Editoriaal - Nuttig? Overbodig? Noodzakelijk?

Soms hoort wel eens zeggen dat zoiets als een ‘tempel’ of een ‘priester’ overbodig is. Zeker in het Boeddhisme. En - in absolute zin - is dat ook zo. Shinran Shonin had immers geen tempel. En in hoeverre hij zou beantwoorden aan de criteria van de (latere, huidige) Honganji-priester, blijf ik het antwoord liefst schuldig.

Maar wat voor de Shonin indertijd opging, gaat niet noodzakelijk en automatisch op voor de mensen die wij nu zijn.

Noem bijgevolg ‘tempel’ en ‘priester’ zoiets als een noodzakelijk kwaad: het is een tempelpriester die het u zegt. Of boeddhistischer: een upaya, een passend middel.

Laten we het eerst over de ‘priester’ hebben. Deze term is bijzonder ongelukkig als vertaling gekozen, ongelukkig zeker in een land als het onze met een sterke katholieke traditie. Voor de katholieke gelovige is immers de priester zoiets als de plaatsvervanger op aarde en in de n-de graad van God, voorzeker een tussenpersoon tussen die God en zijn gelovige, vooral een bedienaar van sacramenten waardoor de gelovige én tot God én tot diens Kerk behoort.

Vermits het Boeddhisme met geen God hoeft rekening te houden, is de boeddhistische ‘priester’ allesbehalve een goddelijke afgevaardigde en vermits hij geen sacramenten te bedelen heeft, is ‘priester’ zeker geen gelukkig woord. Zeker niet daar ook de verwarring - en dat geldt voor de meeste boeddhisten - tussen ‘monnik’ en ‘priester’ vaak een abhidharmisch roet in de geestelijke voeding gooit. Boeddhistische monniken, ja, inderdaad: dat bestaat. Zij die, onverschillig of we het over Theravada of Mahayana hebben, in kloosterverband leven en de Vinaya-regels toepassen, die kunnen we inderdaad ‘monniken’ noemen.

Maar aangezien de Jodo-Shinshu geen kloosterstructuur is en vermits Shinran zo stout geweest is de traditionele monnikenregels uit te waaieren, vindt de term ‘monnik’ in onze school gewoonweg geen toepassing. De conventionele discipline-voorschriften uitgewerkt voor de bhiksu’s (o.a. in de talrijke overgeleverde Vinaya-pitaka’s) zijn niet toepasselijk op de Shin-’priester’.

Toch is hij geen ‘leek’. Shinran wilde immers de bestaande afgrond tussen ‘monnik’ en ‘leek’ opvullen. Zichzelf noemde hij “noch monnik noch leek”, maar dat maakte de situatie niet eenvoudiger. Is het soms dat de Shin-’priester’ nu eens leek, dan weer monnik is, of is hij tegelijkertijd én leek én monnik, of is er nog een ander oplossing? Ik geloof dat elk Shin-‘priester’ die over zijn eigen situatie durft na te denken, nog niet met een pasklare oplossing klaar is…

Men kan natuurlijk stellen dat, in dit opzicht, de Shin-’priester’ enigszins gelijkt op de protestantse dominee, op de joodse Rabbijn of op de islamitische imam - maar dan ‘God’ of ‘Gods Woord’ erbuiten gelaten…

Hij is degene die verondersteld wordt iets méér te weten, maar die toch in zich weet dat hij een dwaze prater is en soms in eigen denken even verstrikt geraakt net zo goed als alle andere bombu’s. Hij (of zij!) is op zijn best op het samen begane pad naar de uiteindelijke Wijsheid, de gids, degene die de landkaart In handen heeft, maar vaak zelf niet eens weet waar het noorden (beter het westen…) te vinden is.

En toch is hij noodzakelijk ondanks alle gebreken en tekortkomingen. Als de mensen vragen hebben, zou hij die moeten kunnen beantwoorden. Of misschien weet hij in welk sutra of in welk boekje het antwoord kan gevonden worden. Tevens is hij toch ook een soort bedrijfsleider, de organisator van een sangha, hoe klein ook. Hij regelt de bijeenkomsten, betaalt huur en belastingen en elektriciteit; hij incasseert de dana’s en geeft dat geld ook weer uit, sleurt met kaarsen, wierook, bloemen en wasgoed, doet hier en daar wat schoonmaak (ik herinner me een tempelpriester te Chicago die telkens de sigarettenpeukjes uit de tempeltuin ging oprapen…), hij ontvangt bezoekers en ontstopt de wc’s…

En ik geloof dat daarom de ‘priester’, alle antiklerikalen ten spijt (1), toch een noodzaak. En de ‘tempel’?

Inderdaad, Shinran Shonin had geen eigen tempel. Maar voortdurend adviseerde hij heel wat gevestigde ‘tempel-priesters’ in Echigo (zijn verbanningsoord) en zeker later in Kantō (de huidige provincie Hitachi), zoals overduidelijk blijkt uit zijn correspondentie. Yuien-bo, de vermoedelijke auteur van Tannisho, zou een tempelpriester uit die streek geweest zijn.

Een gemeenschap, zeker een religieus gerichte gemeenschap als een sangha, wordt snel chaotisch als er geen duidelijk, concreet middelpunt is. Religie is immers niet enkel de relatie van adept tot ‘God’ of ‘Boeddha’, maar beslist ook de horizontale spiritualiteit met andere gelijk-denkenden, de ‘mede-wegbewandelaars’. Er moet een trefpunt zijn waar men elkaar kan ontmoeten, waar men anderen (en de Boeddha) in de ogen kan zien. Laat heiligen, asceten, wijzen en kluizenaars maar verblijven in het donkere woud of boven op de bergen; de gewone volgeling heeft voor zijn spiritualiteit een huis met vele kamers nodig, waar hij naar de Leer kan luisteren, waar hij ideeën kan uitwisselen of kwijtgeraken, waar hij afstand kan nemen van zijn dagelijkse doordeweekse problemen, waar hij warmte en zo nodig opvang kan ervaren.

Zo een middelpunt, dat trefpunt, dat zwaartepunt van de sangha moet wel een ‘tempel’ zijn: geen “Heilig Huis” geen “Heilige der Heiligen”, geen woonplaats van de ene of de andere godheid, maar een huis voor de volgeling zelf - het huis van Drievoudige Toevlucht tot de Boeddha, tot de Leer en tot de Gemeenschap.

En dus is - menselijk gezien - ook de tempel een noodzaak. Jammer genoeg zien we meer dan eens rondom ons - ook bij boeddhisten - welke vragen er oprijzen wanneer een sangha over geen toegankelijke ‘tempel’ beschikt…

Alleen al om zijn diepmenselijke betekenis moet er wel een tempel zijn.

Niet voor de Boeddha! Die heeft noch priester noch tempel, noch reciteren van nembutsu of daimoku of sutra’s of mantra’s nodig, noch korte of lange erediensten. Hij is geen ‘god’ die vereist aanbeden te worden. De leer is er niet voor de Boeddha, maar voor mij, voor u.

Evenmin bestaan tempels en priesters voor de Boeddha, maar ze zijn er voor mij en voor u. Omdat we die nodig hebben op dat moeilijke Achtvoudige Pad.

Namu Amida Butsu.

Shitoku

(1) Iedereen weet nu stilaan dat Shitoku een doorwinterde antiklerikaal is…

Ekō 54

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home