Onderlinge Afhankelijkheid (2)

B. Verlichting

Het is niet gemakkelijk zomaar over “Verlichting” te spreken. We moeten immers in onszelf heel wat hindernissen overwinnen willen we iets zinvols op dit vlak uitbrengen. Een even moeilijk begrip is immers “zelfloosheid” of “niet-ik”, één van de steunpilaren waarop het boeddhistische denken rust. Maar psychologisch is het erg moeilijk dat “zelf-denken” van zich af te zetten. We houden aan ons “ik” en kunnen of willen er niet toe komen te aanvaarden dat “ik” enkel een illusie temeer is.

Feitelijk is het zó dat alle conventionele denkpatronen van ons westers denken, maar ook de z.g. “Abraham-religies”, met zo’n metafysisch “ik” werken, een “ik” vooropgezet als permanente eigene entiteit. Ook het hindoeïsme werkt met zijn atman-entiteit. Daartegenover stelt het boeddhisme (1) resoluut zijn vertrekpunt van niet-zelf. De idee van zelfloosheid berust trouwens op de ervaring van de Onderlinge Afhankelijkheid. Zelfloosheid betekent (pragmatisch) zich vrijmaken van het blinde ego-denken, van zelf-zuchtige begeertes en aversies, van ego-centrale dwaasheid; ook van elke vorm van zelf-genoegzaamheid die er onvermijdelijk op uitdraait dat de wezens - en allicht in het bijzonder de mensen - tegen elkaar opgezet worden.

Zelfloosheid betekent niet het verlies van elke persoonlijke identiteit of individualiteit. Op het niveau van de relatieve waarheid erkent het boeddhisme immers een psychologisch, veranderend, afhankelijk ‘zelf’, zo ‘n soort ‘ego’ zoals ook de moderne psychologie een existentieel ‘ego’ aanvaardt. Maar in plaats van een centrale entiteit (de “eeuwige ziel” van het christendom, het atman van het hindoeïsme), ‘werkt’ het boeddhisme met een composiete constructie van onophoudelijk veranderende lichamelijke en psychische factoren en impulsen, de nama-rupa (‘naam en vorm’) of pañcaskanda (‘de vijf aggregaten’: vorm, sensatie, cognitie, volitie en bewustzijn), die (1) onderling afhankelijk zijn, en (2) ook van hun verhouding tot het gebeuren rondom afhankelijk zijn.

Een ander begrip dat het begrijpen van de term “Verlichting” niet gemakkelijker maakt, is “Boeddha-natuur”. Het is de latente aanwezigheid in alle wezens van het boeddhaschap, de zogelijke bron van wijsheid-mededogen. En de Mahayana boeddhist heeft de overtuiging dat het deze bron is die alle wezens tot de verwezenlijking van het boeddhaschap brengt. De Boeddhanatuur (buddhata, Ch, fu-hsing, Jap. bussho) of “Boeddha-gemoed” (buddha-citta, Ch. fu-hsin, Jap. busshin) is de potentialiteit die elk wezen heeft zijn zelfloosheid te verwezenlijken. Vaak wordt de Boeddha-natuur gezien als het “ware zelf” van alle wezens, een ware zelf dat voor alle wezens identiek is. Het is met de bedoeling deze Boeddha-natuur tot realiteit (2) te brengen, dat de Leer gevolgd wordt. Op deze wijze komt men tot het “juiste inzicht”.

Dat biedt ons de mogelijkheid te zeggen dat de Verlichting niets anders is dan de Uiteindelijke Vervolmaking van het Juiste Inzicht. Hier wordt alles gezien, ervaren in zijn ware licht, dat van niet-zelfheid en Boeddha-natuur. Het is de totale beleving van de Onderlinge Afhankelijkheid.

Om te weten wat de verlichting is, moet men verlicht zijn. Er is in de boeddhistische literatuur een befaamde passage die zegt dat enkel een Boeddha een Boeddha kan kennen. Om de smaak van water te kennen, moet men het water drinken. Om kleuren te onderscheiden, mag een niet blind zijn. Om te weten wat liefde is, moet een liefde voelen.

Maar de mens legt zich niet neer bij het onvoorstelbare of het onzegbare. Hij zal steeds proberen die hem gesloten bereiken te omschrijven. En dat is natuurlijk ook gebeurd met de boeddhisten die wegen en middelen gezocht hebben om het onuitspreekbare van het boeddhaschap toch uit te spreken. Die pogingen zijn benaderingen, vaak zelfs limietbenaderingen, maar geven de “Ware Werkelijkheid” niet weer. Zo zegt men dat Verlichting betekent ‘te leven in Volkomenheid van Wijsheid’, en dat deze Wijsheid getransformeerd wordt in Mededogen voor de mede-wezens die de Wijsheid (nog) niet verwerkelijkt hebben. Dit Mededogen is absoluut zelfloos; dat betekent dat de betrokkenheid voor anderen niet langer gebaseerd is op ego-gerichte motiveringen zoals emotionaliteit of ‘reactie op…’, maar een spontaan en creatief betrokken zijn bij het welzijn van alle levensvormen.

(1)       In zekere zin trouwens ook het Chinese taoïsme.

(2)       hierover Eko 48. maart ‘91.

Het is (theoretisch) natuurlijk mogelijk in dit huidige bestaan de Verlichting te verwezenlijken, maar toch is het uiteraard geen toestand waarin iemand kan zeggen: “Ik heb verwezenlijkt” of “Ik ben verlicht”. Zolang die notie van “ik” aanwezig is, gebruikt wordt, is er geen verwezenlijking. Dergelijke pseudo-verlichting is iets doods, dood en ongeboren, want aan de noodzaak van zelfloosheid is hier niet voldaan.

Bovendien komt het me voor dat Verlichting geen ‘toestand’ van een of ander ‘ik’ kan zijn; maar wel een onophoudelijk proces, een tijdloos ontkiemen en openvouwen.

(bewerkt naar ‘Dharma Pre-School Workbook’, BCA)

Ekō 49

Onderlinge Afhankelijkheid

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home