De Naam Is Namu Amida Butsu (9)

Shitoku A. Peel

Voor de boeddhist, en meer specifiek voor de Shinboeddhist, betekent bevrijding niets anders dan de Verlichting zelf. Niet in de zin van een of ander persoonlijk geschenk noch in de vorm van een individuele zaligheid, maar in de zin van een ‘verlichte terugkeer’ naar de wereld van de talloze lijdensexistenties. Het religieuze doel van de Shinboeddhist is niet de vreugde van een goddelijk bestaan in een of andere soort van paradijs. Het is totale, onvoorwaardelijk deelneming aan de dynamiek van het boeddhaschap, om alle mede-wezens tot deze bevrijding te brengen

Waarlijk, Amida is geen ‘God de Vader’ van het boeddhisme, ook geen ‘Voorzienigheid’ zoals men die aantreft bij sommige 19de-eeuwse filosofen. En wanneer het soms gebeurt dat we inderdaad de neiging hebben Amida voor te stellen in de gedaante van een antropomorfe godheid, zoals dat gebeurt op de altaren en de hangrollen van onze Shin-tempels, dan beseffen we toch maar al te goed dat dit feitelijk enkel een upaya, een hoben is, een passend middel om het hoofd te bieden aan de niet-doeltreffendheid van ons menselijke denken.

Komt daarbij ook nog de behoefte als mens het “Andere” tot mens te vertalen, menselijke warmte te zoeken in Amida’s nabij-zijn. Amida als vriend (zenjishiki, kalyanamitra) te ervaren. “Voor mij alleen werd de Leer verkondigd” in een diepmenselijke dialoog tussen Amida en mezelf.

Het is uiteraard een filosofische simplificatie te zeggen dat Amida zoiets is als een ‘energie’, een ‘kosmische kracht’, die ‘spontaan, natuurlijk, vanzelfsprekend, noodzakend, noodzakelijk, werkzaam’ is. Of dat we het zo uitdrukken dat Amida ‘de som en de resultante is van alle heilzame krachten die in de natuur, in het universum werkzaam zijn’ dat ‘hij’ Verlichting is, het Grote Nirvana e.d.m. Al die omschrijvingen en bepalingen zijn “waar” en toch “onwaar”, ‘waar’ doordat ze werkelijk effectief in ons bestaan een betekenis hebben, ‘onwaar’ omdat ze alle stilvallen en oplossen op het grens-moment van het onvatbare, ondenkbare, onvoorstelbare. Geen enkele beschrijving, geen enkele definitie kan adequaat, ten volle, absoluut (als Sanskr. paramartha-satya) uitdrukking geven aan datgene dat in het diepste binnenste van ons gemoed werkzaam is. En dat wij ervaren als de Naam: Namu Amida Butsu.

Hier staat de ernstige boeddhist voor een zeer serieus probleem waarmee hij te kampen heeft, soms jarenlang. Het boeddhisme is niet zo simpel… Zo wordt ons gezegd dat het Reine-Landboeddhisme het ‘Gemakkelijke Pad’ vertegenwoordigt; maar deze wat pejoratieve term verwijst uiteindelijk slechts naar de praktijk. We ontmoeten die term voor het eerst bij Nagarjuna; en Nagarjuna is nu niet bepaald de gemakkelijkste filosoof…

Dat creëert de ambigue benadering die we kennen. Want Shinrans visie op het Reine-Landboeddhisme is tegelijkertijd heel eenvoudig in zijn emotionele of esthetische aspect, maar uiterst subtiel, gesublimeerd, op het raakvlak van de “hogere sferen” van de mystiek in zijn intellectuele, wijsgerige perspectieven.

Zelfs als concept is Amida Buddha zeer moeilijk te benaderen. In onze geest ontstaat dit begrip (als Amida-Buddha-heid) vanuit het onuitgesprokene, het krijgt gestalte maar dan verwaast het weer in het ongrijpbare. Zoals een bovendimensioneel ‘lichaam’ dat in onze gebruikelijke 3- of 4-dimensionele bestaan optreedt en weer verdwijnt. Sommigen pogen deze Amida-Buddha-heid in te vangen in uiterst intellectuele speculaties. Maar ons intellect is en blijft deficiënt: onze woorden zijn en blijven steeds onvolledig en invalide. We zijn en blijven verkeerd. Dat is de onwetendheid, de misvatting, de fundamentele denkfout. Zelfs Shinran, met zijn lange ervaring, met zijn uitgebreid weten én zijn ongelooflijk diep be-grijpen, slaagt er niet in ons een duidelijk, afgelijnd, logisch, intellectueel beeld van Amida te bezorgen.

In de rauwe realiteit van het dagelijkse leven, wat is Amida? Als hij geen god is, geen ‘zijnde’, geen wezen, is hij dan slechts een droom - of een boeddha, of een vorm van energie, of enkel een constructie van onze geest, een illusie te meer,- of is hij absolute essentie of absolute substantie of wat? Of wat?

En hoe komt het dat de Myokonin altijd over Amida spreken alsof hij iets aan het doen is in hun huis, alsof hij hun rijstpotje aan het koken is, of aan de schoonmaak, of als de naaste buur met wie ze gaan vissen of een glas wijn drinken? Want de Myokonin voelt Amida als een persoon, heel dicht hij:

“Namu Amida Butsu
is altijd bij mij
en ik bij hem,”

zegt Saiichi Asahara, en ook:

“Altijd bezig: Namu Amida Butsu
altijd rekeningen aan het schrijven:
Namu Amida Butsu.”

Maar hier dient men zorgvuldig naar Saiichi’s woorden te luisteren: hij spreekt niet over Amida, maar hij heeft het over Namu Amida Butsu. Saiichi zegt niet dat Amida bij hem is - zoals een christen kan zeggen dat God bij of met hem is - maar hij zegt dat Naam Amida Butsu altijd bij hem is.

Immers, Amida Buddha, de Oneindigheid van het Boeddhaschap, is intellectueel bekeken inderdaad een heel ver personage. Maar in de ware en werkelijke religieuze ervaring, is hij heel, heel dichtbij. Maar de Naam zijnde, kan het boeddhaschap niet afgesneden worden van de lijdende, onwetende, begoochelde en zondige wezens die wij zijn - en dat we inderdaad gerealiseerd hebben dat we inderdaad zó zijn.

In dit perspectief is Amida het ware en werkelijke ‘positieve’ in onze existentie. Hij is immer voor ons, in ons de wereld van het licht, de aanwezigheid van de bevrijding, van het los-worden, die zich actualiseert in Namu Amida Butsu.

Daarom: laten we aannemen, toegeven dat als Amida Buddha hij ofwel ver weg is in een of ander Westelijk Paradijs ofwel gewoonweg in onze geest, maar als Namu Amida Butsu is hij de aanwezige aanwezigheid.

Sedert het beginloos begin van de tijdloze tijd (1) is Boeddha’s positieve aanwezigheid aanwezig in elk wezen. Ze welt op van op de bodem van ons gemoed, in die dieptes waar het “mijn” overvloeit in het “andere” dat zich uitstrekt tot ver buiten ons tijdruimtelijke denken.

Om die redenen spreken de Reine-Landmeesters over “Ander-Kracht” als zijnde de heilswerkzaamheid, die door haar absolute natuur onvoorwaardelijk werkzaam is in elk wezen, wat of hoe dat wezen ook moge zijn.

Uit die diepe bron die wij “Ander-Kracht” noemen, rijst Namu-Amida-Butsu op als het ‘één-gedachte-moment’, als een fluistering of als een kreet.

En zó opgekomen in de feitelijkheid van ons dagelijkse bestaan, straalt Namu Amida Butsu uit over elk aangenaam of onaangenaam moment.

In en met deze Namu Amida Butsu, die géén ritueel en géén mantra is, is de mens niet meer eenzaam of hopeloos. Want Amida sesshu-fusha omvat en laat nooit meer los. Hij is de ongeziene maar gehoorde helper in nood, de ware dharma-vriend.

Door deze ‘natuurlijke’ en toch ‘bovennatuurlijke’ Namu Amida Butsu, krijgt het dagelijkse leven een andere dimensie, een andere zin; want dit leven, dit lijdensbestaan wordt positief. De aanwezigheid van de bevrijding uit samsara wordt gerealiseerd op elk ogenblik van ‘s mensen positieve attitude. Overal de Boeddha zien, in alles en iedereen; op elk ogenblik binnen en buiten zich de Boeddha horen: dat is de betekenis van Namu Amida Butsu in het dagelijkse leven.

(1)       Zegt de moderne astrofysica niet dat de tijd inderdaad tijdloos is, onmeetbaar, onzegbaar, onvoorstelbaar, - dat wij niets kunnen uitspreken over de ‘tijd’ vóór de Big Bang, dat de tijd ‘gaten’ vertoont en in sommige gevallen zelfs niet schijnt te ‘kloppen’ met de onkreukbare tweede wet van de thermodynamica.

Ekō 47

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home