Mistevredenheid

Danielle Girardin

Wanneer we rondom ons kijken, merken we dat er ontzettend veel mistevredenheid is onder mensen. Trouwens, soms komt het voor dat ik ook mezelf betrap op reacties van mistevredenheid.

Mistevredenheid uit zich in klagen, zagen, chagrijnigheid, misnoegdheid, zich ergeren aan allerlei banaliteiten die men amper zou opmerken als men zich goed zou voelen.

Mistevredenheid dringt meestal niet naar voren als een afzonderlijk gevoel; zelden maakt het zich helder en expliciet; eerder is het een stemming die op de achtergrond aanwezig is, een storend geruis dat onze waarneming, onze relaties, onze responsen vergiftigt. Mistevredenheid kent niet de heftige drang eigen aan begeerte, noch de onstuimige gevoelsturbulentie die verwarring kenmerkt. Het is eerder een stemming die de kleur en de glans van de wereld en het leven wegneemt, en wat overblijft is een wereld waarin men zich gewoontegetrouw verder sleurt, zonder veel pijn en zonder veel vreugde, en met een radicaal gebrek aan rele betrokkenheid van welke aard dan ook.

Mistevredenheid is de stemming die leidt tot onttovering van de wereld en het leven, men verliest de smaak erin, de verwondering is eruit verdwenen. Mistevredenheid zouden we metafysisch kunnen beschrijven als mentale bloedarmoede.

Want natuurlijk ligt de oorzaak van deze stemming niet in de wereld zelf; het zijn de constructies die ons ik creren die het perspectief zetten van waaruit de onttovering van de wereld en het leven geschiedt, en het is hieruit dat de Leer ons kan bevrijden. We spreken steeds over de Leer als een voertuig dat leidt van het samsarische naar het nirvanische, maar het kan niet genoeg benadrukt worden dat er niet het minste (essentieel) verschil is tussen beide, dat de grenzen van samsara de grenzen van nirvana zijn, dat we hoe dan ook omvat zijn in de Ander-Kracht.

Maar natuurlijk kan men opmerken dat iemand die dat niet als dusdanig ervaart daar allemaal niets aan heeft. En ook dat is waar - beschrijvingen van uw feestmaal helpen niet de persoon die van honger crepeert: daartoe dient men voedsel aan te bieden. En zo ook is het, denk ik, wanneer we geconfronteerd worden met mistevredenheid, bij onszelf of bij anderen. Het heeft meestal weinig zin om een persoon die misnoegd is sublieme verwoordingen over het mededogen te vertellen. Dergelijke woorden zullen als holle frasen klinken.

Want het is in de handeling, niet in het woord dat het mogelijk wordt mistevredenheid te boven te komen, en de Leer kan ons voldoende vertrouwen schenken om te durven handelen.

Ik denk dat mistevredenheid een stemming is die schreeuwt om verandering, een doorbreken van gewoontepatronen die men zelf mettertijd heeft opgebouwd en die langzamerhand tot een gevangenis zijn geworden. Maar het is een gevangenis waarin de gevangene zelf die cipier is; de sleutel van de buitendeur is nooit verloren; men is alleen vergeten dt er een sleutel, een deur en een gevangenis is, omdat een vergeten is dat er een buitenkant bestaat.

Het komt erop aan de herinnering ervan opnieuw aan te bieden, aan zichzelf of aan anderen. Een mistevreden persoon dient opnieuw in contact gebracht te worden met de wereld daarbuiten, zelfs tegen zijn wil in. Mistevredenheid kan overwonnen worden door zich opnieuw in de stroom van het leven te werpen, desnoods met geweld en met het risico te verdrinken. Want leven betekent risicos te durven nemen, met de gevolgen ervan geconfronteerd te worden, zich doorheen moeilijkheden te slaan die hierbij oprijzen, en er steeds verder in meegesleurd te worden. Leven betekent zich over te durven geven aan de turbulenties van samsara, er steeds dieper in door te dringen.

En dan komt het moment waarop men plots merkt dat alle mistevredenheid vanzelf verdwenen is, dat de gehele leefconfiguratie veranderd is, dat de wereld opnieuw oplicht in de volheid van haar mogelijkheden. En dat is het punt waarop men beseft dat men eerst het leven moet veranderen, en dat een vervolgens niet anders kan dan het bezingen.

Overlaatst trachtte iemand me te overtuigen dat er tegenwoordig ook goede stripverhalen geschreven worden en ik heb me toen laten overhalen enkele boeken die ze me meegaf, te lezen.

En verhaal heeft nogal indruk op me gemaakt; het was slechts enkele paginas lang en het maakte deel uit van een bundel waarvan de afzonderlijke verhalen alle een absurd karakter hadden.

Het hoofdpersonage van dat verhaal is een kleine, lelijke en afstotelijke man die op de bodem van een zwembad leeft in een donkere nis in de zijwand van het bad. En elke dag kuist hij de bodem, dat is zijn enige bezigheid. En alles in zijn wereld is lelijk: zijn lichaam is lelijk, hij zit constant tussen de smerigheid, zijn gedachten zijn geestloos; hij leeft daar op zijn eentje op de bodem in een permanent halfduister. Maar er is n lichtpunt in zijn leven: elke dinsdagnamiddag komt er een vrouw zwemmen die de volmaaktheid zelve is. En elke dinsdagnamiddag vergeet hij even de lelijkheid van zijn bestaan en kan hij even tot vervoering komen in de aanschouwing van het enige schone en perfecte dat hij kent in zijn leven.

En wanneer zij weg is en hij opnieuw alleen achter blijft in het halfduister van zijn wereld, leeft hij toch in het vertrouwen en de hoop dat het spoedig weer dinsdag zal zijn. En zo gaat dat een tijd door, tot die fatale dinsdag dat hij tot actie overgaat. Boven hem zweeft opnieuw het lichaam van de vrouw, het enige licht, de enige perfectie in zijn wereld. En hij neemt een touw en zwemt naar haar toe, en overmeestert haar en sleurt ze naar de bodem, naar de wereld die hij kent.

En het laatste beeld van het verhaal toont het lichaam van de vrouw, vastgebonden op een stoel daar beneden in het halfduister, en reeds is het lichaam verkleurd en opgezwollen en in ontbinding; reeds ontsnappen gassen eruit, en de lelijke man zit ernaast in een verdoofde trance en zegt: Nu is het alle dagen dinsdag. Ik vond dit een luguber verhaal, niet omdat er een moord of een lijk in komt, maar omwille van het personage en omwille van zijn woorden: Nu is het alle dagen dinsdag.

Want het is zo duidelijk dat het voor hem nooit meer dinsdag kn worden, dat hij het enige schone en volmaakte in zijn wereld getransformeerd heeft tot een stinkende rottende massa die in niets meer gelijkt op wat het tevoren was; dat hij in een daad van begeerte het enige verhevene dat hij kende heeft gegrepen en tot iets van zichzelf gemaakt heeft en dat in deze daad al het verhevene eruit verdwenen is.

Toen ik dat verhaal las, kwam de gedachte bij me op dat wij allemaal vaak iets soortgelijks doen. Vaak gebeurt het dat we door onze bevlekkingen van begeerte en aversie iets grijpen dat ons bestaan beter, lichter had kunnen maken indien we het vrij hadden laten gebeuren. Maar vanuit onze ik-passies grijpen we het vast, transformeren het en creren we een universum van angst, van frustraties, van verdriet of van eenzaamheid.

We moeten het zelfs niet in zo dramatische termen stellen; hetzelfde proces doet zich immers voor in de heel gewone, dagelijkse dingen van het leven. In elk normaal menselijk leven doen er zich elke dag tal van mogelijkheden voor om het eigen bestaan en dat van de wezens rondom zich open te breken, het op te heffen tot een lichtere schoonheid, een grotere wijsheid, een diepere verzoening.

Veelal zien we deze mogelijkheden niet eens, maar soms zien we ze, en zien we ze zuiver, n moment, twee momenten - en dan reeds beginnen de ik-passies en de ik-berekeningen zich op te dringen, en doorheen de filter van onze ik-gebondenheid worden mogelijkheden tot beperkingen.

Want we bezitten allen een neiging om te handelen zoals de lelijke man in zijn halfduistere wereld. Op de bodem van elke ik-wereld schuilt er een gedrocht. Maar de Leer kan ons helpen ons hiervan meer bewust te maken, ons meer inzicht te laten verwerven in de werking en de effecten van onze ik-passies en berekeningen. We dienen alert te zijn voor de bevlekkingen in onszelf.

Want al zijn onze daden misschien minder dramatisch dan in het verhaal, we dienen waakzaam te blijven, opdat we niet het licht en de vervulling die de wereld ons biedt, zouden omvormen tot een donker feest waarbij alle deelnemers tot slachtoffers worden.

Uit de gezegdes van de Os

Ondermijn elke vanzelfsprekendheid
Tot de vanzelfsprekendheid niet-vanzelfsprekendheid wordt
en de niet-vanzelfsprekendheid vanzelfsprekend.
Aldus sprak ik zelf.

Ekō 49

jikōji - 慈光寺

2004

info-at-jikoji.com

          home