Tweemaal Over Lijden (2) - Shitoku

Deze twee artikels zijn de neerslag van diverse gesprekken, soms in de auto, soms tussen pot en pint, over dit cruciale onderwerp dat onvermijdelijk elk van ons boeit en waarbij teveel vragen gesteld worden om in een mensenleven beantwoord te kunnen worden.

Ze handelen allebei in feite over de relatie tussen Lijden als Eerste Edele Waarheid en de ik-illusie van de Tweede Edele Waarheid.

 

Shitoku

Meer dan eens werd de aandacht al gevestigd op de moeilijkheid bepaalde ‘technische’ termen uit het oosters denken om te zetten naar onze westerse talen. Zo hebben we problemen met Sanskriet: sraddhā, citta, vijñana enz. of met Chinees: tap, Ii, jen, hsin enz. Vanuit de Japanse Jodo-Shinshu traditie zitten we met vertaalproblemen zoals shinjin of hongan.

Het ergst van al is het toch gesteld met een fundamenteel boeddhistisch begrip dat verweven is doorheen de Vier Edele Waarheden, en dat voor zovelen in het Westen de eerste struikelblok vormt tot enig begrijpen van de Leer van de Boeddha: het lijden.

Allicht is er geen andere boeddhistische technische term die aanleiding geeft tot zoveel misverstand of afwijzing. Wanneer in landen met een overwegend christelijke traditie aan ‘lijden’ gedacht wordt, dan ziet wee - in het beste (christelijk) geval - het lijden van Jezus aan het kruis, een lijden waardoor de zonden der wereld opgeheven worden, een lijden uit liefde, een verdienstelijk lijden dus. Voor de christen is zulk lijden de weg naar zaligheid en hemelse beloning. Enkel in sommige moderne theologieën wordt aan dit lijden een andere kleuring gegeven - maar theologieën blijven steeds een minderheidsverschijnsel… Zo blijft b.v. de idee van het martelaarschap in het Christendom een boeiende aanwezigheid. En zowat hetzelfde kan gezegd worden voor het Judaïsme en de lslam.

Wie zijn lijden minder ‘theologisch verheven”, maar in de alledaagsheid ervaart, zal de neiging vertonen zijn lijden te zien in een perspectief van straf voor begane zonden. Maar daarover later meer.

In de confrontatie met de lijdende Christus, ziet de christen zijn lijden. Elk christen moet in zijn lijden het lijden van Christus zien. Ontmoet die christen dan de boeddhistische Vier Edele Waarheden: het Lijden, de Oorsprong van het Lijden, de Opheffing van het Lijden en de Weg die voert naar de Opheffing van het Lijden, dan kan hij, vanuit zijn gewoontedenken, niet anders dan de semantische inhoud van zijn lijden over-projecteren naar het lijden zoals dat aangetroffen wordt in de boeddhistische leringen.

En daar begint meteen het dwaalspoor.

Men kan uiteraard heel wat linguïstische stenen werpen naar de vertalers die sedert nu wel twee eeuwen het Sanskriet duhkha (Pali duhkha) vertalen als ‘lijden’, ‘suffering’, ‘Leiden’, ‘souffrance’ - waarbij uiteraard en onvermijdelijk de christelijke connotatie bewust of onbewust meegeëvoceerd wordt.

Een blik op de etymologie levert ons evenwel een waardevolle aanduiding, van waaruit we in de mogelijkheid zijn het boeddhistische ‘lijden’ te situeren met een grotere nauwkeurigheid.

De stam kha wijst op een opening, een holte, en meer in het bijzonder (en dat reeds in de Rigveda) op de holte in de naaf waardoor de as van het wiel steekt. Het voorvoegsel duh wijst op iets pejoratiefs: kwaad, verkeerd, onbruikbaar, misvormd.

De samenstelling duhkha wijst dus in de eerste plaats op een ‘slecht functionerend [wiel]’ en bezit bijgevolg geen enkele ‘verdienstelijke’ of ‘vergoelijkende’ inhoud. Het ‘lijden’ is iets dat verkeerd zit. Duhkha is het ervaren dat het niet goed zit, dat we ontevreden zijn met de conditie waarin wij ons bevinden, dat we het gevoel hebben dat het niet goed gaat, dat het niet goed kan gaan. We zouden bijgevolg de term ‘lijden’ kunnen vervangen door ‘mis-tevredenheid’; net zoals we de term avidyā beter niet zouden vertalen door ‘on-weten’ waar door ‘mis-weten’. Vertalingen als ‘dis-contentment’ (T. Unno) of ‘unsatisfactoriness’ (Guenther) zouden dus al stukken preciezer zijn.

Duhkha is niets anders dan de vaststelling dat ‘het niet werkt zoals wij wel willen’ en dat ‘het in de wereld verkeerd zit’. Neemt men deze vorm van perspectief in acht, dan wordt de plaats van ‘lijden’ (‘het zit allemaal verkeerd’) in het boeddhisme meteen heel wat duidelijker, zowel in de formulering van de Vier Edele Waarheden als in de Pratitya Samutpada. Deze laatste kan dan scherper en adequater aangepakt worden vanuit de psychologische visie en beslist niet meer vanuit biologische of chronologische bekommeringen, waartoe een christianiserende beschouwing a.h.w. onherroepelijk moet leiden. De Pratitya Samutpada, als keten of als netwerk van oorzakelijkheden, wordt dan immers duidelijker belicht als een kringloop van conditionerende gemoedsevenementen, een kringloop die voert vanuit ‘mis-weten’ naar ‘mis-tevredenheid’ met geboorte, verval en dood. Ook de - in de literatuur soms verwaarloosde maar o zo belangrijke - stap van ‘mis-tevredenheid’ naar ‘mis-weten’ (waardoor de kringloop gesloten en herbegonnen wordt) duidt duhkha. Zo immers wordt begrijpelijker waarom de wijsheid prajñā (pra: ‘wel, vooruit, vervullend’; jñā: kennis, weten) als ‘wel-weten’ de tegenhanger van duhkha is.

Een volgende stap om het boeddhistische ‘lijden’ beter te situeren in de context van anattā (niet-zelf) en sūnyatā (leegheid), is de structurering van de duhkha-formuleringen a.h.w. in ‘close reading’ na te gaan.

Waar men wèl kan lezen:
”‘Onwetendheid’ is de oorzaak van begeren,
begeren is de oorzaak van ‘lijden’;”

daar mag men zeker geen interpretatie inlassen in de zin van:
”Mijn ‘onwetendheid’ is de oorzaak van mijn begeren,
mijn begeren is de oorzaak van mijn ‘lijden’.”

Dergelijk inlassen van het ik-concept is immers volkomen in strijd met de basisdoctrine die maakt dat boeddhisme boeddhisme is. Het ‘ik-doen’ (aham-kara) is niets anders dan een ‘ik-ben-begoocheling’ (asmi-māyā). Het is dus niet zo dat ikzelf de noodzakelijke oorzaak (hetu) van mijn lijden zou zijn. Anders gezegd: dat het de schuld van de Soedanese kinderen zelf is dat ze van honger moeten sterven.

Want zó klinkt dan de Leer van de Boeddha - en het is begrijpelijk dat weldenkende burgers en welmenende oekumenisten struikelen over dergelijk “iedereen is de schuld van zijn eigen lijden”, een interpretatie-vrijheid die beslist on-boeddhistisch is, maar die de boeddhisten al te licht - zij het ook op basis van een serie mis-vertalingen - in de schoenen wordt geschoven.

Daarbij is ook het gebruik van de term ‘schuld’ een duidelijke verwijzing naar de in het boeddhisme onbestaande term ‘zonde’. De koppeling ‘zonde-schuld-lijden’ situeert het probleem overduidelijk in een monotheïstische context.

‘Begeren’ is noch zonde noch schuld, maar oorsprong van lijden, het lijden. ‘Begeren’ is een conditie (pratitya) die voor (1) ‘lijden’ (mis-tevredenheid) dient aanwezig te zijn. Er is dan ook geen ‘straf’ voorzien voor een ‘schuld’, maar een ‘gevolg’. Men lette hier nauwkeurig op de ambiance die door het gebruik van termen opgeroepen wordt!

Ook de zo vaak gehoorde existentiële vraag: “Heb ik mijn lijden verdiend? is eigenlijk vergeefs en overbodig. De vorige zin mag weliswaar wreed, on-psychologisch klinken, kwetsend voor sommigen in sommige omstandigheden. Maar boeddhistisch bekeken is er geen enkele verdienste, noch positief noch negatief, gekoppeld aan ‘lijden’. Tenzij het exemplarische, revelerende en aansporende tot lering. De zo vaak geuite klacht gaat boeddhistisch niet op, vermits ook het ervaren ‘lijden’ zelf-loos is. In essentie bestaat het ‘lijden’ zelfs niet (zie Hart-sutra). Er is zeker geen ‘zelf’ dat lijdt. En het lijden van hetgeen ik ‘ik’ noem is niet noodzakelijkerwijze veroorzaakt door dat wat ik ‘ik’ noem.

‘Lijden’ is alleszins een composiet iets (samskāra) - of we die samen-stelling nu ervaren als persoon (nāma-rūpa, pañca-skandha) of als collectiviteit (b.v. de Holocaust, Ethiopië, de boat-people…) of zelfs in nog groter verband (de planeet of het zonnestelsel of de galaxie of heel het uitdijende oneindige maar begrensde heelal van de astrofysici…).

Het lijden, als algemeenheid, is veroorzaakt door ‘mis-weten’ ook als algemeenheid. ‘Lijden’, als ‘verkeerde ervaring’ is ook geen toeval, waar een karmisch, zoals bliksem en bliksemafleider, convergerende attractie op karmisch geladen polen: persoonlijk, collectief, universeel. En de Boeddha, in al zijn formuleringen, onderstreept het lijden als universeel (d.i. niet-zelf) verschijnsel.

In een joods-christelijke context zijn vragen als “Waarom lijd ik dan wanneer ik onschuldig ben?” of “Wat heb ik toch misdaan om zo te lijden?”, hetzij als straf voor verleden zonden of verdienste voor toekomstige zaligheid, inderdaad gegrond. Maar voor de boeddhist is het lijden geen bron van schuldgevoel of zelfverheerlijkende verwachting; maar wel de bewustwording van het feit dat het lijden (noem het desnoods onpersoonlijk) inherent is aan al wat bestaat, aan alle bestaansvormen in hun universele maar samsarische betrekkelijkheid.

Namu Amida Butsu

(1)       Opgelet: niet ‘vóór’!

Ekō 50

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home