Sukhavati-vyuha - (Daikyo = Het Grote Reine-Landsutra) - II 31

Mensen in de wereld die zwak van deugd zijn, houden zich bezig met allerlei zaken die niet dringend zijn. Ten midden van verwerpelijke verdorvenheid en uiterste smarten, zwoegen ze moeizaam voor hun levensonderhoud. Of ze nu edel of corrupt zijn, arm of rijk, jong of oud, man of vrouw, alle mensen bekommeren zich om rijkdom en eigendommen. Er is geen verschil tussen rijk en arm, want hun zorgen zijn dezelfde. Ze grommelen in hun neerslachtigheid en verdriet, ze stapelen gedachten van angst op, of meegesleurd door hun innerlijke behoeftes, lopen ze kriskras in alle richtingen en vinden geen tijd voor een vredevolle rust.

Zo bijvoorbeeld als ze velden hebben, maken ze er zich zorgen over. Als ze huizen bezitten, maken ze er zich zorgen over. Ze maken zich zorgen over hun zes soorten huisdieren zoals koeien en paarden, over hun mannelijke en vrouwelijke dienaars, over geld, weelde, kledij, voedsel en alledaags gereedschap. In toenemend angstgevoel, zuchten ze onophoudelijk, terwijl gedachten van misnoegdheid ze kwellen en terroriseren. Wanneer een plots ongeluk hen overkomt, wanneer al hun bezittingen vernield worden door brand, meegesleept door een overstroming, geroofd door bandieten of in beslag genomen door tegenstrevers of schuldeisers, dan verteert hun bittere hopeloosheid ze en breekt voor altijd hun hart. Bitternis maakt zich van hun geest meester, houdt ze in voortdurende rampspoed, omknelt ze steeds vaster, versteent hun hart en gaat nooit meer weg.

Het kan gebeuren dat hun lichaam bij dergelijke rampen vernield wordt en hun leven verloren gaat. Dan moeten ze alles achterlaten, met niemand meer om hen te volgen. Zelfs adellijken en schatrijken lijden onder deze kommer. Met dergelijke angst en vrees, ondergaan zij deze rampspoed die hun koud zweet en koorts met voortdurende pijn bezorgt.

De armen en kansarmen zijn onophoudelijk nooddruftig. Wanneer ze bijvoorbeeld geen velden bezitten, zijn ze ongelukkig en begeren ernaar. Wanneer ze geen huizen bezitten, zijn ze ongelukkig en begeren ernaar. Wanneer ze geen enkel van de zes soorten huisdieren, zoals koeien en paarden, bezitten, noch mannelijke en vrouwelijke dienaars, noch geld of weelde of kledij of voedsel of alledaags gereedschap bezitten, dan zijn ze diep ongelukkig en begeren ernaar. Als ze slechts één van deze hebben, dan voelen ze het gemis van de andere. Als ze dit hebben, dan hebben ze dat niet, en daarom verlangen ze alles te bezitten. Evenwel, wanneer ze met enig geluk erin slagen dat allemaal te bezitten, dan zullen die dingen spoedig vernield of verloren zijn. Teneergeslagen en verdrietig zullen ze er dan naar streven dat allemaal opnieuw te bezitten, maar dat zal onmogelijk blijken. Daarover piekeren heeft geen nut. Vermoeid naar geest en lichaam, worden ze rusteloos in al hun gedoe, en angst volgt ze op de hielen. Dat zijn de beproevingen die ze moeten ondergaan, die hun koud zweet en koorts met voortdurende pijn bezorgen. Het kan zelfs gebeuren dat die zaken voorkomen op het einde van hun leven en vroege dood. Aangezien ze geen bijzondere goede daden verricht hebben, niet moreel geleefd hebben en geen deugdzame daden verricht hebben, dan zullen ze, als ze sterven, alleen heengaan en ver wegtrekken. Ofschoon er bestaansvormen zijn waarheen ze moeten gaan, weten ze niets af van de wetmatigheid van oorzaak betreffende de heilzame en onheilzame daden die hen naar dergelijke bestaansvormen stuurt.

De mensen in de wereld, ouders en kinderen, broeders en zusters, echtgenoten en alle andere familieleden en verwanten, zouden elkaar moeten eerbiedigen en beminnen, zich onthouden van haat en nijd. Zij zouden alles met anderen moeten delen, en niet begerig en schraapzuchtig zijn, steeds vriendelijke taal spreken, glimlachen en elkaar geen schade berokkenen.

Als het gebeurt dat iemand het met anderen oneens en boos wordt, hoe klein ook diens wrevel en vijandigheid mogen zijn in dit bestaan, ze zullen later blijven aangroeien tot het een ware massa van hostiliteiten wordt. Dat komt doordat, zelfs in het huidige bestaan, mensen zich bezig houden met het kwellen en schaden van anderen en ze toch niet zo heel spoedig zullen ophouden door hun wederzijdse vernietiging. Verderfelijke bitternis en laaiende razernij worden in hun gemoed gedrukt, laten onuitwisbare sporen in het bewustzijn achter, zodat de betrokkenen herboren zullen worden met de impuls op elkaar wraak te nemen.

Voorts: te midden van wereldse liefde en gehechtheid, wordt men alleen geboren, sterft men alleen; men komt alleen en men gaat alleen. Wanneer men heengaat, dan gaat men naar een smartelijke of aangename bestaansvorm. Men oogst de gevolgen en niemand kan andermans plaats innemen. Volgens hun verschillende heilzame en onheilzame daden, zijn de mensen bestemd voor een zalig of onzalig bereik. Onvermijdelijk ten gevolge van hun karma, vertrekken ze en gaan ze helemaal alleen naar deze bereiken. Zo ver uiteen zijnde, kunnen ze elkaar niet meer zien. Deze wetmatigheid van heilzaam en onheilzaam volgt ze vanzelfsprekend op de voet, en om het even waar ze geboren worden, zullen afstand en duisternis ze onophoudelijk van elkaar gescheiden houden. Vermits hun karmische paden uiteenlopen, is het onmogelijk te zeggen wanneer ze terug bijeen zullen geraken. Het is uiterst moeilijk elkaar weer te ontmoeten. Zullen ze elkaar ooit weer terugvinden?

Waarom toch laten ze al die wereldse zaken niet los, zo lang ze nog sterk en gezond zijn, om het goede te doen en naar bevrijding uit samsara te streven? Als ze dat doen, dan zullen ze bij machte zijn het oneindige leven te bereiken. Waarom zoeken ze het Pad niet op? Waarop wachten ze? Welke genoegens jagen ze nog na?

Mensen in de wereld geloven niet in goed doen en, door karmische verdiensten te verzamelen, noch in het beoefenen en vervullen van het Pad, noch geloven ze in wedergeboorte en de gevolgen van heilzame en onheilzame daden, zoals het verwerven van verdienste door vrijgevigheid. Doordat ze menen dat deze dingen niet bestaan, verwerpen ze beslist een dergelijk inzicht.

Voorts door zo te handelen, klampen ze zich nog meer vast aan hun eigen visies. Lerend van vroegere generaties, doen lateren toch hetzelfde. Doordat die onheilzame visies voortgezet worden, laten ouders ze over aan hun kinderen. Vermits ouders en grootouders vanaf het begin geen heilzame daden verrichtten, onwetend waren over het Pad, dwaasheden begingen met een duister gemoed, ongevoelig en harteloos waren, zo komt het dat hun nageslacht nu onmogelijk de waarheid van geboorte-en-dood en de karmische wetmatigheid kan kennen. Er is niemand om met zulke mensen over deze zaken te spreken. Ofschoon geluk en ongeluk, vreugde en ellende voortspruiten uit hun daden, toch is er niemand om een vraag te stellen naar hun oorzaak.

De werkelijkheid van geboorte is dusdanig dat het verdriet van heengaan wederzijds en opeenvolgentlijk door iedereen ervaren wordt. Vaders huilen over de dood van hun kinderen; kinderen wenen over de dood van hun ouders. Broeders, zusters, echtgenoten wenen over elkaars dood. De grondregel van veranderlijkheid is dat het onvoorspelbaar is of de dood zal optreden in volgorde van leeftijd ofwel in omgekeerde volgorde. Alle dingen gaan voorbij, niets blijft voor eeuwig. Zelfs wanneer er onderricht en aangespoord wordt, toch zijn er slechts weinigen die vertrouwen hebben. Daardoor komt het dat de stroom van geboorte-en-dood onophoudelijk voortduurt.

Ekō 49

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home