Lijden

Danielle Girardin

Duhkha - vertaald als ‘lijden’ - is een centraal concept in de Leer van de Boeddha, en het is haast onmogelijk om over de Leer te praten zonder de problematiek van het ‘lijden’ aan te raken. Met ‘lijden’ bedoelen we in het boeddhisme niet enkel de overduidelijke vormen van lichamelijk en mentaal lijden die we in het bestaan van andere wezens én in de eigen existentie kunnen waarnemen, maar ook vage gevoelens van onbevredigdheid, onrustigheid, het gevoel dat ons leven en de dingen niet helemaal zijn zoals ze zouden moeten zijn - of zouden kunnen zijn, met andere woorden het gevoel dat er iets scheef zit, dat er iets inadequaats schuilt in onze verbinding tot onszelf en tot de dingen rondom. De ervaringskern van de Leer - de Vier Edele Waarheden - werd dan ook geformuleerd in termen van lijden: we spreken over de realiteit van het Iijden, de oorsprong van het lijden, de mogelijkheid tot opheffing van het lijden en het pad dat voert naar deze opheffing van het lijden.

Nu, lijden kan dan nog inherent zijn aan alle bestaansvormen in alle tijden, maar de houding die de mensen ertegenover aannemen, verschilt van cultuur tot cultuur, en hiermee dienen we rekening te houden wanneer we de Leer beschikbaar stellen in de context van de moderne samenleving.

Ik begin hierover omdat ik de ervaring heb dat de houding van het boeddhisme tegenover het fenomeen van lijden nogal eens misverstaan wordt. Niet alleen wordt de Leer soms opgevat als een levensvreemd pessimisme op basis van de Eerste Edele Waarheid, maar ook de Derde Edele Waarheid wordt bevraagd: is de opheffing van het lijden wel wenselijk, vraagt men, schuilt er in de ervaring van het lijden niet juist een mogelijkheid om ons leven tot een diepere vervulling te brengen, en geven we dat niet op bij de opheffing van het lijden?

Het is inderdaad niet zonder meer evident wat een religie die vertrekt van de realiteit van het lijden en die het te boven komen ervan centraal stelt, kan betekenen in de context van onze moderne cultuur, waarin enerzijds het lijden ontkend en weggestopt wordt, en anderzijds het lijden haast verheerlijkt wordt als een vorm van heroďsme. Want de houding van onze cultuur op dit punt is inderdaad zeer ambigu. Enerzijds bemerken we in onze samenleving een sterke hedonistische tendens en een hierzijdse gerichtheid. Het aardse leven in al zijn aspecten wordt geďdealiseerd als een mogelijkheid tot vervulling, tot zelfontplooiing en tot vreugde. Deze illusie kan echter maar volgehouden worden door allerlei vormen van lijden, die ook tot ons hierzijdse bestaan behoren, weg te stoppen of uit te bannen. We zien fenomenen als dood, pijn, aftakeling, ziekte, armoede, wanhoop, zwakzinnigheid nog maar zelden in de context van het dagelijkse leven; ze zijn weggestopt in afgeschermde ruimten als ziekenhuizen, tehuizen voor bejaarden, voor armen, voor gehandicapten en dergelijke meer. Het psychologische lijden van mensen wordt enkel geduld in de kleine kring van familie of vrienden.

Het is alsof onze samenleving voelt dat een werkelijke confrontatie met het lijden disruptief zou werken voor het maatschappelijke leven, voor het hedonisme, de consumptiedrift en het reclame-geluk ervan.

Anderzijds treffen we in onze cultuur ook een houding van verheerlijking van het lijden aan. Lijden wordt dan voorgesteld als een gebeuren dat de mens verheft uit zijn afgevlakte dagelijksheid, als een ervaring die hem opnieuw in contact brengt met het leven zelf, met de directheid, de helderheid, de scheppende kracht ervan, als een grenssituatie die hem als individu doet uitsteken boven de samenleving met haar wetten en regels en normen, als een transformatieproces dat hem tot een beter, tot een gelouterd mens maakt.

Het is waarschijnlijk dit beeld dat mensen uit onze samenleving de vraag doet stellen of het wel wenselijk is het lijden op te heffen, en het is op dit punt dat tal van misverstanden kunnen oprijzen.

Ik denk dat, wanneer we deze vraagstelling vanuit de Leer bekijken, we mogen stellen dat een verheerlijking van het lijden even ideologisch en even inadequaat is als een ontkennen of een wegstoppen ervan. Een dergelijke verheerlijking is waarschijnlijk, gedeeltelijk een christelijke erfenis in onze seculiere samenleving, gedeeltelijk ook behoort ze misschien tot ons mens-zijn zelf om ons te laten fascineren door het lijden. Aan de andere kant kunnen we moeilijk ontkennen dat ervaringen van lijden vaak aan de basis liggen van een diepere vervulling van het leven zelf. Vaak zien we dat grote werken in de kunst oprijzen uit extreme situaties van lijden.

Ik denk dat we in het boeddhisme deze problematiek dienen te beschouwen vanuit de kernnoties van ‘zelf’ en ‘zelfloosheid’. Wanneer we spreken over het opheffen van het lijden, denk ik dat daarmee deze gevallen bedoeld zijn waarin een leven beperkt wordt doordat iemand leeft vanuit allerlei beelden, houdingen, vooroordelen, gevoelens e.d. die hem niet langer in staat stellen het leven zelf ten volle te ervaren en de mogelijkheden ervan te zien. Dergelijke vormen van het lijden worden meestal door de persoon zelf als negatief ervaren en de opheffing ervan wordt gewenst. Mensen kunnen ook lijden uit een vorm van zelfverheerlijking. Dergelijke gevallen worden in het boeddhisme echter beschouwd, denk ik, als vormen van inadequaat gedrag, en de opheffing van het lijden heeft hierop betrekking.

De voorstelling dat iemand móet lijden om iets groots te kunnen scheppen, dat iemand nóódzakelijk eerst doorheen de hel moet gaan om geluk en vervulling te vinden of om gelouterd of beter te worden is een beeld, een vooroordeel, maar geen feitelijke bewering.

Maar lijden kŕn ook oprijzen als een ongemedieerde ervaring, als een louter gewaar-zijn, zonder dat een ‘ik’ zich dit lijden toeeigent. En het is de directheid of ongemedieerdheid van dit gebeuren die een diepere vervulling brengt, die zich voltrekt als een mogelijkheid, niet als een beperking. Het is de onmiddellijkheid van deze ervaring die ons op een nieuwe wijze in contact brengt met de fenomenen van onze wereld. Maar over dit gebeuren kunnen we nog nauwelijks als lijden spreken; in die directe ervaring is er immers niet langer een ‘ik’ dat lijdt of zich vragen zou stellen over de wenselijkheid of de onwenselijkheid van de opheffing van het lijden. De angst om iets te verliezen bij de opheffing van het lijden is een angst die door ons ‘ik’ wordt ingegeven, en het is juist in het loslaten hiervan dat het leven in alle volheid ervan opnieuw opreist, en het is juist dit gebeuren dat we de Opheffing van het Lijden noemen.

Namu Amida Butsu

Ekō 47

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home