De Naam Is Namu Amida Butsu (10)

Shitoku A. Peel

De niet-Japanse Shinran

Jullie zouden groot gelijk hebben mij erop te wijzen dat ik absurditeiten ga vertellen wanneer ik zou beweren dat Shinran geen Japanner zou geweest zijn.

Natuurlijk was hij een Japanner. Telkens ik in Japan kom, ben ik blij zijn geboorteplaats Hino, iets ten ZO van Kyoto, in een landelijke omgeving, te gaan bezoeken. En hoe dikwijls ben ik niet in de Ohtani Hombyo geweest, tegen de Higashiyama-steilte waar de opweg naar de berg Hiei begint, en waar Shinrans asse rust, overigens niet te ver van de heel wat minder-druk bezochte plek waar hij in 1262 gecremeerd werd.

Ik heb dus niet de minste geldige historische, biografische reden om uit te pakken met de bevinding dat de stichter van de Jodo-Shinshu geen Japans burger zou geweest zijn. Maar ondanks deze haast materiële feitelijkheden, handhaaf ik mijn stoute bewering: naar mijn gevoelen, was Shinran een niet-Japanse Japanner.

Sta me toe deze bewering even te verduidelijken. Shinran werd in Japan geboren, uit een verarmde en misziene aristocratische familie (1) maar een echt-Japanse familie. Hij werd in de sangha opgenomen in Shoren-in, leefde en studeerde op de berg Hiei. Na 20 jaar kloosterdiscipline vluchtte hij weg uit de scholastische en/of mystieke atmosfeer van de Tendai-tempels om zijn toevlucht te zoeken bij Meester Honen die de nembutsu predikte. Toen de tijd van ballingschap kwam, moest hij gaan leven in de noordelijke provincies van Honshu, pas veroverd op de Ainu’s, te midden van boeren en vissers, soldaten en prostituees, belastingontduikers en outcasts van allerlei pluimage, aan wie hij de Tariki-Nembutsu verkondigde. Met het succes dat men zich kan voorstellen.. Overigens was het de eerste maal in de geschiedenis van het Japanse boeddhisme dat er een nauwer contact ontstond tussen de ongeletterde massa en de kern van de Leer.

Na jaren werd aan Shinran toegestaan terug naar de keizerlijke, administratieve, culturele en aristocratische hoofdstad Kyoto terug te keren, maar het duurde toch nog tot hij 60 was vooraleer hij daartoe kon overgaan: hij verkoos immers onder zijn boeren, zijn ambachtslui, zijn arme, dwaze eenvoudige mensen te vertoeven. Terug in Kyoto kon hij evenwel zijn tijd besteden aan studie, aan schrijven over de Leer van de Ander-Kracht. (2) Tot zijn laatste dagen.

En wat is daar dan zo niet-Japans aan?

Het is een eer voor Japan dat het Shinrans geboorteland is. Maar wanneer we Shinrans leven van dichterbij bekijken, en zeker wanneer we zijn inzicht in het Reine-Landboeddhisme onder de loep neen, dan zien we zoveel punten die ons bewijzen hoezeer zijn denken en voelen verder gingen dan de conventionele patronen van het Japanse gedrag èn van de Japanse cultuur.

Daarin verschilt hij immers ten gronde van de andere hervormers uit zijn tijd. Honen Shonin, hoezeer zijn interpretatie van het boeddhisme ook revolutionair was, volgde nauwgezet de normale gedragspatronen van zijn tijd. Wanneer Shinran zijn boeddhistische weg ontdekte en uitstippelde in het contact met de ongeletterde, eenvoudige, ‘dwaze’ mensen, trok zijn jongere tijdgenoot Dogen naar de Chinese kloosters en Ch’an-meesters. Nichiren, die andere grote figuur uit deze Kamakura-periode, revolutioneerde het boeddhisme door het een forse nationalistische duw te geven, profetisch op te treden en een spiritueel-politieke machtsvorm na te streven.

Niets van dat alles bij Shinran. Bij hem niet het minste spoor van enig Japans nationalisme noch van een aristocratisch streven naar zelfdiscipline in zazen, noch zelfs een poging binnen een of ander conventioneel patroon te blijven.

In zijn biografie ontdekken we immers bepaalde aspecten die niet strikt overeenstemmen met hetgeen wij courant beschouwen als typische Japanse normen.

Zo b.v. is nu wel iedereen vertrouwd met de manier waarop de meeste Japanners in het verleden zowel als heden ten dage, leven in een nauwgezet naleven en eerbiedigen van maatschappelijke relatievormen. Anders gezegd: een overgroot gedeelte van hun gedrag wordt bepaald door traditie en conventie. Maar als we naar Shinran kijken, dan ontdekken we dat hij nogal dikwijls in conflict kwam met de strakke regels van de ‘normale’ gedragingen. Enkele voorbeelden.

Zo is het helemaal niet netjes om na 20 jaar kloosterleven, zo een schitterende situatie de rug toe te keren. Dat is precies wat Shinran gedaan heeft. Na zovele jaren kon hij echt niet meer over de baan met de levenswijze die de discipline hem oplegde. En liever dan te ‘schipperen’, zoals zoveel kloosterlingen in oost en west dat gedaan hebben, verliet hij de comfortabele en prestigieuze beveiliging van Hiei-zan. En waarom deed hij dat? Om een of ander religieuze demagoog te volgen, die verkondigde dat het kloosterleven nutteloos was ter verlichting, dat de monniken te gehecht waren aan hun machtspositie, hun weelde en hun invloed op het keizerlijke hof,- maar dat het boeddhistische leven voor eenieder open stond, ook voor ongeletterden en zelfs voor misdadigers, omdat Amida Buddha er was om ze alle te bevrijden tegen enkele Nembutsu’s (3)!

In de ogen van de Tendai-hiërachie moet de handelswijze van Shinran beslist ergerlijk schandalig geweest zijn, gevaarlijk voor de morele orde van de natie… Stel u maar eens zoiets voor als een bisschop die opeens de kerk de rug toekeert om volgeling van de Moon-sekte of Bhagwan te worden.

En dat was voor Shinran dan nog maar een begin. Het bleef niet bij dit eerste schandaal. Hij trad immers in het huwelijk. Hij trad officieel in het huwelijk ondanks het feit dat hij eigenlijk een monnik was, en dus gehouden aan strikt celibaat. Nu goed: we moeten heus niet denken dat alle monniken uit Heian of Kamakura-tijdperk heiligen waren die hun gelofte van celibaat onberispelijk naleefden. Meer dan genoeg leidden ze vaak een schandalig leven met jonge vrouwen en/of jonge knapen, maar de uiterlijke schijn bleef gered; ze waren bedenkelijke monniken, maar toch monniken. Shinran daarentegen ging tot het uiterste van zijn opvattingen. Hij nam een vrouw tot echtgenote, plaatste zich zo meteen bewust en uit eigen beweging buiten de monnikendiscipline zeggend dat hij noch monnik noch leek was. En deze uitspraak is gebleven voor alle Shin-geestelijken.

U weet eveneens hoezeer de mensen in het Verre Oosten begaan zijn met hun begrafenis en de ceremonies eraan en omtrent. Zelfs in de hedendaagse Jodo-Shinshu is er een (m.i. al te) sterke begaanheid met de plaats waarop de asse decentelijk kan bewaard worden. Ik geef toe dat deze bekommernis meer dan eens onze Europese opvattingen stoort. Maar stel u toch een Japanner voor die absoluut niet bekommerd is over een decente begrafenis, maar die in overeenstemming met zijn religieus inzicht, stelt dat na de dood het lijk niets anders is dan een waardeloze massa beenderen, rottend vlees en ingewanden, net goed genoeg om ergens in een rivier te gooien om er de vissen mee te voeden. Voor de meerderheid van de Japanners is dit een afgrijselijke gedachte!

Nu is het zo dat men hierop gemakkelijk kan antwoorden dat het hier gaat om wat anekdotes en dat dit niet volstaat om Shinran ‘niet-Japans’ te heten. We kunnen in dit opzicht evenwel verwijzen naar zijn geschriften. Neem b.v. het 5de hoofdstuk uit Tannisho: “Ik heb zelfs niet éénmaal uit kinderlijke piëteit de nembutsu gezegd voor mijn overleden ouders.” Is dit, zeker in Confucianistische zin, niet een erge doodzonde tegen de sociale moraliteit en tegen het gevoel van dankbaarheid dat elk kind dient te gevoelen? De zorg voor de ouders, ook als deze overleden zijn, is immers een eerste verplichting. Maar Shinran vond ze zinloos. We kunnen ons voorstellen hoe deze uitspraak van de voorzeker ietwat ironische Shinran, in de geest van zijn tijdgenoten een gevoel van onrust en zelfs wrevel moet opgeroepen hebben. Het wonderlijke boek Tannisho staat overigens vol van dergelijke paradoxale uitspraken.

Ik durf veronderstellen dat deze enkele voorbeelden duidelijk maken dat Shinran niet altijd braafjes de hoofdlijnen van de conventionele denk- en gedragspatronen navolgde. Maar wanneer we ons wenden tot zijn interpretering van de boeddhistische leer, dan stellen we vast dat hij op dit niveau zich nog revolutionairder heeft opgesteld, door sommige van de vroegere interpreteringen binnenste buiten en onderste boven te keren. Ook in dit verband reveleert hij een terugkeer naar de oorspronkelijke ambiance van het boeddhisme.

(wordt voortgezet)

(1)       Zie hierover T. Takahatake: Young Man Shinran - A Reappraisal of Shinran’s Life, Waterloo, Ontario (Canada), 1987.

(2)       Men neemt aan dat Shinran de eerste redactie van Kyogyoshinsho zou afgewerkt hebben op 52-jarige leeftijd. Maar al zijn overige (bewaarde) werken zou hij geschreven hebben tussen zijn 76 en zijn 85 jaar!

(3)       Toch nog even herhalen dat ondanks zijn uittreden uit het kloosterbestaan, Honen zelf, zijn leven lang, de disciplineregels is blijven naleven, ook al stond hij zijn volgelingen toe ervan af te wijken.

Ekō 48

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home