Editoriaal - Over Boeken, Kami’s En Shinjin

U kent allen wel die tekst uit het Oude Testament, in het boek Prediker, dat “wie zijn kennis vermeerdert, vermeerdert zijn smart.”

Ik zou zoiets in de Leer van de Boeddha nooit zo affirmerend durven stellen. Kennis, inderdaad intellectuele kennis, wordt er gezien als een noodzaak, zij het ook op een aan elk persoon aangepast niveau. Immers: men dient primair te weten wat het lijden is, de oorsprong van het lijden, de opheffing van het lijden en de weg die voert naar die opheffing van het lijden. Dàt is inderdaad  de weg die men moet begaan, - men dient hem te kennen, te erkennen en te herkennen. Zeker wij, westerlingen, met onze stuntelige pogingen alles te rationaliseren, alles in discursieve, conceptuele schema’s te gieten, wij voelen zo sterk de behoefte om die Michelinkaart van de Verlichting te kennen.

Maar we mogen die Michelinkaart niet verwarren met het landschap waar we doorheen moeten trekken. We mogen het ‘middel’ niet verwarren met het ‘doel’, zoals we maar al te vaak doen. We moeten zelfs, op een zeker ogenblik, ook het ‘middel’ loslaten, en daarbij ook de door ons soms zo moeilijk verworven kennis erkennen voor wat ze is: een betrekkelijkheid, een relatieve uitspraak over duizend-en-één relatieve dingen. En we moeten overheen elke accumulatie van termen en teksten en commentaren en namen, het onzegbare, ondenkbare, onvoorstelbare boeddhaschap ervaren in zijn vervullende uitstraling van wijsheid/mededogen.

Wijsheid, prajña, is geen discursieve kennis die we uit boeken of preken puren. Mededogen, karuna, is geen emotionele constructie van het gemoed.

De Leer beleven, dat is niet de opsomming kennen van de zeven of acht vormen van bewustzijn, noch de 24 mogelijkheden van pratitya, noch het uitrafelen van de verschillen in denkstructuur tussen Nagarjuna en Dinnaga. De Leer van de Boeddha beleven, dat is zich kunnen koesteren in Amida’s Licht, in de innerlijkheid van de Nembutsu, nadat men ontdekt heeft - vaak met heel wat pijn - dat men ondanks al zijn diploma’s, zijn bibliografieën, zijn politieke of religieuze eretekens, precies die bombu is, precies dit onwetende, wispelturige, dwaze persoontje dat door de Gelofte-Kracht wordt omvat en nooit meer losgelaten.

Hier verdwijnen dan ook wetenschap en filosofie. Hier wordt alle eruditie overbodig, alle logische structuren zinloos. “Word ongeletterd,” zei Honen.

En Shinran echoode dit in Tannisho: “… in Nara en op de berg Hiei, daar wonen talrijke eerbiedwaardige geleerden… Wat mij Shinran betreft, ik heb u niets uitzonderlijks mede te delen.” Of in Mattosho, die “Lamp voor Latere Tijden”, waar hij schrijft: ”Ondervraag hierover a.u.b. om het even welk geleerd persoon… ik ben er immers de man niet naar om deze zaken aan anderen te verduidelijken…”

Of men nu geleerd of ongeletterd is, enkel shinjin is belangrijk. Shinjin is Amida’s Ware en Werkelijke Gemoed. Shinjin houdt vrede en vreugde en natuurlijkheid en waarheid in. Is immers de mens van shinjin niet de beschermeling van alle boeddha’s, bodhisattva’s en kami’s? Deze bescherming is niet, zoals die van een verzekeringsmaatschappij, een ziekenkas of een overlevingspensioen, een beveiliging tegen de vele vormen van karmisch lijden. De bescherming van shinjin is niet ‘tegen’, maar ‘voor’. Ze is positief, niet negatief; ze is een inwendig landschap van kleuren en licht: hier en nu!

Allicht hebben na Shinran de Shinshu-’theologen’, zeker sedert Rennyo, al te zeer de nadruk gelegd op het gebeuren nà de dood (1). Allicht hebben ze, zij het ook meestal om historisch-politieke gronden, van oso-eko en genso-eko een dualiteit gemaakt, waarbij genso-eko als het ware verbannen werd na de fysieke dood die de Geboorte in het Reine Land is.

Bij Shinran vind ik hierover nergens een verwijzing. Integendeel. Voor Shinran is shinjin immers hier en nù de vestiging van de Geboorte; shinjin is voor hem het “dies-seits” aspect van de Geboorte. Dat is de belangrijkheid van shinjin: niet meer gebonden aan de kringloop van leven-en-dood, geniet de mens van shinjin, in zijn lijdensbestaan en zoals hij is, het perspectief van Sukhavati, het Rijk van Vreugde.

Wie diep genoeg in zichzelf kan kijken, ontwaart in zijn gemoed de Gelofte-Kracht van het Oneindige Mededogen.

En wie diep genoeg rondom zich kan kijken, ontdekt hier en nù de ontelbare wezens die net zoals hij, in de drie tijden van de beginloze en eindeloze tijd en in de werelden ontelbaar als de zandkorrels van de Ganges, mede diezelfde weg van licht bewandelen.

Ik weet niet of dit alles erg filosofisch of boeddhologisch of gewoonweg logisch kan genoemd worden. Maar dat zal mij geen zorg meer zijn.

Namu Amida Butsu

Shitoku

(1) In zekere zin heeft ook het christendom dat gedaan, tot voor héél kort…

Ekō 47

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home