Editoriaal: Wetenschap

Men hoort en leest vaker en vaker hoezeer de ‘wetenschap’ sommige “Oosterse” leringen en in het bijzonder de leringen van het Mahayana-boeddhisme komt bevestigen. En elk rechtgeaard boeddhist verheugt zich hierover, denkend “Boeddha had tóch gelijk!”.

En ook ik voel zo een warme streling om het hart wanneer b.v. een F. Capra in zijn (al dan niet terecht) befaamd boek Tao of Physics meent Nagarjuna te moeten betrekken bij de behandeling van de recentste bevindingen van de microfysica, of wanneer een (bij ons minder gekende, maar zeer degelijke) David Bohm in zijn Quantum Theory and Beyond het beeld ophangt van een universum dat enkel uit bewustzijn bestaat - net zoals indertijd Asanga en Vasubandhu dat voorstelden.

Toch schuilt er in die boeddhisten-vreugde wel een addertje onder het gras.

Religie, spiritualiteit koppelen aan wetenschappelijke gegevens heeft in het verleden en zeker in ons Westen meestal geleid tot conflictsituaties, waaronder het geval Galilei allicht het meest bekende, maar beslist niet het enige is.

Wetenschap streeft naar een coherente verklaring van een ‘objectieve realiteit’ om op deze wijze de ‘natuurwetten’ te kennen en in algemeen geldende theorieën uit te drukken. De wetenschappelijke bevindingen kunnen misschien een zekere geldigheid verwerven binnen het terrein-object van proefneming, waarneming en onderzoek; maar wetenschappelijke, d. i. approximatief objectieve argumenten hanteren om het boeddhisme te bewijzen, dat kan enkel op drogredenen uitmonden. Immers wetenschap en boeddhisme zijn werkzaam op verschillende (weliswaar niet: afgescheiden) niveaus van het menselijk weten en van de menselijke behoeften. Het is dan ook een sofistentruukje om ‘logische premissen’ uit het ene stelsel zonder de minste vertaling naar een ander stelsel om te zetten. Ook hier kan het geval Galilei als typevoorbeeld gelden: daar werden immers theologische argumenten (de Bijbelse uitspraak “… en de zon stond stil en de maan bleef staan… de zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een vollen dag - Jozua 10, 13) ingezet tegen een wetenschappelijke vaststelling (“E pur’ se muove”).

Even gevaarlijk is het de waarheden van het boeddhisme te koppelen aan wetenschappelijke argumenten. Wie het boeddhisme wil bewezen zien, verwijs ik dan maar naar de woorden van de Boeddha zelf: Richt u niet naar hetgeen er gezegd wordt, niet naar een of andere overlevering, niet naar wat er algemeen beweerd wordt, niet naar wat er staat in heilige schrifturen, niet naar rationele bewijsvoeringen of logische deducties, niet naar wat op het eerste gezicht blijkbaar is, niet naar overeenstemming met uw eigen inzichten en berekeningen, niet naar een schijn van werkelijkheid. Denkt ook niet: “Deze asceet is onze leermeester: daarom moeten wij hem blindelings geloven!” Maar, Kalama’s, wanneer gij bij uzelf en door uzelf ervaart dat deze of gene dingen slecht of verwerpelijk zijn, dat ze ook door de wijzen worden afgekeurd, dat zodra men ze uitvoert of ook maar eraan begint, ze naar onheil en lijden voeren, dàn moet gij die zaken verwerpen! (Kalama-sutra, A III,65). Men kan geen mooier voorbeeld van kritische ingesteldheid aanhalen.

Daarbij bedenke men dat de Boeddha nooit of nergens ook maar de bedoeling heeft gehad een wetenschappelijk wereldbeeld uiteen te zetten of te verklaren, maar enkel en uitsluitend de Vier Edele Waarheden voor ogen hield en de realisering ervan empirisch, pragmatisch heeft aangepakt en doorgegeven: het Lijden, de Oorsprong van het Lijden, de Opheffing van het Lijden en het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden. Als dat nog niet genoeg is!

Een ander feit is dat de wetenschap zich (want dit is haar typisch terrein) bezighoudt met de wat?-vraag, d.i. met problemen van zijn en realiteit. Dat is grotendeels ook de problematiek eigen aan de westerse wijsbegeerte. Maar eenieder die wat vertrouwd is met de boeddhistische filosofie, weet dat deze wentelt rondom het probleem van het kennen (het boeddhisme is in de allereerste plaats epistemologisch) en rondom het probleem van het heil: nirvana, Verlichting, Reine Land... (het boeddhisme is uiteindelijk een heilsleer, dus soteriologisch). Fysica en zelfs metafysica zijn periferisch en vaak gewoonweg overgenomen uit Indische en/of Chinese tradities en theorieën.

Om nogmaals de historische Boeddha te citeren: De heilige levenswijze, Malunkyaputto, hangt niet af van de stelling dat de wereld eeuwig is; noch hangt de heilige levenswijze af van de stelling dat de wereld niet eeuwig is… dat de wereld begrensd is... dat de wereld niet begrensd is… dat geest en lichaam één zijn en hetzelfde zijn… dat de geest één is en het lichaam een ander ding,… dat de Volmaakte na de dood voortbestaat, dat de Volmaakte na de dood niet voortbestaat, dat de Volmaakte na da dood zowel voortbestaat als niet voortbestaat, dat de Volmaakte na de dood noch voortbestaat noch niet voortbestaat… er blijft immers het feit van geboorte, ouderdom, dood, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop - en het is de uitdoving daarvan in dit leven die ik onderricht… Daarom, Malunkyaputto, denk steeds aan hetgeen ik niet heb uiteengezet en aan hetgeen ik wél heb uiteengezet... En waarom heb ik dat niet uiteengezet? Omdat dit niet doeltreffend is, geen grond biedt voor de heilige levenswijze en niet leidt tot verzaking, tot begeerteloosheid, tot opheffing, tot rust en hoger weten, tot verlichting en nirvana. En wat, Malunkyaputto, heb ik dan wél uiteengezet? ‘Dit is het Lijden’ heb ik uiteengezet; ‘Dit is de Oorsprong van het Lijden’, ‘Dit is de Opheffing van het Lijden’, ‘Dit is het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden’, dàt heb ik uiteengezet. (Cula-Malunkyaputto-sutta, M 63).

Ondanks deze aanmaning heeft in het verleden meer dan één boeddhistisch auteur gepoogd een verband tussen de Leer en de verworvenheden van de ‘moderne wetenschap’ te leggen. Lezen we nu deze auteurs (veelal uit de 19de eeuw of de eerste helft van de 20ste), dan valt ons op hoe verouderd hun ‘wetenschappelijke aanpak’ wel is. De Dalai Lama heeft in zijn lezingen eveneens dit thema behandeld - maar het mag gezegd zijn dat zijn toch heldere uiteenzettingen de objectief-materialistisch ingestelde ‘wetenschapslui’ slechts weinig of niet tot het bedoelde anders-denken hebben geleid...

Overigens: de wetenschap - en het ‘wetenschappelijk’ wereldbeeld in het bijzonder - evolueert razendsnel en is opgebouwd als een mozaïek van elkaar bestrijdende theorieën en stellingen. Dat maakt dit ‘wereldbeeld’ tot een voorbeeld van voortdurende veranderlijkheid. De moderne wetenschap en zeker de theoretische fysica van het oneindig kleine (deeltjesfysica) en van het oneindig grote (astrofysica) bieden ons geen vaste grond meer. Eddington, Einstein, Bohr, Heisenberg, Schrödinger, Feynman, Hawking, Prigogine, Mandelbrot en de anderen hebben ons telkens een verschillend beeld van het universum opgehangen. En elk van die beelden wordt stukje per stukje weer weggeargumenteerd, net zoals voordien Ptolemaios, Tycho Brahé, Newton...

Maar ja: de ‘wetenschap’ beweegt zich in samsara, het rijk van de onwetendheid en is bijgevolg mee onderhevig aan anityâ, de veranderlijkheid van alle dingen. De wetenschap biedt ons geen houvast. Opgestapelde kennis is geen wijsheid. Houvast en wijsheid vinden we bij de Boeddha. En mededogen.

Namu Amida Butsu.

Shitoku

Ekō 52

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home