De Samsarische Illusie

Agnes Myoshu Jedrzejewska

Ik heb al dikwijls de gelegenheid gehad kritische opmerkingen te horen over personen die de Dharma uitdragen. Men bekijkt en evalueert de boeddhistische leraar en meester, dan vindt men hem ontgoochelend vanaf het moment dat men in of aan hem iets ontdekt dat niet klopt met het ideaal dat men in hem wil zien. Ik wil nu proberen dergelijke attitude te analyseren.

De fundamentele illusie in zo een geval betreft de relatie tussen de boeddhistische leraar aan de ene kant en het Boeddhaschap zelf aan de andere kant. Ik besef maar al te goed dat wanneer ik in de tempel over de Leer spreek, de woorden die ik gebruik in feite niet mijn eigen woorden zijn, maar de Leer van de Boeddha die ik mijn best doe over te brengen; dit is evenwel zowel voor mijzelf als voor mijn toehoorders een leren. Ik kan mezelf niet voorstellen als de auteur van de Dharma-uiteenzettingen die ik geef. Ook ik ben eigenlijk een toehoorder en ik heb geenszins de indruk dat ik 100 % overeenstem met hetgeen ik zeg of schrijf over de Leer. Verre van daar!

Moest ik volledig overeenstemmen met hetgeen ik over de Dharma zeg of schrijf, dan betekent dat: “Ik ben Boeddha” - en die aanspraak kŕn ik niet maken. Bij een Dharma-uiteenzetting is de enige spreker de Dharma zelf. Iedereen, ook de spreker, is luisterend student. Elk moment dat ik mijn uiteenzettingen uitspreek of schrijf, ben ik mede-toehoorder van de Boeddha. En hoe vaak ben ik zelf niet verrast geworden door hetgeen ik uitsprak!

Het is een bijzondere vrucht van het karma dat men rechtstreeks, persoonlijk door een leraar als Shakyamuni Buddha onderwezen wordt. Maar voor de meesten onder ons is dat nu eenmaal een onmogelijkheid. Maar dat betekent niet dat men afgescheiden blijft van de Leer! De Buddha-Dharma is in alle mogelijke manieren overgebracht geworden. En één van die manieren zijn de Shinjin-mensen.

De ‘mensen van shinjin’ zijn geen boeddha, alhoewel zij toch - in zekere zin - rechtstreeks naar de Boeddha hebben geluisterd en de verzekering hebben vroeg of laat, maar eerder vroeg dan laat, boeddha te worden. Die mensen hebben het vermogen hun leven en zelfs andermans problemen doorheen de Nembutsu te zien en te beleven zoals de Boeddha. Maar doordat ze nog steeds samsarische schepsels zijn, kunnen zij niet handelen zoals de Boeddha, want dit is samsara! Ook de ‘mensen van shinjin’ leven het samsarische leven ofschoon hun gemoed gereinigd is geworden en klaar is voor de laatste transformatie. Om het Boeddhaschap te verwezenlijken volstaat het niet het grootste deel van de Dharma te begrijpen; ook onze bonnō, al onze bonnō’s dienen uitgeput en vervangen te zijn door de verdiensten van de Boeddha. En de ‘mensen van shinjin’ zijn nog niet zover. En dat maakt ze fundamenteel verschillend van de Boeddha.

In het Shinboeddhisme hebben we deel aan de verdiensten van de Boeddha door het uitspreken van zijn Naam. Boeddha verandert onze bonno’s en stelt ons gemoed in naar analogie met zijn gemoed. Deze omvorming is voor ons de enige mogelijkheid spiritueel te leren en te groeien. Maar doordat we geen Boeddha zijn, kunnen we niet handelen als Boeddha. En dat hoeft men van ons ook niet te verwachten.

Wat voor een autoriteit op welk gebied ook we zijn, welke hoge functie we bekleden in de hiërarchie van de Jodo-Shinshu of in de maatschappij, wij zijn nog geen boeddha. We begaan vergissingen, we zitten met karmisch geconditioneerde emoties, we reageren zoals het gros van de mensen, niet zoals de Boeddha. Zelfs moesten we perfect alle leringen van de Boeddha kennen (maar dat is vooralsnog onmogelijk), toch blijven we onze menselijke bonno’s meeslepen en zijn we emotioneel en fysisch in de onmogelijkheid te handelen als Boeddha.

Shinran Shonin heeft meer dan eens erkend dat hij samsara aantrekkelijk vond, maar hij erkende meteen ook de illusoire waarde van die bekoring. Hij begreep de Leer en realiseerde de noodzaak van de menselijke individualisering. Enkel door een individuele benadering van het Boeddhaschap kan men zijn gemoed omvormen en samsara achter zich laten. Zolang je de Leer niet aanvoelt als jouw weg, jouw manier de wereld en jezelf te ervaren, blijft er de gapende barst tussen je boeddhistische kennis en hetgeen je werkelijk bent. Je perceptie van de Leer blijft theoretisch en er verandert niet veel in je leven. Shinran Shonin raadde aan niet te zeer belang te hechten aan het navolgen van alle voorschriften uit de Dharma, maar rechtstreeks, via de Nembutsu, de Boeddha te benaderen. Door het ‘horen’ van de Nembutsu realiseer je de illusie van samsara en ook je eigen schijnheiligheid, je eigen mogelijkheden en onmogelijkheden, en hoe dat je ermee kan afrekenen.

Indien we op de juiste manier met de Nembutsu omgaan, dan denken we niet dat we ons leven en de wereld rondom ons aan het verbeteren zijn. Het volstaat dat we al die tijd bezig zijn iets proberen te begrijpen van wie wij zijn en wie de Boeddha is. Dat is onze levenslange taak. Ze is fascinerend. Moesten we, in plaats van te luisteren naar de Boeddha, proberen de dingen rondom ons te verbeteren, dan zouden we snel in een verwarrende frustratie terecht komen.

Deze verwarring wordt niet veroorzaakt door de Boeddha of door een Dharma-overdracht, maar door onze menselijke samsarische wijze van denken. Wij mensen, wij houden van samsara. Wij zijn mensen precies doordat we van samsara houden. Weliswaar bevalt het samsarisch lijden ons allerminst, naar we profiteren volop van de samsarische geneugten om mensen te zijn. Een van onze basisillusies is ons geloof dat samsara kan verbeterd worden en dat ons samsarisch bestaan ooit eens goed zal zijn. Heel wat mensen hebben hun leven gelaten voor dat ideaal. Heel wat mensen beginnen naar de Dharma te luisteren enkel om hun levensomstandigheden, de maatschappelijke situatie, de planeet Aarde te verbeteren…

En terwille van dit basisgeloof ‘samsara te verbeteren’ steken veel van ons meer energie en tijd in “goed te doen” dan in een degelijke Nembutsu-praktijk. Zo proberen de “goed-doeners” te verbeteren wat niet verbeterd kan worden, in plaats van te streven naar een juist standpunt.

Zonder een ware Nembutsu-instelling kan niemand in oprechtheid de menselijke egocentriciteit realiseren. De “goed-hartigen” en “goed-willenden” geloven daarbij dat ze zich voor “de andere” inzetten, dat ze voor “de andere” zorgen, dat ze voor “de andere” het juiste doen. Maar zonder het Licht van de Boeddha kan niemand inzien dat de menselijke beperking eigenlijk niets anders is dan naar zichzelf te staren, dan het goede voor zichzelf te doen en voor zichzelf te zorgen onder het bewuste of onbewuste mom dat allemaal voor “de andere” te doen.

Shinran Shonin realiseerde zich deze wrede werkelijkheid en ontdekte daarop “dat Amida uitsluitend voor mij, Shinran, zijn Geloften heeft afgelegd.”

In het Licht van de Nembutsu kunnen we zien dat al onze inspanningen, naar het goede zowel als naar het slechte, slechts één enkele bedoeling hebben: onszelf beter te voelen. Zo willen we dat ons gezin een goed gezin Is, dat we er geen last mee hebben. Wanneer we iemand beminnen, willen we dat die persoon ons terwille is en we worden treurig of boos of jaloers wanneer die persoon niet aan onze verlangens beantwoordt. We verkiezen Dharma-leraars die ons bestaan comfortabeler maken, maar we bekritiseren ze als ze niet met onze verlangens overeenstemmen of ons wijzen op vervelende problemen. We bestempelen de Dharma als niet goed genoeg voor ons wanneer we iemands leven nemen als voorbeeld van mogelijke gebreken van de Dharma.

Maar wat kunnen we weten over iemands leven? We begrijpen meestal niet eens ons eigen leven. We willen blijven zoals we zijn, maar we willen wel dat rondom ons enkel bodhisattva’s ter beschikking staan. Misschien denken we niet bewust zo, maar we handelen op die manier. Verbetering zoeken rondom ons in plaats van onszelf te verbeteren, betekent anderen te zoeken die ons leven moeten verbeteren. We stellen in het bijzonder harde eisen voor personen gekend voor hun spirituele begaanheid. We trekken ons niets aan van het verschil tussen onze behoeften en hun mogelijkheden. Het is duidelijk dat gewone samsarische mensen handelen voor hun samsarisch welzijn, terwijl de mensen die religieus betrokken zijn handelen met het oog op verlichting. De bedoelingen zijn verschillend, de handelingen zullen tegenstrijdig zijn. Waarom verwacht de samsarische maatschappij dat religieuze mensen ‘vlot’ zouden zijn en nuttig voor samsara? Ondanks dit verlangen, is er geen enkele grond voor. Kijk naar de geschiedenis van de mensheid: 1) Shakyamuni Buddha verliet zijn gezin op zoek naar zijn eigen religieuze ervaring; zijn familie was er boos om en vanuit het maatschappelijke standpunt was hij geen ‘goed mens’; 2) Jezus Christus was zo een onruststoker voor de Joodse gemeenschap dat hij moest gedood worden; 3) Mohammed was verplicht uit Mekka te vluchten om niet vermoord te worden door eigen volk; 4) Shinran Shonin werd als misdadiger door de Japanse overheden van zijn tijd veroordeeld tot ballingschap; 5) de Dalai-Lama blijkt voor de Chinese regering een gevaarlijk personage te zijn…

De samsarische mensen zijn bereid het religieuze, om het even van welke aard, te aanvaarden als een (cultureel of sociaal?) ornament van samsara, iets dat de mensen een beter idee van zichzelf bezorgt: “Religie maakt de mens menselijker!” Dat is het samsarische standpunt.

De ware religieuze verwezenlijking biedt geen ‘vlotte’ voorbeelden. Wie verkiest menselijk te zijn, kan geen boeddha zijn. Men dient zich eerst te realiseren hoe vreselijk de menselijke situatie wel is (3). Zolang er geen nembutsu-praktijk is, blijft het moeilijk en lastig je eigen menselijke conditie te zien. Zonder inzicht in bonno kan niemand inzicht krijgen In het Boeddhaschap.

Shinran Shonin wordt in het Westen vaak bekritiseerd omdat hij het samsarische menselijke ideaal van de ‘heilige’ afgewezen heeft. Hij verliet het klooster, huwde tweemaal en verliet tweemaal zijn vrouw; hij werd jaren gezien als een misdadiger; hij was, net als zoveel religieuze mensen, een onruststoker en een lastpost hinderlijk voor het maatschappelijke bestel. Dat is allemaal waar! Hij heeft al die ‘vreselijke’ dingen gedaan. Hij heeft ze gedaan omdat hij wilde weten wie hij was en hoe het Stralende Aangezicht van de Boeddha is. Hij wilde zelfs niet nagevolgd worden, omdat hij geen reden vond dat enig karmisch wezen dient nagevolgd te worden. Enkel de Boeddha moet gevolgd worden.

Beseffend dat om naar de 8oeddha te luisteren hij diende te schrijven over de Dharma, verliet hij uiteindelijk zelfs Eshin-ni. Hij schreef niet met het oog op de gehele mensheid; hij schreef om de zaken voor zichzelf duidelijk te maken. Hij was de eerste student van zijn eigen geschriften (4). Sedertdien hebben mensen zijn teksten nuttig gevonden omdat ze de kracht van de Leer uitstralen, de niet persoonsgebonden Dharma. Een ‘mens van shinjin’ is niet noodzakelijk een ‘theoloog’ of een diepdenkende filosoof; hij is een luisteraar. Op dit niveau valt niet na te denken. De Dharma is om naar te luisteren en naar te leven.

Enkel de juiste Nembutsu-praktijk biedt ons de mogelijkheid naar de Dharma te luisteren. Enkel op die wijze beseffen we dat hetgeen we doen, wij dat doen voor onszelf. We denken misschien dat we het doen voor iemand anders, voor de mensheid, voor de planeet, voor de Dharma, voor de Boeddha… In waarheid werken we enkel voor onszelf. Deze zelf-beperking is absoluut gekoppeld aan de samsarische aard van ons bestaan. Wij leven met anderen in interactie en interrelatie, maar bij het beschouwen van anderen, zien we in waarheid enkel onszelf. De beperkingen eigen aan de menselijke geest laten ons zelfs niet toe een tweede persoon te begrijpen, om het even wie hij of zij is.

Zelfs wanneer we ons inspannen de teksten van Shinran Shonin in hun intellectuele finesse te begrijpen in plaats van naar de Nembutsu te luisteren en shinjin te verwerkelijken, verspillen we onze kostbare tijd. Als we het in samsara te druk hebben om aan shinjin te denken, besteden we onze levenstijd aan illusoire doelen, en ook dat is verspilling van tijd en energie. Maar wie die zo druk bezig is met samsara, kan of wil daarop ingaan?

Namu Amida Butsu

(3) Op het ogenblik dat deze lijnen verschijnen, kennen we heel wat ‘menselijke’ situaties: in Bosnië-Herzegovina, in Somalië, in Ethiopië, In Irak, in Georgië, Bangladesh…

(4) Bijv. Kyogyoshinsho is hij zijn leven lang blijven herwerken en herschrijven, tot in zijn laatste dagen!

Ekō 54

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home