De Naam Is Namu Amida Butsu (15)

Shitoku A. Peel

Mappō (2)

Daar waar de meeste boeddhistische bewegingen in China zich geconfronteerd voelden met de dreiging van mappō, dan is het toch zo dat precies deze dreiging de drijfkracht is geworden voor een hernieuwd religieus denken. Nieuwe wegen werden geopend, nieuwe vormen van spiritualiteit werden geëxploreerd. Immers: noch filosofisch noch devotioneel noch emotioneel kon men zich neerleggen bij het feit dat het Mededogen van de Boeddha dan tňch begrensd zou zijn. Het grote probleem van het universele heil voor alle wezens vroeg een revolutionaire, gloednieuwe benadering. Zo komt het dat, in plaats van een paralyserende factor of een breuklijn te zijn, het concept van de vervallen Leer een verrijkende aansporing is geworden.

Ook Shinran was diep getroffen door de idee van mappō. Van zijn meester Hōnen had hij geleerd dat in deze zwarte periode het niet meer doenbaar was te vertrouwen op de kracht van het eigen gemoed die zich manifesteert onder de vorm van een morele code van ingewikkelde rituelen en van moeilijke meditatiepraktijken (hoofdzakelijk visualiseringen). De zwakte eigen aan de menselijke geest vond volgens hem zijn oerbron precies in de aanwezigheid van mappō: was deze periode immers niet begonnen in het jaar 891 (2)? Bleek die niet uit het verval van de keizerlijke macht, uit de gruwelijke machtstrijd tussen de grote Taira en Minamoto-clans en de militaristische staatsgreep van de Kamakura-shoguns? Uit de epidemieën, de endemische hongersnood, de natuurrampen? En zeker uit de zucht naar rijkdom en invloed van de boeddhistische tempels en abten en priesters met hun dreigementen van hel en onderwereld en hun tempelmilities die zelfs het keizerlijk hof durfden bedreigen?

Hoezeer Shinran bewogen werd door de mappō-gedachte blijkt overduidelijk uit het 6de hoofdstuk van zijn Kyogyoshinsho, waar hij bijna geheel de verhandeling “Lamp voor het Mappō-tijdperk” (3) citeert (§ 80). Dit bracht voor hem niet enkel mee dat men enkel nog kan vertrouwen in Amida’s Ander-Kracht uitgedrukt in de nembutsu. Voor hem induceerde dit mappō-concept meteen andere denklijnen.

Zo b.v. dient zijn visie dat de menselijke geest fundamenteel ‘slecht’ is verstaan te worden in deze mappō-belichting. Shinran heeft nooit beweerd dat de menselijke natuur noodzakelijkerwijze en in alle omstandigheden slecht is. Zijn begrip ‘slecht’ heeft geen morele of sociale connotaties. Integendeel: hij verzet zich tegen elke verrechtvaardiging van immoreel handelen en raadt de beoefening van de Zes Volmaaktheden (paramita) aan, ook al legt hij zich erbij neer dat de mensen, hij incluis, moreel ‘slecht’ handelen uit zwakte. Wat hij wčl degelijk bedoelt, is dat de mens geestelijk, d.i. op het religieuze niveau ‘slecht’ is: niet bij machte op eigen kracht de verlichting te verwezenlijken.

De menselijke natuur is immers te diep aangegrepen door begeerte, haat en verdwazing. Zolang we ons van deze bonnō (4) niet kunnen losmaken, kunnen we geen verlichting, nirvana, Geboorte in het Reine Land verwezenlijken - noch zelfs serieus nastreven. Maar bevrijding uit de boeien van die bonnō, dat ís juist ‘verlichting’. Zo zit de mens gevangen in de vicieuze cirkel van zijn existentiële situatie. En vermits hij niet meer, vanuit mappō, kan beschikken over de nodige kracht om deze cirkel te doorbreken, kan Shinran duidelijk uitdrukken dat we door onze ‘slechtheid’ veroordeeld zijn tot de hel, de hel van onze menselijke existentie. Maar net zoals in Sartre’s ‘Huis Clos’, is er een uitweg die we niet zien, die we weigeren te zien, een deur die sedert tijdloze kalpa’s open staat: de onvoorwaardelijke werking van Amida’s Voortijdelijke Gelofte is het enige én noodzakende proces van bevrijding uit het lijden.

Sedert Shinrans dagen zijn we ononderbroken blijven leven in dit mappō-tijdperk. We kunnen weliswaar op basis van historische en tekstkritische redeneringen aantonen dat het geloof in een Decadentie irrelevant is, en zeker dat de tijdschema’s en de verschijnselen toegeschreven aan elk van de Drie Dharma-periodes louter fictie zijn.

En toch: diep in ons hart blijven we ergens vasthouden aan een soort mappō. Misschien niet die beschreven in de sutra’s en de sastra’s, maar we geloven, hebben steeds geloofd en zullen blijkbaar blijven geloven dat onze tijd een degenerescentie is.

In ons overspannen hedendaagse leven ondergaan we mappō sterker dan ooit te voren. We kunnen niet ophouden met vrees te denken aan de duizenden vervullingen en bevlekkingen (klesa!) die onze lucht, ons water, onze aarde ondergaan; aan de bedreigingen van nucleaire, biologische, chemische en psychologische vormen van oorlogsvoering en consumptie-industrie; aan de hersenspoelende massamedia, aan de biogenetische en politieke manipulaties…

Deze afschildering van onze moderne maatschappij is allicht in-triest. Met de dag wordt het moeilijker onze toekomst met optimisme in te zien. Toch is deze houding, deze vorm van aanvoelen niet nieuw. Ik ben zelfs zo vrij te geloven dat de mensheid sedert millennia met dergelijke emoties opgescheept zit.

Ik meen dat de notie van mappō, zij het ook in andere termen, iets is dat sedert lang in ons gemoed ingeëtst is - misschien zelfs in ons collectief onbewuste. Iedereen gelooft in een of andere vorm van mappō. We drukken dat o.a. uit door te stellen dat vroeger alles beter was: het brood, de groenten, het fruit, het vlees, de vis, het voetbal, de tennis, het weer, de seizoenen, de godsdienst, de politici. Grootmoeders dagen… Toen grootmoeder, in plaats van de lakens, de onderbroeken, de handdoeken te stoppen in die vervelende luidruchtige wasmachine, het geluk had een hele dag aan de wastobbe te staan, een hele dag te wringen, te spoelen, te drogen, te strijken… Zoveel beter was het immers in those good old days…

Meen niet dat dergelijke opvatting het resultaat is van een geďndustrialiseerde maatschappij. Het ziet ernaar uit dat het altijd zo geweest is. Reeds Plinius de Jongere klaagt over de slechte kwaliteit ven het brood (in het jaar 69!) dat écht oneetbaar geworden is, dan wanneer het in zijn jonge jaren zo heerlijk lekker was en gemaakt van uitsluitend natuurlijke ingrediënten… En wie van ons herinnert zich niet de geur van moeders pannenkoeken of zelfs de heerlijke rook uit grootvaders pijp?

We dragen allen in ons de dormante gedachtenis van een ancestraal wensdenken: een afwijzing van de realiteit van vandaag. We willen vluchten naar een voor immer voorbije verleden, een overigens imaginair verleden. We vluchten in retro-dromen en scheppen een Bühne vol illusoire flashbacks. En dromen maar van een Aards Paradijs, of van de tijd dat de Voorouders nog onder ons leefden en de dieren nog spraken…

Is het om onszelf te verontschuldigen voor onze hedendaagse wereld dat we het begrip ‘decadente tijd’ ingevoerd hebben, waarin alle waardes van beschaving en menselijkheid geleidelijk aan zullen vernietigd worden? En vermits alles vergankelijk is, waarom zouden beschaving, cultuur, mensheid dan niet vergankelijk zijn?

We moeten zowel de situatie van de wereld als de situatie van onze innerlijkheid als voorwerpen van reflectie nemen, maar we mogen onszelf niet overleveren aan een of ander on- of buitenzinnig pessimisme. Vooral niet wanneer dit bovendien nog ego-gericht is: wanneer wetenschapslui ons vertellen dat over 5 of 7 miljard jaar de zon zal ontploffen en alle planeten, aarde incluis, in een vuurgloed gaat verzwelgen, dan laat dit ons ijskoud. Maar als men ons duidelijk maakt dat de Lage Landen door een laag lava zullen overdekt worden in het jaar 2012, dan gaan we ons zorgen maken. Dit is een vorm van ego-anthropocentrisme: ik zie mijzelf als lid van de mensheid, - iets waarmee ik meer moeite heb als het gaat over een gebeurtenis die nog miljarden jaren ver in de toekomst ligt. Of noem dit menselijke kortzichtigheid.

Hoe oncomfortabel deze vooruitzichten ook zijn: laten we zeker niet vergeten dat de Reine-Landmeesters - en zeker Shinran - ons een middel aan de hand doen, niet alleen om die ondergangsgedachte qua verleden, heden en/of toekomst bewust te accepteren en te verteren, maar ook om de meest hopeloze existentiële situatie om te keren tot een universum van verlichting.

Als we tot de diepste diepte van ons gemoed afgedaald zijn, als we de grenzen van onze verwachtingen overschreden hebben, dan keert Namu Amida Butsu voor ons het lijden om tot vreugdig aanvaarden; dood wordt geboorte, eenzaamheid tot éénheid. Door de nembutsu wordt dan het besef van mappō veranderd in de realisering van een positief gericht leven.

Dat is eigenlijk de reden waarom we niet al te zwaar moeten tillen aan het mappō-drama. Wanneer de dingen voor ons de verkeerde kant opgaan, laten we ze dan aanvaarden zoals ze zijn en zonder ze erger te maken dan ze uit zichzelf wel zijn. Onze reactie moet er een van vertrouwen zijn. Meer dan ooit dienen we de inbreng van het Reine-Landonderricht in het dagelijkse bestaan diep te beleven (noem dat meditatie of contemplatie), niet enkel met onze hersenen, maar met geheel ons wezen, in de minste van onze handelingen.

Mappō: dat is inderdaad hier en nu, dat is altijd hier en nu, net zoals de wereld van lijden en het probleem van goed en kwaad hier zijn. Onze Jodo-Shinshu school kent noch talismans noch magische formules noch buitennormale geestestoestanden om daaraan te ontkomen. Behalve dan het Mededogend Licht van Amida. Behalve dan Namu Amida Butsu.

Namu Amida Butsu is het Dharma-Lichaam van Geschikte Middelen (5) werkzaam in het ruimte-tijdcontinuüm, maar als manifestatie van het Dharma-Lichaam van Wezenheid dat buiten tijd en ruimte staat. Daarom is er in Namu Amida Butsu geen Tijdperk van de Ware Leer, geen Tijdperk van de Schijnbare Leer en ook geen Tijdperk van de Vervallen Leer. Er is enkel de werkzaamheid van de Gelofte-Kracht.

Daardoor komt het ook dat we niet hoeven te treuren over de voorbije zo mooie tijden en niet hoeven het leven zoals het vandaag is of zoals het morgen zou zijn, te vrezen of te minachten. Laten we niet huilen over dingen die ons ontsnappen. Laten we onze religieuze (d.i. weer-bindende!) levensvreugde niet verduisteren door onze kleinzielige berekeningen, verwachtingen, voorstellen en bedoelingen van enige “verlossing” door middel van menselijke inspanningen. Laten we in de eerste plaats vertrouwen, steeds meer vertrouwen hebben in de ware en werkelijke natuurlijkheid (jinen-hōni) van Amida’s Gelofte-Kracht.

Eigenlijk is de situatie heel eenvoudig: Namu Amida Butsu verandert voor ons elke mappō in Reine Land. Wat kan je nog meer wensen?

(2) Althans volgens de berekening van Fei Ch’ang-fang, die in zijn Li-tai-sen-pao-chi (T. 49, 23a) Boeddha’s parinirvana in -609 situeert.

(3) Mappō tōmyōki, toegeschreven aan Saichō, de stichter van de Japanse Tendai-school.

(4) Sanskr. Klesa: ‘smart, bevlekking, hindernis’.

(5) Sanskr. Dharmakāya-upāya, Ch. fang-pien fa-shen, Jap. hōben-hosshin.

Ekō 53
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home