Vragen Staat Vrij

1. Is het voor mij te veel om te verwachten dat Amida Buddha in mijn dagdagelijkse leven een actieve rol zou spelen?

Amida speelt mee in alle dingen van ons leven. Hij is immers in elk van ons voortdurend aanwezig onder de vorm van ons verlangen naar Verlichting, welke vorm dit verlangen ook moge aannemen. Amida is immers de universele en mateloze kracht van Wijsheid en Mededogen en wij kunnen er niet aan ontkomen (zo wij dit wilden) evenmin als we kunnen ontkomen aan de werking van de zwaartekracht. Want Amida’s Voortijdelijke Gelofte behoort evengoed, zij het op een ander plan, een ander niveau, tot de natuurlijke wetmatigheden.

Anderzijds moeten wij er ons wél voor hoeden dat we Amida gaan gebruiken. Amida komt de vaat niet doen, geneest mijn rugpijn niet, betaalt mijn belastingen niet... En nog anderzijds: toch helpt Amida mij bij de vaat, toch helpt hij me bij mijn rugpijn, toch helpt hij me bij het betalen van mijn belastingen. Doordat, wanneer ik mijn gemoed op Amida Buddha richt, ik de dingen rondom me misschien meer en misschien beter kan zien in het licht van de Verlichting, dat ik daardoor iets van het ‘Vreugde-land’ kan inbrengen in het lijdensbestaan. Dat is de zin van de uitspraak van Shinran Shonin, waar hij spreekt over de ‘tien weldaden’ van het Gemoed van Vertrouwen shinjin (KGSS III, 65) en waarvan ik hier ter illustratie enkel het volgende vermeld:
5. het voordeel steeds beveiligd te worden door het Licht van Amida’s Gemoed,
7. het voordeel in zijn gemoed grote vreugde te koesteren,
8. het voordeel bewust te zijn van Amida’s weldadigheid en er dankbaar voor te zijn,
9. het voordeel altijd het Grote Mededogen te beoefenen.

 

2. Kan ik tot Amida Buddha bidden in de gebruikelijke betekenis des woords? En zo ja, hoe?

“Bidden” betekent ‘vragen om te ontvangen’, net zoals het Latijn orare of het Franse prier. Aangezien Amida Buddha geen ‘persoon’ is (zie hierboven vraag 1), valt er ook niets te ‘vragen aan...’ Het ‘schenken’ van de Gelofte-Kracht en het ‘ontvangen’ van shinjin zijn de twee polen van éénzelfde natuurlijkheid. We zien dan ook niet dat b.v. de Myokonin ergens iets vragen. Wel voeren ze bijwijlen een eenzijdige dialoog (vergeef me die paradox) met Amida.

In de plaats van het “bidden” tot een Schepper-Schenker-Rechter, kent het boeddhisme het ‘denken aan’ (Sanskr. anusmritî, Chin. nien) dat een hoofdbestanddeel is van elke meditatietechniek en dat in het Shinboeddhisme vervat ligt in de Naam als ‘denken aan de Boeddha’ (Sanskr. buddhânusmritî , Chin. Nien-fo, Jap. nen-butsu). De Nembutsu is immers noch een meditatieformule of mantra, noch een gebed, maar voor de Shinboeddhist, in de zin van de 18de Belofte, de weerklank van de stem van het Boeddhaschap én een kreet van dankbaarheid. De Nembutsu past bijgevolg in alle situaties van het leven, in angst en vreugde, als smeking en als vervloeking, in geluk en in ellende...

 

3. Zijn de (christelijke) woorden “Uw wil geschiede…” toepasselijk in mijn devotie tot Amida Buddha?

De ‘wil’ van Amida is niets anders dan de universele, buiten-tijd-en-ruimte Voortijdelijke Gelofte alle wezens, hoe ze ook zijn, tot Geboorte in het Reine Land (= nirvana, de Verlichting) te voeren. Of wij, dwaze en verwaande wezens, nu zeggen “dat uw wil geschiede” of “dat uw wil niet geschiede” heeft niet het minste belang. Ik zou zelfs zeggen dat het eens te meer een blijk van ego-assertiviteit zou zijn van hetzij te ‘vragen’ (optatief) hetzij te ‘bevelen’ (imperatief). Tenzij het de uitdrukking zou zijn van een zeer passief fatalisme, dat beslist niet in het boeddhisme past.

 

4. Hoe “word” ik een Shinboeddhist?

Dat weet ik helemaal niet! Ik vermoed dat er eerst ergens zoiets moet zijn als een ‘heilzaam karma’ (wat dit ook moge zijn…), dan een geleidelijk ‘opklimmen’ langs de 20ste Belofte (de meditatieve en niet-meditatieve praktijken) en eventueel de 19de Gelofte (de Nembutsu als zelf-kracht praktijk), - maar deze uitleg is zo schematisch... De (ware) Shinboeddhist is diegene die in zich, in de diepste diepten van zijn gemoed, de roep van het Oneindige Boeddhaschap hoort: de Nembutsu.

De ‘institutionele’ Shinboeddhist is iemand die op weg Is naar die Nembutsu, die eventueel ook contact heeft of zoekt met mede-pelgrims, via een tempel of gemeenschap. Hij kan aldaar de Drievoudige Toevlucht nemen, waardoor hij zich naar buiten bekent als boeddhist; hij kan ook de zogenaamde Lekenwijding (kikyo-shiki) ontvangen waardoor hij opgenomen wordt in de Gemeenschap van het Shinboeddhisme; hij kan dan (nog later) tokudo doen, waardoor hij geregistreerd wordt als ‘priester’ van de Jodo-Shinshu Hongwanji-ha (of kortweg de Honganji). Ik weet niet in hoeverre dat ‘institutionele’ écht van belang is. Maar dat het een noodzakelijke steun is, daar twijfel ik niet aan.

 

5. Hoe zou een boeddhistische definitie van “God” zijn?

Strikt gesproken, komt de term “God” in het boeddhisme niet voor, zeker niet in zijn joods-christelijke betekenis. Het is dan ook moeilijk, zoniet onmogelijk, voor deze term een adequate tegenhanger te vinden. Sommige boeddhistische auteurs, om een dialoog met christenen niet moeilijker te maken dan hij al is, willen de Zo-heid (tathatâ) gelijkstellen aan “God”. Wie tot de realisering komt dat-ie deel uitmaakt van de Zo-heid, wordt Zo-heid, d.w.z. hij wordt Boeddha. Christelijk omgezet zou dat zijn: hij wordt “God”. De term kan uitsluitend in deze beperkte zin aanvaard worden. Maar volgens de monotheïstische religies kan het schepsel niet God worden: daardoor is ook deze interpretatie onhoudbaar, hetzij voor de christen, hetzij voor de boeddhist.

Indien de term “God” echter verwijst naar de Schepper (of naar enig ander wezen in transcendentie) of naar een Rechter die over goed en kwaad beslist en oordeelt, en straft of beloont in dit leven of in het hiernamaals, zo een Godsbegrip is absoluut onaanvaardbaar in het boeddhisme.

Sommige filosofen blijken wel een zekere verwantschap met een Godsbegrip te vinden in het concept Dharmakâya, met het (pantheïstische) Godsbegrip zoals dat bij Spinoza voorkomt. Maar om alle misverstand te vermijden, doet men best de term “God” niet in enig boeddhistisch verband te gebruiken.

De zaak ligt wel anders met het begrip “goden”, zoals dat b.v. in het hindoeïsme voorkomt. Deze traditionele goden werden door het boeddhisme overgenomen als een van de categorie van wezens in samsara, de kringloop van geboorte-en-dood, net zoals de mens, getekend door lijden, veranderlijkheid, begeerte, haat en verdwazing. In dezelfde zin werden ook talrijke shintoïstische kami’s door sommige Japanse boeddhistische scholen overgenomen.

Ekō 51
Vragen En Antwoorden

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home