Van Zo-heid Tot Dharmakara

Ondanks al onze grootdoenerij en grootsprakerigheid, beseffen we soms wel hoe beperkt we eigenlijk zijn. We kunnen maar zo ver zien, we horen maar binnen dàt klankspectrum, we leven maar zo lang, we kunnen niet op eigen vleugels vliegen noch als een vis onderwater leven. Onze zintuiglijke waarnemingen en ervaringen zijn beperkt. En zelfs in onze denkwereld zijn allerlei begrenzingen ingebouwd. Daardoor denken we normaliter volgens bepaalde patronen en gebruiken hiervoor gevestigde concepten en consensuele categorieën.

Zo maken we gebruik van ‘geboorte’ (= begin) en ‘dood’ (= einde), alhoewel er gezien sub speculo aeternitatis, d.i. vanuit een niet-persoonsgebonden standpunt, er noch geboorte noch dood bestaan. Het is enkel wanneer we beginnen te individualiseren, nl. door het ervarene op onszelf te betrekken, tot onszelf in relatie te brengen, dat we die begrippen als entiteiten van waarheid gaan zien.

Toch is het ons zo goed als onmogelijk te denken of te communiceren zonder gebruik te maken van dergelijke concepten. Wij hebben ze nodig b.v. om bepaalde wijzigingen in onze bestaanssituatie aan te duiden. Andere begrippen die we ook moeten hanteren, zijn ruimte (waar?) en tijd (wanneer?), willen we iets begrijpen van de wereld rondom ons en waarmee we onvermijdelijk in interactie zijn. Alhoewel we weten dat er in absolute zin noch ruimte noch tijd bestaan, zeker niet in de statische manier waarin wij ze opvatten.

Om dan met een begrip als Zo-heid in het reine te komen, is het eerst en vooral noodzakelijk dat begrip te benaderen in een conceptenconfiguratie als begin, einde, tijd en ruimte. Vanuit dergelijke relativistische optiek, komen we o.a. tot de vaststelling dat de term Zo-heid ingevoerd werd door Shakyamuni Buddha, die geboren is bij Lumbini en gestorven te Kusinagara. Dit invoeren van begin en einde geeft ons weliswaar een historische omkadering; maar ‘Zo-heid’ is noch geboren noch gestorven met de historische Boeddha. Dit is: de Zo-heid die hij in zijn leerverkondiging realiseerde, is niet begonnen en is niet geëindigd, zoals Gautama’s stoffelijke lichaam dat deed.

Toch is het mogelijk wat betreft Zo-heid een historische dimensie in te voeren, nl. dat Shakyamuni “begon” met de verkondiging ervan. En in deze zin - maar dan enkel in deze zin - kan aan de Zo-heid een “begin” aangemeten worden.

Maar de Zo-heid an sich, zoals die “voortleeft”, ervaren wij en benoemen wij als de Oneindige Boeddha Amida, of zo we het abstracter willen zien, het Oneindige Boeddhaschap. Want om Amida Buddha voor ons bevattelijker te maken, zullen wij “hem” beschrijven in functie van de concepten die we gewoon zijn te hanteren: begin - einde - tijd - ruimte etc. En, ofschoon wij hardnekkig vooropstellen dat Amida als Amitabha de onvoorstelbare Oneindigheid van de Ruimte voorstelt, en als Amitayus de onvoorstelbare Oneindigheid van de Tijd, toch blijven we, ondanks die oneindigheden, gebruik maken van de beperkende concepten (begin enz.) om een dimensioneel verhaal (noem het een mythe) te construeren, waarin we zeggen dat Amida Buddha in den beginne Dharmakara Bodhisattva was, die gedurende vijf lange kalpa’s mediteerde om ten slotte Amida Buddha te worden.

Het ‘onvoorstelbare absolute’ is in dit verhaal vertaald geworden naar voor ons begrijpelijkere begrippen eigen aan de menselijke ervaringsfaculteiten. Deze “Biografie” van de Boeddha, kleurrijk beschreven in Sukhavativyuha-sutra en in diens Chinese en Tibetaanse vertalingen, die begint met de tijd dat hij Dharmakara was, is niets anders dan voor ons en in onze denkvormen, de neerslag en de objectificatie van een ‘absolute realiteit’ die ons hier en nu ontgaat.

Het verhaal, de mythe, heeft plaats in een geheel ander tijdruimtelijk continuüm, in een andere tijd dan de onze (de temps sacré van M. Eliade?) en in een andere ruimte dan de onze, maar wordt uiteengezet vanuit een nuttigheidsprincipe (het geschikte middel, upâya kausalya), alsof het plaats vond in onze kringloop van geboorte-en-dood. Op deze wijze voelen wij ons dichter bij die ‘gebeurtenissen’ betrokken.

De “historie” van Dharmakara Bodhisattva moeten we dan ook niet benaderen in termen van historische feiten en ‘echt gebeurde’ gebeurtenissen. Die “historie” van Amida/Dharmakara, met het waar en wanneer hij geboren werd, kan dus niet verklaard worden als in enige tijd en ruimte gesitueerde evenementen, - want dat zou niets anders zijn dan een beknotting van een spiritueel gebeuren (geen gebeurtenis!) dat een onbegrensde universele draagwijdte heeft. We dienen dit verhaal (en alle dergelijke verhalen uit de boeddhistische ‘mythologie’) dan ook op te vatten als duider: de wijsvinger naar de maan, het kompas op de landkaart, aanwijzer van een hogere d.i. essentiële, niet-fenomenale werkelijkheid, die enkel in het perspectief van geestelijk totaal-vertrouwen als wijsheid/mededogen kan begrepen en beleefd worden,

Bovendien kunnen we dit verhaal, zoals overigens de meeste mythen van de mensheid, ook In exemplarische zin projecteren op elk van ons. Elk van ons in de rol van Dharmakara. Aanvankelijk (in den beginne) is elk van ons zo een koning, zo een zwerfmonnik, zo een bodhisattva net zoals Dharmakara; en uiteindelijk worden we allen één met de Uiteindelijke Verlichting: we worden van Dharmakara getransformeerd in Amida Buddha. Ook al hebben we daarvoor eerst alle Boeddha-werelden moeten doorlopen.

Ekō 51

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home