Overleven

Katrien Haemers

Onlangs raakte ik verwikkeld in een gesprek - met een ernstige mijnheer op leeftijd - dat, over het terrein van de godsdiensten heen, in het gebied van het hiernamaals belandde.

“Reďncarnatie als alternatief tegenover de afkeer om totaal in het niets te verdwijnen”: dŕt kon hij wel begrijpen. De mens wil blijven voortleven.

“Maar voor ons westerlingen… bleef het toch moeilijk…”

Mijn opwerping dat reďncarnatie als een voortdurende beweging in elk moment van het dagelijks leven kan gezien worden, vermocht hem niet gerust te stellen. “Men leeft voort in zijn kinderen, maar toch ook in zijn geestelijke kinderen, in de handelingen die men verricht, de invloed die men - bewust of onbewust - uitoefent…?” Het kon hem niet troosten.

Het ging hem niet om handelingen, zo zegde hij, het ging hem niet om de geestelijke inhoud van het leven, maar om “de existentie”. Het onderscheid tussen beide valt mij moeilijk: bčn ik iets anders dan wat ik doe of ervaar? Maar toch kan ik zijn bekommernis herkennen. Het ging hem om het overleven van de persoon, van het ik. Wie heeft nooit revolte of angst ervaren tegenover de idee “in het niets…” te verdwijnen?

Onwillekeurig kwam de term anatta in mijn geest. An-atta, niet-zelf, het allermoeilijkste in de Leer van de Boeddha. En plots zo eenvoudig duidelijk.

Waarom wil ik-als-persoon absoluut als ik blijven voortbestaan? Is het niet voldoende dat mijn handelingen, mijn invloed, mijn pogingen tot liefde blijven voortleven doorheen alle mensen die met mij in aanraking zijn gekomen? Wat ik ben, wat ik zal zijn, dat is toch wat ik gedaan heb? “Zijn is doen” het is vroeger al eens gezegd.

Het gesprek bleef de hele dag in mijn geest hangen, ook toen ik ‘s avonds de nieuwsberichten uit de wereld zag: honger in Soedan, volkerenmoord bij de Koerden…

Onwillekeurig kwam de vraag bij mij op: zouden die mensen, die zo dicht bij dood en ellende leven, óók zo bezeten zijn met de idee van “overleven-van-het-ik”?

Wij “westerlingen” in onze plusminus comfortabele situatie, allemaal wel plusminus geslaagd in een of andere functie, wij zien onszelf wčl in een atman vereeuwigd. Misschien werden wij nog nooit diep genoeg geschokt in onze zelfgenoegzaamheid om de absolute onbestendigheid van alles te ervaren tot op het bot. Wij hebben wel altijd nog een beetje vertrouwen in de toekomst over.

Maar op het ogenblik dat ik die massa’s mensen zag wier leven niets anders is dan vluchtigheid en breekbaarheid, onbestendigheid en vergankelijkheid, dan geeft de vraag naar het voortleven van mijn ik alleen een wrange smaak in de mond.

Wanneer ik dan - in mijn zelfgenoegzaamheid - kan zien en voelen dat ik even an-atta ben als dat uitgemergelde hoopje Soedanese mens, als die halfbevroren Koerdische vrouw, dan kan ik me toch nooit meer zo elitair en egocentrisch opstellen.

Dan rest alleen het besef dat ik een wezen zoals alle andere wezens ben.

Ekō 49

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home