Editoriaal - Dāna

Wie Jikoji met open ogen bezoekt weet dat er twee tastbare recipiënten zijn om dana te beoefenen: in de bib tegen het prikbord en in de gang een grote koperen bedelnap. Geregeld zit er inderdaad wat zowel in het kleine plastic potje als in de koperen schaal. Dankbaarheid hiervoor, ook voor de kleinste muntgave. Uiteraard ook dankbaarheid voor de minder anoniemen die hun schenking via bank- of girorekening of onder omslag overmaken.

Want dāna is boeddhistische beoefening. Dāna is ‘gave’, ‘vrijgevigheid’, ‘het schenken’. Het is de eerste deugd onder de pāramitā’s, de eerste ‘volkomenheid’, nog vóór sīla, de moraliteit.

Toch gebeurt het dat we ondervinden dat er hier of daar een misverstand moet bestaan aangaande dāna. Toegegeven: in onze geldmaatschappij wordt immers veel gebedeld voor een massa humanitaire, culturele, religieuze of zo-maar collectes. Dat procédé geeft ons de mogelijkheid ons geweten te sussen door afstand te doen van een briefje van honderd en In sommige gevallen daarbij te genieten van fiscale aftrekbaarheid.

Maar is dat wel dāna? Of is dat een witwassing? Dāna gaat immers véél verder dan dit ‘geld geven’ dat in feite een moreel afkopen is. Dāna is gave. En zelfs overgave - ook van tijd, van initiatief, van inzet. Ja: de gave van zichzelf. En daarom is het ook de eerste volkomenheid van de Bodhisattva.

Zoiets viel me op, jaren terug, bij een van mijn eerste bezoeken aan Nishi Honganji. Van heinde en verre komen “bedevaarders” hun hoofdtempel bezoeken. Niet zo maar zoals men een museum of een badplaats bezoekt. Zij komen er uit de verste hoeken van Japan om er iets van zichzelf te geven. Want die dames en heren stropen er hun mouwen en eventueel de panden van hun kimono op, wikkelen een witte handdoek rondom hun hoofd, grijpen borstels, dweilen en emmers en beginnen met een urenlange schoonmaakbeurt in en om de tempelgebouwen.

Zo was er een node bezemende heer die mijn verbaasd gaijin-gezicht zag, een brede glimlach kreeg en zei: “0-fuse!”, d.i. ‘eerbiedige schenking aan de tempel’. Wat later vernam ik dat die ouwe heer een beroemd jurist en professor aan de universiteit van X. was.

Daartegenover staat onze dāna-problematiek. Ik geloof dat het in hoofdzaak gaat om een soort drempelvrees: je moet al heilig zijn om heilige plaatsen schoon te maken… Ofwel is het een ego-gerichte afremming, want we hebben het vaak moeilijk om tot gave, d.i. tot afstand over te gaan, allicht niet uit gierigheid, meer blijkbaar omdat we zò opzien tegen de inspanning van een schenking van iets anders dan van een geldbriefje. Zich inzetten, zijn tijd besteden? Dan wanneer we het reeds met onze tijd zo druk hebben…

En wat is belangrijk? Belangrijk genoeg? Ieder van ons verzuipt in de belangrijke dingen die hij te doen heeft. De zoldering schilderen, de auto wassen, een boek schrijven, een vergadering van de pingpongclub, een training voor bodybuilding, een lezing over reïncarnatie, de vakantie in Lesotho voorbereiden… Dan liever betalen vooraleer Shitoku weer begint te zagen… En excuses vinden we bij de vleet.

Veel nieuws is er hierover niet onder de zon. En vermits we nu toch op bijbelse taal alluderen, schiet het mij te binnen dat Jezus in zijn tijd al met dergelijke problemen te kampen had. Hij ergerde zich immers aan de zo drukke bezigheden van zijn tijdgenoten. “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig” (Matth. 10:37). Of meer direct: “En Hij zei tot een ander: Volg Mij. Maar deze zei: Sta me toe eerst heen te gaan om mijn vader te begraven. Maar Hij zei: Laat de doden de doden begraven… En weer een ander zei: Ik zal U volgen, Heer, maar laat me eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten. Maar Jezus zei: Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen er achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods” (Luc. 9:59-62).

Het probleem is overigens helemaal niet eigen aan de christelijke wereld.

Shinran Shonin vraagt niet eens dat men alles in de steek zou laten om hem te volgen. Overigens wou hij niet dat men hem volgde: “Ik, Shinran, ik heb zelfs niet één discipel” (Tannisho, VI). Wél vraagt hij dat men onderscheid zou maken tussen datgene wat een sociale of psychologische behoefte kan zijn en datgene wat religieus van belang is, in het bijzonder de spirituele hand aan de religieuze ploeg te slaan. Overigens is Shinrans leven een meesterlijk toonbeeld van dāna.

Een ander kenmerk van dāna is dat het beslist geen antwoord op een ‘vragen naar’ is. Dāna is spontaan, zoals elke handeling van de bodhisattva. Dāna vraagt geen voorafgaandelijke organisatie en zeker geen mondaine of geestelijke berekening. Dāna is geen reactie nà, het is een actie vóór. Gemakkelijk is dit niet. Ware het zo gemakkelijk, het zou zeker geen pāramitā kunnen genoemd worden. En soms kan je niet zonder een organisatie, zonder een ‘vragen naar’. Kijk maar naar de bedelende Theravada-monniken: ze lopen door de straten die ze kennen en de mensen weten er wat er van ze verwacht wordt. Of kijk eens naar de binnenkaft van dit Ekō-nummer: daar staat een amper verholen smeekbede, met daarbij nummers van bank- en giro-rekeningen. Toe maar!

En toch blijf ik koppig geloven dat echt dāna, onder welke vorm ook, het resultaat is van eigen initiatief.

In het Avatamsaka-sutra lees ik in de Geloften van Samantabhedra (1):

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent ‘de rijkelijke offergave ter ere van alle boeddha’s? … Maar, Heer van edel gemoed, van alle gaven is de gave van de Leer toch de beste. Dergelijke gave heet ‘de offerande van het beleven van de Leer’, ‘de offerande ten gunste van alle wezens’, ‘de offerande van het omarmen en ondersteunen van alle wezens’, ‘de offerande van het op zich nemen van het lijden van alle wezens’, ‘de offerande van het bevorderen van de wortels van verdiensten’, ‘de offerande van het niet-afwijken van de bodhisattva-taak’, ‘de offerande van het niet loslaten van het gemoed ter verlichting’. Waarlijk, Heer van edel gemoed, de verdienste verworven door het aanbieden van deze offergaven is eindeloos. Maar vergeleken bij één enkele gedachte aan de Leer, zouden ze niet meer zijn dan één honderdste deel ervan; neen: minder nog dan één honderdduizendste koti van nayuta van kala van upannishad deel ervan…

“O-fuse!” zei me de oude jurist, een bezem in de hand, beide blote voeten in een natte dweil, een schittering in de ogen.

Namu Amida Butsu.

Shitoku

(1) Zie bijvoorbeeld: Aldus heb ik gehoord, p. 52 en 53.

Ekō 53

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home