De Naam Is Namu Amida Butsu (13)

Shitoku A. Peel

De Zaak Zenran (2)

U bemerkt wel waar ik naartoe wil in plaats van ons vertrouwen in Amida’s Gelofte-Kracht, die toch de natuurlijke werkzaamheid van het Boeddhaschap is, te versterken, introduceren we - oh zo voorzichtig, schier onbewust - onze eigen ideeën over spiritualiteit en het religieuze beleven. Want wij weten het immers beter. Wij weten het beslist beter dan de Boeddha. We hebben de leeftijd van onze tv-serie “Vader weet het best” immers lang achter ons liggen. Wij leven in een tijd van zelfvertrouwen en ego-assertiviteit. Amida is maar een ouwe baas die kalpa’s en kalpa’s geleden geleefd zou hebben. In zijn tijd… tja… Maar in de onze? Zelfs Shakyamuni zou geen snars begrijpen van het hedendaagse leven.

Want wij hebben, met onze computers en psychotherapeuten een veel kortere weg uitgedokterd, de weg van ons persoonlijk succes. Wij zijn allen aan de winnende hand. Wij doen het! Zie toch eens hoe goed wij het stellen, - met onze vrijetijdsbesteding, met de mooie (dure) wagen die we oppoetsen, met ons tweede verblijf in Florida. Durf niet te ontkennen dat de levensverwachting op één eeuw tijd (onze eeuw!) zo goed als verdubbeld is.

Wat zouden we dan nog willen luisteren naar de meesters van weleer, naar de ‘Oude Wijzen’, naar onze vader, grootvader of dies meer. Naar Shinran. Naar Shakyamuni. Naar de stem van Amida in ons. Misschien helpt dergelijke redenering ons te begrijpen hoe Shinran zich moet gevoeld hebben wanneer hij met kracht de beweringen en de aanspraken van zijn oudste zoon Zenran verwierp.

Neen, er is in de Nembutsu-leer geen ‘bijzondere’ doctrine, geen ‘middernacht-praktijk’. Er is enkel de Absolute, Grote Boeddha-Praktijk van de Ander-Kracht. Er is enkel de natuurlijkheid (jinen-hôni) van Wijsheid/Mededogen. Moest Shinran geaarzeld hebben de beweringen van Zenran openlijk tegen te spreken, dan zou hij automatisch de inbreng van de Ander-Kracht geloochend hebben. In deze situatie had de vader Shinran geen andere keuze. Maar die beslissing moet toch zeer dramatisch geweest zijn.

En toch…

Eenmaal dat we de vader/zoon-wrijving duidelijk gesteld en hopelijk verteerd hebben, blijft er toch in heel deze Zenran-zaak een prikkelend detail over.

Veronderstel een ogenblik dat wij toch een speciale relatie, een ‘middernachtelijk contact’ zouden ervaren, daar ergens tussen de Verlichting en het dwaze, onwetende wezen dat we zijn.

Ik kan me niet beletten te vermoeden dat er toch zoiets moet zijn. In de Naam Namu Amida Butsu schuilt er een wederzijds, subtiel maar tastbaar geheim dat het existentiële ‘ik’ moet verbinden aan de absolute, essentiële Amida Butsu. Maar deze band is onvoorstelbaar… en bijgevolg heel erg esoterisch…

Bij het lezen en herlezen van Tannisho treffen me telkens en telkens weer die vreemde woorden van Shinran, dat het uitsluitend voor hem en voor hem alleen was dat Amida de Voortijdelijke Gelofte uitgesproken heeft. Zo luidt de passage:

De Shônin had de gewoonte te zeggen: “Wanneer ik aandachtig nadenk over Amida’s Gelofte, die het resultaat is van vijf kalpa’s van meditatie, dan realiseer ik mij dat het allemaal voor mij, Shinran, alleen gebeurd is.”(1)

Dat is inderdaad het signaal van een zeer mysterieuze relatie. Het grootste mysterie is evenwel dat wanneer dit geldt voor Shinran, deze uitspraak ook geldt voor elk van ons. Inderdaad, elk van ons afzonderlijk leeft in een heel bijzondere relatie tot de Verlichting. Elk van ons is, zoals hij is, afzonderlijk, apart, geselecteerd geworden door het Oneindige Boeddhaschap. Elk van ons ervaart de roep van de Verlichting, van de Kracht van het Boeddhaschap als een individuele, zeer intieme greep van de Boeddha.

Want het is juist deze ‘individuele’ relatie die de dwaze, ‘zondige’ persoon aan de Verlichting bindt. Hier loopt de conventionele karmische wetmatigheid ten einde. Hier vervult zich de verzekering van de opheffing van het lijden (de Derde Edele Waarheid): het lijden dat wij ondergaan, maar ook het lijden dat wij veroorzaken. Vanaf dŕt moment van mysterieuze relatie, wordt alles een teken (“un signifiant”) van de Verlichting die alle wezens, buiten ruimte-en-tijd, omvat. Alles in het bestaan, dus ook de pijnen, de zorgen, de angsten, de tekortkomingen en begoochelingen worden dan ‘tooiselen’(2) van het Reine Land. Denken we hierbij aan de dichter Issa die stierf onder de sneeuw die zijn slecht gedekte hut deed instorten, en zijn allerlaatste gedicht geschreven in het stervensuur: “Ook de sneeuw op mijn ziekbed komt van het Reine Land!”.

Voor elk van ons, wordt het één-zijn met Amida in de Nembutsu nog mysterieuzer wanneer we beseffen dat elk van ons dergelijke begunstigde relatie heeft. Inderdaad elk van ons wordt ‘apart’ geselecteerd, elk van ons geniet ‘apart’ van deze elitaire behandeling. En daarom kan ook elk van ons Shinrans woorden tot de zijne maken dat het allemaal voor mij, voor mij alleen is dat Amida de Voortijdelijke Gelofte uitgesproken en gerealiseerd heeft.

Wij zijn immers, allen samengepakt in Namu, de samenhang van de veelvuldigheid (d.i. samsara), via de natuurlijkheid van de Gelofte, gekoppeld aan Amida Butsu, de eenheid van het Boeddhaschap (d.i. nirvana).

Wanneer we in deze zin de zaak bekijken, dan leeft elkeen van ons in een onuitspreekbare relatie met de Boeddha. Elk van ons heeft, in zijn geest, de neerslag van de activiteit van de Gelofte-Kracht. Voor elkeen van ons zal dan ook deze mysterieuze actie/reactie-relatie noodzakelijkerwijze verschillend zijn. Mijn leven is niet zoals het jouwe. Mijn bespiegelingen over het Reine Land zullen bijgevolg en noodzakelijk verschillend zijn van de jouwe.

We kunnen deze persoonlijke relaties met het Boeddhaschap geďllustreerd zien in het leven en de uitspraken van de Myokonin. Net zoals Shinran in het Tannisho-citaat hierboven, leven de Myokonin in een intieme relatie met Amida. Voor hen transformeert de vorm- en kleurloze onpersoonlijke Dharmakaya zich in een voel- en tastbare Oya-sama, de Boeddha als Moeder-Vader, als een concrete, bijna zintuiglijke aanwezigheid in hun dagelijks bestaan.

Maar wanneer wij, vanuit onze intellectuele exterioriteit en vanop het standpunt dat wij innemen, die bijzondere relatie bekijken, dan zijn we gewoonweg onbekwaam om er de aard van te begrijpen. Inderdaad: men dient binnen (en niet buiten) deze relatie te zijn om er iets van te begrijpen. Maar eenmaal dat je er binnen bent, dan bekommer je je niet meer over begrijpen of niet begrijpen…

Ons ‘ontvangen’ van de Naam, ons horen van de Nembutsu, ons spontaan vloeien als een boot op de rivier, naar shinjin toe, is een proces dat zich afspeelt langs de schaduwzijde van ons gemoed. Daarom blijft het meestal ook verborgen voor ons dagbewustzijn. Daar waar we de Naam ontmoeten, daar is zijn werkzaamheid voor ons een mysterie.

Voor elk van ons is zoiets een diep en confidentieel geheim dat we van Amida ontvingen doorheen de Ander-Kracht-Nembutsu-leer van Shinran Shonin. Maar alsjeblief: laten we het confidentieel houden. Een mysterie waarover je voortdurend praat, is geen mysterie meer, maar een windblaas. En laten we van onze eigen berekeningen alsjeblief geen nieuwe Zenran maken!

(1) Tannisho, Postscriptum. In uitgave De Simpele Weg, 19!9, p. 112.

(2) Sanskr. Vyűha.

Ekō 51
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home