Onderlinge Afhankelijkheid (1)

A. Wat betekent “realiteit” in het Boeddhisme?

De realiteit van het leven is onderlinge afhankelijkheid van alle wezens en dingen; dat begint bij het meest blijkbare en strekt zich uit tot het meest subtiele dat men zich kan voorstellen. Het eerste lid van het Edele Achtvoudige Pad, het Juiste Inzicht, en het laatste lid van de Zes Volkomenheden (paramita), de Wijsheid (prajña), bestaan erin deze feitelijkheid duidelijk in te zien door te realiseren dat:

1. wanneer we leven zonder rekening te houden met deze onderlinge afhankelijkheid van elke vorm van leven, wij on-vreugde ervaren; en wanneer we leven in het besef van deze onderlinge afhankelijkheid, ontstaat er vreugde;

2. veranderlijkheid en niet (substantieloosheid) zijn integrale aspecten van deze onderlinge afhankelijkheid; wanneer wij erin slagen in harmonie met deze aspecten te leven, dan verloopt het leven vlotter, met minder of geen essentiële problemen;

3. het doel van het boeddhisme is het Juiste Inzicht (of prajña} te verwerkelijken wat betreft de onderlinge afhankelijkheid, en de boeddhistische leringen zijn niets anders dan de wegwijzers en de mijlpalen op de weg naar deze verwerkelijking;

4. een positieve handeling in onderlinge afhankelijkheid is dana, vrijgevigheid en dit is, op louter menselijk niveau, de enige zinvolle handeling die een tijdloze waarde heeft.

Onderlinge afhankelijkheid als fundament van het boeddhisme is geanalyseerd en geduid geworden door Nagarjuna, de grootmeester van het Mahayana-boeddhisme, en wel als volgt:

1. Onderlinge afhankelijkheid, bekeken vanuit één gezichtspunt, is niets anders dan Leegheid (sunyata). ‘Leegheid’ heeft niets te maken met ‘niet- zijn’ of ‘nietsheid’; de term wijst veeleer op de logische uitwerking van de niet-zelfheid of ‘zelfloosheid’ (anatmya, anatta). ‘Leegheid’ betekent in de eerste plaats dat alle dingen zonder permanentie zijn, waardoor verandering, zowel in de zin van evolutie als vergankelijkheid èn vooruitgang, mogelijk wordt. Moesten de dingen en wezens immers het kenmerk van onveranderlijkheid hebben, dan zou het leven statisch en steriel zijn. Maar het is precies door deze Leegheid dat het leven dynamisch is: geboorte en creatie, dagelijks gebeuren, verwezenlijkingen van alle aard worden hierdoor mogelijk gemaakt. Maar anderzijds is het ook door deze veranderlijkheid (lees Leegheid) dat wij ouderdom, ziekte en dood ervaren, dat waardecriteria wisselen, dat persoonlijk of collectief geheugen weggewist worden. Leegheid ligt aan de basis van de onderlinge afhankelijkheid, vermits wanneer we stellen dat alle bestaan en alle bestaansvormen ‘leeg’ zijn van elk onveranderlijk kenmerk, dan is het (filosofisch) noodzakelijk dat alle wezens en dingen organisch aan elkaar gekoppeld zijn: dat ze enkel in hun wederzijdse relaties een bestaan (Existenz, Da-Sein) hebben. Wij slagen er niet in dit in te zien zolang we een scherp fundamenteel onderscheid blijven maken tussen ‘ikzelf’ en ‘anderen’. Het is door dergelijke afgrendelingen en hindernissen mentaal op te bouwen, dat we op deze verkeerde gronden de illusorische wereld van de ‘veelheid’ projecteren.

In de hedendaagse fysica worden de objecten die we waarnemen niet meer aangeduid als ‘volume’ of ‘gewicht’, maar als ‘massa’. Deze massa is niet meer een substantie in de zin van een ‘lichaam’, maar als een energiestroom waaraan wij de benamingen ‘papier, potlood, boek, huis, mens, bloem, enz.’ geven. Wanneer de tijd ertoe gekomen is, dan ondergaan die dingen veranderingen en dan zeggen wij: “het papier is opgebrand, het potlood is opgebruikt, het boek is verscheurd, het huis is opgebrand, de mens is dood, de bloem is verwelkt, enz.” Zo gezien is Leegheid dan ook niets anders dan een actieve energie, en de ‘massa’ die onze zintuiglijkheid ervaart, is niet verschillend van pratitya samutpada, het Ontstaan in Afhankelijkheid.

2. Vanuit een ander gezichtspunt is onderlinge afhankelijkheid dan ook niets anders dan dit Ontstaan in Afhankelijkheid. Het ontbreken van onveranderlijkheid opent de mogelijkheid van oneindig gevarieerde condities en omstandigheden waarin de dingen en gebeurtenissen van de wereld kunnen ontstaan. Aan deze samenloop van omstandigheden geven we de naam ‘geboorte, oorsprong, oorzaak, realisatie’. Het uiteenlopen van omstandigheden noemen we dan ‘dood, vernietiging, einde, mislukking’. Het Ontstaan in Afhankelijkheid komt eigenlijk neer op een ‘organisatie van omstandigheden’.

Bekeken vanuit het ‘Nagarjuniaanse’ standpunt van de absolute waarheid (paramartha-satya), is er noch geboorte noch dood, noch schepping noch vernietiging, noch ontstaan noch vergaan. Er is enkel het bijeenkomen en het uiteengaan van omstandigheden, natuurlijke beweging mogelijk dank zij de Leegheid. Men mag stellen dat, op basis van de Leegheid, de wereld als ervaring geschapen wordt door het Ontstaan in Afhankelijkheid, of, zo u wil, door de ‘organisatie van omstandigheden’. Op de wereld die aldus ontstaat, aan de dingen en gebeurtenissen die wij in de wereld vaststellen en die resulteren uit de steeds veranderende combinaties van omstandigheden, projecteren wij vanuit ons ik-denken subjectieve kleuringen en bovendien geven wij er namen aan, etiketten die niets anders zijn dan de concepten die wij ons vormen. Wij ondergaan dan ook duhkha vermits wij gehechtheden ontwikkelen voor die namen-concepten; wij hechten ons eraan alsof het inderdaad ware werkelijkheden waren, dan wanneer wij enkel te maken hebben met afschaduwingen. Zich los maken van deze gehechtheden betekent zich los maken van elke gehechtheid aan die namen-concepten, aan de begoochelingen die ze in ons gemoed optoveren. Waar het op aan komt, dat is te leven in het besef van de ware realiteit, zonder afgedreven te worden door schijnbare veranderingen die uiteindelijk blijken niets anders te zijn dan veranderingen, verschuivingen in ‘s mensen projecties.

Leegheid en Ontstaan in Afhankelijkheid vormen de fundamenten van het boeddhistische denken. Zij zijn de merktekens van de ware werkelijkheid, de realiteit, niet de realiteit in een ontologische oriëntatie, maar als essentiële bron van de realiteit-zoals-zij-is, wat de boeddhistische denkers de “zo-heid” (tathatā) noemen, zonder zelfs aan het concept ‘zo-heid’ noch zelfs aan ‘Leegheid’ een absolute kenbaarheid toe te schrijven.

In die zin schreef de Russische boeddholoog Stcherbatsky: “That the term Sunya is in Mahayana a synonym of dependent existence (pratitya-samutpada) and means not something void, but something ‘devoid’ of independent reality (svabhava-sunnya), with the implication that nothing short of the whole possess independent reality, and with the further implication that the whole forbids formulation by concept or speech (nisprapañca) since they can only bifurcate (vikalpa) reality and never directly seize it - this is attested by an overwhelming mass of evidence in all Mahayana literature.” (1)

(bewerkt naar ‘Dharma Pre-School Workbook’, BCA)

(1)       In The Conception of Buddhist Nirvana, Leningrad 1927, p. 43.

Ekō 48

Onderlinge Afhankelijkheid

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home