De Naam Is Namu Amida Butsu (16)

Shitoku A. Peel

Hakarai: Zorgen en Berekeningen (1)

In het algemene Boeddhisme is er telkens weer sprake van de Vier Edele Waarheden. Deze vormen immers het geraamte van elke boeddhistische lering van welke boeddhistische school ook. Buiten de Vier Edele Waarheden is er géén Boeddhisme. Ze zijn niet enkel skelet, maar ook programma, landkaart en wegwijzer naar de uiteindelijke bevrijding uit de kringloop van geboorte, lijden en dood. Ook al lopen de interpretaties van deze Edele Waarheden wel eens uiteen volgens de verschillende boeddhistische scholen.

Sta me toe u - tot in den treure - aan deze Vier Edele Waarheden te herinneren: het Lijden, de Oorsprong van het Lijden, de Opheffing van het Lijden en het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden.

De Eerste Edele Waarheid betekent dat het hele pakket van onze existentie getekend en doordrongen is door de menigvuldige vormen die “het lijden” kan aannemen. Maar “lijden” dienen we in zijn breedste zin op te vatten: niet zomaar pijn, ziekte, honger, ouderdom, dood, maar veeleer het alomtegenwoordige besef van mistevredenheid, van mislukking, van hopeloosheid, van uitzichtloosheid, van verdwazing en vergissing. De eenvoudigste manier om tot dit besef van “lijden” te komen, is met open ogen rondom ons te kijken: de vergankelijkheid van bloesems, eendagsvliegen, wereldrijken, het wegkronkelen van wierook, de erosie van de hoogste bergtoppen… En wijzelf? Onze gezondheid? Onze oorlogen en burgeroorlogen? Het kwaad dat anderen ons aandoen en het kwaad dat wij anderen aandoen. Zijn wij dan zo tevreden, gelukkig met ons bestaan, met ons verouderen. En ons sterven, onze dood, die ons elk ogenblik kan overvallen. We moeten zelfs niet eens oud worden om te sterven.

Wie kan met een ernstig gemoed blijven ontkennen dat de actieve of passieve lijdenservaring die we ondergaan, geen determinerende factor in ons bestaan vormt? Men moet dan lichamelijk, geestelijk, intellectueel blind en gedrogeerd zijn…

Weliswaar kennen we minuten, uren, misschien dagen van geluk en tevredenheid, bij een mooie muziek, bij een aangrijpend landschap, bij een goed glas bier, bij ons lief… Maar onherroepelijk komt dat gevoel van mistevredenheid weer op. Want men zegt wel dat na regen zonneschijn komt, maar het is ook zo dat na zonneschijn weer regen komt…

Het leven is ondenkbaar zonder lijden. Het leven voedt zichzelf uit lijden. Zoals men niet kan leven zonder andere levende wezens te doden. Dat hoort bij de kringloop van geboorte-en-dood.

De Tweede Edele Waarheid is die van de Oorsprong van het Lijden. Voor zowat alle religies is de oorsprong van het lijden een cruciaal, fundamenteel feit. Doorheen de hele loop van haar geschiedenis heeft de mensheid gezocht naar een uitwendige oorzaak, zodat het mogelijk werd de schuldvraag te verplaatsen naar iemand of iets anders. Neem b.v. het christendom: ongeacht of we God zelf ofwel Adem en Eva beschouwen als de origine van het lijden (dat, christelijk bekeken niet los te maken is van het begrip ‘zonde’), toch kan men een zeker gevoel van geruststelling indenken: “het is niet mijn schuld, maar die van…” In het Boeddhisme gaat dat niet op! Boeddha Shakyamuni heeft aangetoond dat wat hij “lijden” noemt, in de eerste plaats een innerlijke aangelegenheid is waarvan de oorzaak innerlijk is: elk wezen is oorzaak van lijden. Let wél: het Boeddhisme leert niet dat elk wezen de oorzaak is van zijn lijden, dat ik de oorzaak ben van mijn lijden. Maar wél van het lijden.

Elk van ons, in verleden, heden en toekomst is schepper van de lijdenswereld. De hele, rusteloze cyclus van geboorte-en-dood wordt veroorzaakt door de totaliteit van alle wezens, van alle lijdende wezens hoe ontelbaar ze ook zijn. Daardoor ook is het bereik van het lijden onvoorstelbaar, met daarbij de onvoorstelbaarheid van de karmische acties, reacties en interacties.

We moeten ons ervoor hoeden deze onbegrensde collectiviteit van lijdende wezens als iets abstracts te beschouwen: ze is reëel, concreet, existentieel, d.i. ingrijpend in alle vormen van onze existentie. Deze collectiviteit is u en ik en alle anderen. Zeker ook “u” en “ik”. U en ik en daarbij de ontelbare soorten wezens, we zijn allen collectief maar ook individueel mede-aansprakelijk voor deze wereld die de lijdenswereld is. Waarom is dit zo? Omdat u en ik net zoals alle andere wezens welke en hoe die ook zijn, verteerd worden door begeerte, aversie, haat, driften, verwachtingen, angsten. Laten we voortaan die sinistere reeks op zijn Japans bonnō noemen om de verdere uiteenzetting te vergemakkelijken.

En waar ontspringen die bonnō? Niet buiten de wezens (de solidaire collectiviteit van alle wezens…), dat hebben we hiervóór al gezegd, maar binnen in hun onophoudelijk ratelend en schrokkerig gemoed. Alle willen ze over alles de baas zijn, alle dingen tot de hunne maken, hun ego opschroeven tot het middelpunt van het heelal. Maar wat jammer: ze zitten alle verkeerd. Hun ego is niet het middelpunt van het heelal, maar enkel het middelpunt van hun wishful thinking. Als je dat wat ze hun ‘zelf’ noemen begint af te pellen als een ui, dan ontdek je dat er enkel ‘leegte’ achterblijft.

Hun “ik” is immers niets anders dan een illusie te meer, een misgreep, een zelfbegoocheling. Elk wezen, of we het levend noemen of niet, is iets dat samengesteld is, dat enkel bestaat uit componenten, dat opgebouwd is uit veel, heel veel steeds maar wisselende elementen die telkens weer vervloeiende structuren vormen.

Er is geen ego, er is geen op zichzelf bestaand ‘zelf’ (ātman). Tot je op een zeker moment ontdekt dat juist dàt wat je als de afwezigheid-van-zelf (anātmya) ervaren hebt, deze metafysische leegheid, precies je ware natuur is, en als het ware terzelfder tijd, dat dit je boeddha-natuur is.

Deze ontdekking: het realiseren dat je innerste ware en werkelijke, maar ‘lege’, d.i. substantieloze ‘zelf’, het Boeddhaschap is, ligt - praktisch gezien - buiten het normale vermogen van de normale mens. Tenzij natuurlijk je net als Dharmākara Bodhisattva je vijf lange kalpa’s kan blijven mediteren…

Het normale, doordeweekse, gewone wat verdwaasde en wat lankmoedige wezen, zoals wij met onze bonnō wel zijn, blijft verstrikt in zijn zelf-illusie. Deze “onwetendheid” doordringt alles in deze lijdenswereld.

De doorgaans gebruikte term “onwetendheid” vind ik persoonlijk niet zo heel gelukkig. Het gaat immers niet om een ‘afwezigheid van kennis’, maar om een vergissing, een miskleun, een “mis-weten”. We hechten te veel aan de idee dat we een wezen zijn begaafd met een eeuwigheidselement dat we ‘zelf’ of ‘ziel’ noemen, een waardevol ego dat het hoofd kan bieden aan alle ego’s van de wereld rondom ons. Het is deze gehechtheid die het ons moeilijk, zoniet onmogelijk maakt onze ego-gerichte inzichten te corrigeren.

Psychologen weten dat je niet ziet wat je niet wil zien.

Dat deze ik-begeertes en ik-gehechtheden, die je diep in je gemoed koestert en aankweekt, dat de berekeningen die je opmaakt, dat de gevoelens waarvoor je leven wil, dat je jezelf beschouwt als zijnde “ik in deze wereld”, dat al die uitspraken over jezelf en de wereld, enkel aberrante constructies van je bonnō-geest zijn, - dat is moeilijk te slikken. En je bent zò geneigd die visie te verwerpen omdat ze strijdig is met wat je meest fundamentele, zeggen we maar “natuurlijke” begeerte is: ik te zijn.

De Derde Edele Waarheid spreekt over de Opheffing van het Lijden. Dat kan vergeleken worden bij een proces van ziekte en genezing: de Eerste Waarheid is de sympthomatiek, de Tweede levert ons de diagnose. En nu dat de ware origine van de ziekte gekend is, wil je natuurlijk de mogelijkheid van genezing onder ogen zien. Het wordt vreselijk eenvoudig uitgedrukt: vermits “lijden” veroorzaakt wordt door “onwetendheid”, volstaat het die “onwetendheid” weg te nemen. Zo simpel is dat: pak ze op en geef ze met de vuilniswagen mee. Zo eenvoudig is dat. En al je bonnō’s verdwijnen meteen en je problematiek over lijden en verlossing is voorbij, want je bent “verlicht”!

Was het maar…

Welnu, de manier om dat te verwezenlijken wordt uiteengezet in de Vierde Edele Waarheid: het Achtvoudige Pad dat voert naar de opheffing van het lijden. Dit Pad, dat ook het ‘Pad van het Midden’ wordt genoemd, omdat het alle uitersten vermijdt, is in feite het Vademecum van de Boeddhistische Heilige (of would-be Heilige).

In heel wat boeken en brochures vind je de 8 Juiste Voorwaarden om de verlossing te verwezenlijken. Laten we hier de opsomming ervan dus maar overslaan. We kunnen ze evenwel samenvatten in drie ondertitels met mooie, verleidelijke namen: Wijsheid, Moraliteit en Concentratie (of ‘eensgerichtheid van attitude’).

Gewoon deze drie: wijsheid, moraliteit en eensgerichtheid van attitude. Ik weet niet of iemand onder u ooit geprobeerd heeft deze drie tot een goed einde te brengen. Ik heb dat wél geprobeerd. En ik heb gefaald… natuurlijk.

De Vier Edele Waarheden vormen dus de essentie van het Boeddhisme en worden bijgevolg door alle boeddhistische stromingen als basis genomen. Het onderscheid tussen die diverse scholen berust grotendeels op de methodologische aanpak: de wijze waarop elk van de Vier Waarheden wordt geïnterpreteerd en voornamelijk de verhouding van nadruk die op elk van de Acht Spaken van het Dharma-Pada wordt gelegd. Elke boeddhistische school heeft immers een verschillend recept voor het combineren van wijsheid, moraliteit en geestesconcentratie. Daarbij wordt in de meeste gevallen de moraliteit (of juister: het ethische) beschouwd als een voorbereiding voor het ‘heilswerk’ dat in feite ‘verricht’ wordt door wijsheid en concentratie. Het Achtvoudige Pad vormt aldus in de praktijk een ruim pakket van ‘praktijken’ in functie van culturele, historische of geografische omstandigheden, maar waarbij ook rekening gehouden wordt met de ingesteldheid van de volgeling. Het probleem is evenwel dat, om het even in welke boeddhistische school, dat praktijkenpakket leidt tot een schier eindeloze reeks van ethische, mentale en intellectuele oefeningen - waarvan de meeste evenwel boven het bereik van de gemiddelde sterveling liggen.

Wijsheid, Moraliteit en Concentratie zijn eigenlijk voor de wijzen, de heiligen, de asceten weggelegd. In dat besef spreekt Taoch’o (2) dan ook over de “Poort van de Weg der Wijzen”, Shōdōmon. Deze Weg leidt tot bevrijding uit samsara, leidt tot het Grote Nirvana, tot de Uiteindelijke Verlichting. Daar moet niet aan getwijfeld worden. Ook Shinran was ervan overtuigd dat deze Shodomon hem zou leiden tot de uiteindelijke verwezenlijking van de Verlichting. Er is maar één maar: men moet de capaciteiten hebben om het geheel van de vereiste morele, meditatieve en niet-meditatieve praktijken zonder ophouden, zonder afzwakking te volbrengen.

Na de meeste van die zware praktijken in de kloosters van de Hiei-Berg wel gedurende twintig jaar te hebben volbracht, moest zelfs Shinran opgeven. Hij ontdekte zichzelf volkomen onbekwaam om deze zware taak te verwezenlijken. Zijn verwachtingen, zijn spirituele berekeningen vielen in duigen. Maar zijn grootste bekommernis was niet zozeer het eigen falen, maar de vaststelling dat hij niet alleen was in deze situatie, maar dat ontelbare wezens in datzelfde onvermogen verstrikt waren. Rondom hem ontdekte hij dat in de ‘Drie Tijden en de Zes Geboorten’ duizenden, miljoenen, miljarden wezens net als hijzelf in de spirituele onmogelijkheid waren het ‘Heilige Leven’ tot vervulling te brengen: het continu beoefenen van de moeilijke praktijken vereist door het Edele Achtvoudige Pad in zijn conventionele formuleringen.

Het meest wrede van die vaststelling was wel dat al wat Shinran in al die kloosterjaren gehoord had over de Oneindige Wijsheid en het Oneindige Mededogen van de Boeddha, dan wel verkeerd meest zijn. Als die Wijsheid en dat Mededogen afhankelijk waren van de beperkingen gebonden aan het beoefenen van de moeilijke praktijken, kon men niet meer over ‘oneindig’, d.i. ‘onvoorwaardelijk’ spreken. Dat zou met zich meebrengen dat hetgeen Shakyamuni en alle boeddhistische wijzen en leraren ooit verkondigd hadden, de mensen op een vals pad moest leiden. Maar dergelijke idee was voor Shinran te veel. Men kan aan alles twijfelen, maar niet aan de Oneindige Wijsheid en het Oneindig Mededogen van het Oneindige Boeddhaschap!

Er moet dus een ander Pad zijn dan het Pad der Wijzen. Het is weer Taoch’o: naast het Shodomon bestaat er ook een Pad voor de Niet-Wijzen, voor de gewone mensen. Dat Pad is de Gelofte-Kracht van Amida’s Mededogen, het Pad van het Reine Land, Jōdomon. Dit Pad van het Reine Land bezigt dezelfde bewoordingen als het Pad der Wijzen, maar de oriëntering is anders. Wijsheid, Moraliteit en Concentratie zijn hier niet meer jouw bekommernis noch jouw praktijken: je ontvangt ze vanuit het Oneindige Boeddhaschap in één enkel pakket - shinjin. De praktijken zijn in het eindeloze van de tijd reeds vervuld door Amida Buddha. Het Licht van het Boeddhaschap omvat je en laat je niet los. Je bent ontvangende, niet ‘werkende’ partij. Het is eigenlijk ongelooflijk!

(wordt voortgezet)

(2) Vierde patriarch van het Shinboeddhisme. 552-645.

Ekō 54
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home