkzaamheid, gericht op het dwaze wezen dat we zijn. Aldus kan Shinran zeggen: “Veroorzaakt worden zo te zijn, dat betekent dat zonder enige berekening van de discipel in om het even welke zin, al diens verleden, huidig en toekomstig slecht karma wordt omgezet in het hoogste goed. Omgezet worden betekent dat slecht karma, zonder teniet gedaan te worden, zonder uitgeroeid te worden, wordt veranderd in het hoogste goed (1), net zoals al het water van alle rivieren zodra het in de oceaan terecht komt, oceaanwater wordt. Vermits er geen berekening is om dergelijke deugdzaamheid te verwezenlijken, wordt dit jinen genoemd.”

De verandering die op deze wijze plaats grijpt, gebeurt (of kan gebeuren) meermaals gedurende het leven. Onvermijdelijk en noodzakelijk culmineert die reeks van veranderingen in het verwezenlijken van het Boeddhaschap. De mens van nembutsu, die eigenlijk niet bij machte is resultaten te behalen aan de hand van religieuze praktijken, zal desondanks de volkomen vrijheid verwezenlijken door de inwerking van de Kracht van de Voortijdelijke Gelofte. En uiteindelijk bereikt men het Boeddhaschap, “gemaakt om uit zichzelf te worden”.

Ofschoon we tot nog toe een zekere nadruk gelegd hebben op het duale karakter van wijsheid en mededogen als centraal in geheel de boeddhistische traditie, toch moet beklemtoond worden dat dergelijk onderscheid enkel ‘gemaakt’ is vanuit menselijke, d.i. dichotomische denkvormen. Een dergelijke onderverdeling bestaat niet op het niveau van het transcendente Boeddhaschap. Dat is de reden waarom Shinran eveneens de vormloze, hoogste Boeddha beschrijft als jinen:

“‘Jinen’ betekent dat vanaf het begin van de beginloze tijd men gemaakt is om zo te worden… Deze Gelofte is de Gelofte ons allen het verheven Boeddhaschap te doen verwezenlijken. De verheven Boeddha is vormloos, en juist doordat hij vormloos is, wordt hij ‘jinen’ genoemd.”

Maar, vanuit Shinrans standpunt, ontwaken de dwaze wezens die we zijn tot het vormloze Boeddhaschap enkel en alleen dank zij Amida, de Boeddha die voor ons verschijnt in de vorm van de Naam, Namu-Amida-Butsu.

Het Ware Vertrouwen

De vereniging van een dwaas wezen (ki) en de Ander-Kracht (ho), in vaktaal gekend als ittai, wordt verwezenlijkt in het ware vertrouwen. Dat dit ware vertrouwen niet gevestigd is op een dichotomische verhouding, werd hiervóór reeds belicht, maar de innerlijke dynamiek eigen aan het vertrouwen, zoals gesuggereerd in de veranderingskracht van jinen, dààrop dienen we wat dieper in te gaan.

De Volkomen Verlichting houdt in dat de hoogste wijsheid en het grenzeloze mededogen zich inhouden met wat het laagste is, dit affirmeren en optrekken tot precies dezelfde Verlichting. Datgene wat het laagste verwerpt, dwaas, slecht of zondig noemt, kan immers niet het hoogste, de ware barmhartigheid zijn. Dat is de reden waarom in de basisstructuur van het Mahayana-boeddhisme, de Verlichting ook de begoocheling omvat, ofschoon de Verlichting niet aan begoocheling onderhevig is, en de begoocheling ook een noodzakelijk component van de Verlichting is, ofschoon het niet over de kracht van de Verlichting beschikt. Deze relatie wordt door Shinran als volgt uitgedrukt:

“De belemmering van het boze wordt de substantie van het heilzame,
zoals in het geval van ijs en water.
Hoe meer ijs, des te meer water;
hoe meer belemmering, hoe groter het heilzame.

Eenmaal het majestatische en expansieve vertrouwen verwezenlijkt
door de werkzaamheid van het Hinderloze Licht,
smelt onvermijdelijk het ijs van de blinde driften
om onmiddellijk het water der Verlichting te worden.”

Cruciaal is ook hier, net zoals bij de uitwerking van jinen, dat kwade belemmering of blinde driften, “zonder teniet gedaan te worden, zonder uitgeroeid te worden, wordt veranderd in het hoogste goed”. Aangezien zo’n transformatie ons rationeel begrijpen overtreft, wordt het vaak omschreven als onvoorstelbaar en onverwoordbaar, maar juist dit is het hart van de religieuze ervaring in het Shinboeddhisme.

Pottenbakker Hamada, waarover we het zo juist al hadden, zei ook eens: “Ik zou liever een uitstekende pot bakken uit slechte klei, dan slechte potten maken met uitstekende klei.” Voortgaande op deze metafoor, zouden we kunnen zeggen dat Amida’s Voortijdelijke Gelofte “een uitstekende pot uit slechte klei” vervaardigt via het proces van jinen, dan wanneer sommige andere religieuze stromingen met hoge intellectualiteit en ethische overtuigingskracht niets anders zouden doen dan “slechte potten maken uit uitstekende klei”.

Dat de slechte klei omgezet wordt in een uitstekende pot door de werkzaamheid van het ware mededogen, brengt met zich mee dat elkeen in feite tot de ervaring van zijn eigen “slechte klei-heid” moet komen, niet enkel in denken, maar ook in de dagdagelijkse realiteit. Dat is het verschil tussen wijsbegeerte als cerebrale activiteit en spiritualiteit die de gehele persoonlijkheid omvat, een verschil dat door Shinran getekend wordt als de “dwarse sprong” (ocho).

Nochtans moet hierbij aangestipt worden dat het ware vertrouwen niet alleen een existentiële handeling is, maar ook een wetens-inhoud (2) heeft. Dat is de persoon die volgens het Shinboeddhisme tot ontwaken komt, hem “wordt verleend Amida’s ware wijsheid”, en dat is dan ook de reden dat, terwijl men een dwaas wezen blijft, men toch in staat is een zekere wijsheid van buitengewoon gezond verstand te ontwikkelen. Zulk een verkregen, niet verworven wijsheid vindt men terug in volgend gedicht van een bekend lekeleraar, Eikichi lkeyama:

“Het reine ik, dat niet ik is,
in mij zijnde,
openbaart mij
dit bezoedelde ik.”

Het besef van een bezoedeld ik (ki) mogelijk gemaakt door de werkzaamheid van het Reine Ik (ho) is een diepgaande kennis van zichzelf, welke geen enkele psychologische analyse, die beperkt blijft door haar dichotomische denkvorm, ooit kan bereiken. Zelf-kennis in deze radicale betekenis vormt de kern van ware wijsheid, die op haar beurt tot verwerkelijking gebracht werd in het ware vertrouwen. Het is de kennis van een karmisch-geketend zelf, dat verlicht en opengebroken wordt door het ware mededogen.

(wordt voortgezet)

(1) Eraan denken dat boeddhistisch het ‘hoogste goed’ niets anders is dan nirvana.

(2) “noetic content” (Unno).

Ekō 46

Jodo Shinshu Begrijpen

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home