De Naam Is Namu Amida Butsu (14)

Shitoku A- Peel

Mappo (1)

De meeste godsdiensten hebben een eschatologische visie op de toekomst: de wereld eindigt op een glorieus en triomfantelijk evenement!

Dat is het “einde der dagen”, de komst van de Messias, de terugkeer van Jezus Christus om doden en levenden te oordelen, de uiteindelijke overwinning van het “ware geloof”, zo beeldenrijk en toch wat bombastisch beschreven o. a. in de Openbaring toegeschreven aan de apostel Johannes, maar reeds voorhanden in het boek Ezekhiël bij Daniël en de zovele Joodse (apocriefe) Apokalypsen.

Maar het boeddhisme heeft vanaf zijn eerste eeuwen daar een ander zicht op gehad. Door zijn besef van de veranderlijkheid der dingen kwam het tot een minder glorieus perspectief: want ook de Leerverkondiging zelf is aan deze veranderlijkheid onderhevig.

De boeddhisten blijken zo consequent in hun denken geweest te zijn dat ze eigenlijk nooit geaarzeld hebben de veranderlijkheid, anitya, dat kenmerk van al het bestaande, ook te koppelen aan de menselijke uitdrukkingsvorm van de Dharma. De Leer, zoals die door Boeddha Gautama geformuleerd werd in de geschiedenis, d.i. in een tijd/ruimte-systeem, is immers in hun ogen een wereldse, samsarische uitdrukking en daardoor onderhevig aan de drie kenmerken van al wat in deze lijdenswereld bestaat: lijden, veranderlijkheid en niet

Het is dus vanuit een boeddhistisch standpunt natuurlijk dat de Leer van de 8oeddha, als uitdrukking, een begin had met de Eerste Prediking te Varanasi. Maar dat wat een begin heeft, heeft onvermijdelijk een einde ergens in de geschiedenis en moet bijgevolg noodzakelijk uit de wereld weer verdwijnen.

Soms denkt men dat dit doctrinale perspectief eigen is aan het Mahayana-boeddhisme, maar de idee van een ondergang van de Leer kan men ook aantreffen lange tijd vooraleer het Mahayana tot een georganiseerd systeem was uitgegroeid. Dat de Dharma vroeg of laat moest verdwijnen lezen we b.v. duidelijk in de Pali kanon net als in de Sanskrietteksten van het Kleine Voertuig.

In de Pali kanon (Culla-vagga, x) wordt deze idee in het bijzonder gekoppeld aan het verhaal van de oprichting van de nonnenorde. U kent het verhaal: Boeddha’s pleegmoeder Mahaprajapati en zijn echtgenote Vasodhara dringen, samen met andere devote dames bij de Boeddha aan op de oprichting, naast de monnikenorden, van een Gemeenschap voor vrouwen, de latere nonnenorde, waarin ook vrouwen de mogelijkheid zouden hebben het “huisloze leven” te leiden. Zolang het menselijkerwijs mogelijk was, bleef de Boeddha weigeren op dit voorstel in te gaan. Maar zoals de Fransen zeggen: “Ce que femme veut, Dieu le veut,” en ten slotte gaf de Boeddha toe aan het aandringen van de dames. Hij moet evenwel niet bijzonder gelukkig geweest zijn met die beslissing. Dat blijkt ergens uit de toon van zijn opmerking aan Ananda, zijn vertrouweling (die overigens het initiatief van de kandidaat-nonnen gesteund had...): “Indien, Ananda, de vrouwen geen vergunning gekregen hadden cm het huiselijke leven te verlaten en in de huisloze toestand in te treden, ... dan, Ananda, zou de zuivere leer zich duizend jaar kunnen handhaven. Maar vermits, Ananda, de vrouwen nu wél die vergunning gekregen hebben, zal de Leer niet zo lang stand houden. De Uitnemende Leer zou zich nu slechts vijfhonderd jaar kunnen handhaven.”

In een post-Pali-tekst, de “Geschiedenis van Toekomstige Gebeurtenissen” (Anâgata-vamsa), die met werkelijk ‘Reine-Land’ accenten de carrière van de toekomstige Boeddha Maitreya (Metteya) beschrijft, wordt vermeld dat duizend jaar na Gautama’s ‘parinirvana’ elke mogelijkheid het nirvana te verwezenlijken zal verdwenen zijn.

Een andere, maar ditmaal befaamde Pali-tekst “De Vragen van Koning Menandros” (Milinda-Panha) (1) vermeldt dat de Edele Leer geleidelijk zal verdwijnen en wel in drie opeenvolgende stadia.

Hetzelfde thema wordt hernomen in de grotere Mahayana sutra’s, zoals het Lotus-sutra (2) of het Snijdende-Diamant-sutra (3), maar ook in talrijke minder gekende leerredenen komt dit thema aan bod (4). In de Jodo-Shinshu sfeer is het interessant dat een dergelijke uitspraak eveneens voorkomt in het Grote Sutra.

Het spreekt echter vanzelf dat deze gedachte van een onvermijdelijke decadentie en ondergang van de boeddhistische Leer een bijzondere kommer was voor de boeddhistische meesters en wijzen. Hoe meer de schrifturen nadruk legden op de drie stadia of periodes van deze ondergang, des te belangrijker werd het te weten te komen in welk stadium men zich bevond.

De eerste periode is die van de Ware Leer (saddharma, Chin. sheng-fa. Jap. shô-bô). Deze periode slaat terug op de vermelding in Culla-vagga en beloopt 500 jaar na Gautama’s parinirvana. Tijdens deze periode kan de Edele Leer met goed resultaat beoefend worden en kan bijgevolg nirvana verwezenlijkt worden.

Maar na dit halve millennium begint de tweede periode, die van de Schijnbare Leer (pratirûpadharma, Chin. hsieng-fa, Jap. zô-bô). De uiterlijkheden van de Dharma blijven behouden: discipline, symboliek, monniken, leerverkondiging, … maar een verwezenlijking van nirvana is zo goed als uitgesloten doordat men zich overgeeft aan intellectuele discussies en scholastische speculaties. De bronnen zijn het oneens over de duur van deze periode: sommige zeggen 500, andere 1 000 jaar.

De derde periode is die van de Vervallen Leer (pascidharma, Chin. mo-fa, Jap. mappô) en die duurt blijkbaar 10 000 jaar, tijdens dewelke elke vorm van doeltreffende praktijk verdwenen is en slechts de schijn van een boeddhistische heilsleer nog overblijft: gebouwen, boeken, elkaar bestrijdende hiërarchieën.

Deze derde periode wordt dan gevolgd door een tijdperk van onbepaalde duur, de periode van de Verdwenen Leer, tijdens dewelke elk spoor van de Dharma uitgewist is... totdat de werkzaamheid van het karma weer het verschijnen van een Boeddha mogelijk maakt (5).

Het is begrijpelijk dat dit probleem van de Vervallen Leer onder de boeddhisten heel wat kommer en zelfs paniek moet veroorzaakt hebben. De ‘’hamvraag was uiteindelijk op welk precies moment elk van die drie periodes zou beginnen. Een andere vraag was — en dit toont ons de bijzondere activiteit van de menselijke psyche — of er toch geen mogelijkheid zou bestaan aan dit sinister lot te ontkomen.

Heel wat Chinese geletterden hebben zich ingespannen hierin klaarheid te brengen. Door eerst een precieze datum uit te maken voor het heengaan van de historische Boeddha. Moest deze datum eenmaal vast komen te staan, dan werd het mogelijk begin en einde van de fatale tijdperken te situeren. Maar eensgezindheid bleek moeilijk te bereiken. Daar waar wij nu kunnen aanvaarden dat Gautama’s parinirvana kan geraamd worden ergens rondom -486 of -473(6), kwamen de Chinese berekeningen - om diverse redenen te complex om hier in enkele woorden weer te geven - op dateringen schommelend van -609 tot -1017! De fatale periode van de Vervallen Leer moest bijgevolg begonnen zijn ergens tussen 552 en 1100 van onze tijdrekening.

Maar hoe men die dateringen ook draaide of keerde, het feit bleef dat de boeddhistische leken en monniken van alle scholen ervan bewust waren dat zij de dreiging van mappô aan het ondergaan waren, dat hun streven naar Verlichting tevergeefs was. Hun discussies en geschriften tonen aan hoe donker zij hun geestelijk heden én toekomst moeten ingezien hebben.

Geconfronteerd met het onvermijdelijke perspectief van de nutteloosheid van hun meditatieve en niet-meditatieve religieuze praktijken, voelden de diverse boeddhistische stromingen zich verplicht heel wat conventionele standpunten te herzien en, waar enigszins mogelijk, vanuit dit mappô-besef nieuwe aspecten van de Boeddha-leer te ontwikkelen, die evenwel dienden te beantwoorden zowel aan de nieuwe omstandigheden als aan het kader van de specificiteiten van elke school.

Voor de Reine-Landstroming was het voornamelijk door Tao-ch’o (Jap. Dôshaku, 562-645) dat de mappô-idee geïntegreerd werd in de opbouw van de Leer. Het is waarschijnlijk dank zij de populariteit van het Lotus dat Tao-ch’o en met hem andere Dharma-meesters in China tot de bevinding kwamen dat “de Boeddha onophoudelijk nieuwe geschikte middelen en remedies creëert in functie van het verval der tijden.”

In dergelijke geestelijke atmosfeer wordt het bijgevolg verklaarbaar om welke redenen en zonder de gangbare inzichten te kwetsen, Tao-ch’o kon aantonen dat telkens de Leer in een periode van verval komt, dit te wijten is aan het feit dat de verkondigde Leer slechts een menselijke, d.i. relatieve lering is. Deze lering, zoals ze verkondigd is geworden door de historische Boeddha, is niet de absolute Leer (saddharma) welke voor het menselijke brein volkomen onvoorstelbaar en bijgevolg onverwoordbaar is, maar een tijdruimtelijke aanpassing ervan geconditioneerd door de menselijke receptiviteit van elk ogenblik.

Het Pad der Wijzen (shôdô-mon) is zulk een relatieve en bijgevolg vergankelijke leerverkondiging; het is immers gebaseerd op een menselijke inspanning, een “zelf-kracht” (jiriki), dan wanneer er geen permanent “zelf” is… Het heeft bijgevolg slechts een beperkte waarde en is gelimiteerd door de omstandigheden van het moment.

Maar, zegt Tao-ch’o, er is overheen deze leervorm op menselijke, voorlopige schaal, een Dharma die niet zijn oorsprong heeft in de menselijke geest, maar die rechtstreeks wortelt in en gemanifesteerd wordt door het absolute “Dharma-lichaam” (dharmakâyâ), een Dharma die weliswaar even onvoorstelbaar is als het Boeddhaschap dat hij manifesteert, maar dan ook een Dharma die niet langer gebruik maakt van menselijke wilsverschijnselen en denkprocessen.

De werkzaamheid van deze Dharma vindt haar oorsprong in de uiteindelijke natuurlijkheid, in de ware werkelijkheid die niets anders is dan de oneindige mededogende werkzaamheid van het Boeddhaschap, van de Verlichting zelf.

Aan deze natuurlijke (d.i. van de mens onafhankelijke) werkzaamheid, geeft Tao-ch’o de benaming “Pad van het Reine Land” (jôdo-mon). Volgens hem is het enkel het menselijke (want “de Wijzen” zijn mensen...) shôdô-mon dat onderhevig is aan de verworden van de Leer. En hieraan zullen geen menselijke praktijken zoals moraal, meditatie of ritueel, veel kunnen verhelpen. De Weg der Wijzen blijft immers voorbehouden voor de enkele “Wijzen”…, zo die er in de verworden tijden nog bestaan...

Het is op deze basis dat Tao-ch’o kon onderlijnen dat hoe meer de leringen van Shôdômon, d.w.z. de leringen gebaseerd op zelf-inspanning en zelf-kracht, door het verlopen der tijden in verval geraken, des te meer ruimte er gemaakt wordt voor de natuurlijke werkzaamheid van het Absolute Boeddhaschap, die Tao-ch’o de “Ander-Kracht” (tariki) noemde.

(wordt voortgezet)

(1)     Inhoudelijk behoort deze tekst, die ook in Chinese vertaling bestaat, meer tot één van de Mahasanghika-scholen dan tot de Theravada.

(2)     Saddharmapundarika-sutra, Jap. Hokke-kyô.

(3)     Vajracchedika-prajñapâramitâ-sûtra, Jap. Kongo-kyô.

(4)     o.a. In “De Vragen van Rastrapala” (Râstapâla-pariprcchâ-sûtra, T. 310, 321), “De Lotus van het Mededogen” (Karunâpundarika-sûtra, T. 157) enz.
Zie hierover ook E. Lamotte, “Prophéties relatives à la disparition de la Bonne Loi”, in Présence de Bouddhisme, France-Asie, Saigon, 1959.

(5) zie hierover Lotus-sutra XV.

(6) Overigens bestaat er ook nu nog geen eensgezindheid. Sommige buddhologen spreken van zowat 100 jaar later, sommigen plaatsen het parinirvana zowat ten tijde van Asoka. En de Theravada-traditie houdt het bij ca. -543.

Ekō 52
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

          home