Zelf En Niet-zelf

Danielle Girardin

In de literatuur rond Zen heb ik ooit volgende uitspraak van een leraar gelezen: “Als een leerling komt en hij spreekt over het zelf, dan begin ik over het niet-zelf. Als een leerling komt en hij heeft de mond vol over het niet-zelf, dan richt ik zijn aandacht op het zelf.”

De zelf-niet-zelf paradox blijft inderdaad de kern van de Dharma. Het is de scharnier waarrond alle boeddhistische filosofieën, meditatieve praktijken, verhalen en dergelijke uiteindelijk draaien. De zelf-niet-zelf paradox is een bron van verwarring - én van bevrijding.

Verwarring begint wanneer een van beide polen benadrukt wordt ten koste van de andere pool. In boeddhistische middens bestaat uiteraard eerder de tendens om zich aan de idee van het niet-zelf te hechten en om uitspraken te doen als: “Er is geen zelf”. Maar dit is slechts een halve waarheid. De uitspraak “Er is geen zelf” is enkel betekenisvol in haar volledige context, namelijk: “Er is geen zelf; er is geen niet-zelf”, waarbij we moeten bedenken dat ook deze uitdrukking geen absolute metafysische stelling is, maar een poging om in taal iets uit te drukken dat zich alleen in de ervaring op een directe wijze kan voordoen.

Want subjectief is er natuurlijk wél een zelf. We beleven het eigen bestaan vanuit een centrum, waarvoor we de woorden “ik” of “zelf” gebruiken. Dit wil uiteraard niet zeggen dat dit centrum zich zou voordoen als een vaste, onveranderlijke kern, maar wel als een continuďteit-in-beweging. Zonder deze continuďteit in de beleving van zichzelf en de anderen zou ons gedrag uiteenvallen tot chaos, de dagelijkse gang van het leven zou zonder meer onmogelijk worden. Als nama-rupa zijn we immers een persoon, met een specifiek lichaam, met een unieke persoonlijke geschiedenis, met capaciteiten die we ontwikkeld hebben en andere waarmee we niets gedaan hebben, met een verzameling relaties naar anderen toe, met taken en verantwoordelijkheden waarvan we sommige met plezier verrichten en waarvan er andere op onze zenuwen werken, met fantasieën en verlangens die we in de wereld vorm geven en andere die we vergeten zijn sinds onze kindertijd.

Al deze fenomenen maken dat we ons wel degelijk als een zelf beleven, als een continuďteit-in-beweging.

We moeten niet te vlug de pool van het zelf verwaarlozen, als ging het alleen maar om een illusie. Ook illusies zijn reëel. Ook illusies bepalen mee de vorm die ons leven aanneemt. Het zelf is een noodzakelijke illusie.

Deze noodzakelijke illusie is tevens ons bombu-schap. We zijn niet spiritueel onvermogend omdat we geen moeilijke praktijken kunnen verrichten, ons niet aan regels kunnen houden of geen ongehoorde vermogens kunnen ontwikkelen. Want met geduld en wilskracht kunnen we dit wel, de een al wat gemakkelijker dan de ander. Ons spiritueel onvermogen is niet een gebrek aan kundigheid of daadkracht. Het is inherent aan ons bestaan, we zijn noodzakelijk bombu. Maar het bombu-schap is geen blinde muur. Het zelf is geen zwarte vlek. Want op de bodem van het spirituele onvermogen, daar waar een zelf op zijn eigen uitputting stoot, rijst tegelijk Ander-Kracht op.

Het is in deze zin dat een ‘zelf’ de kiem tot bevrijding bevat, niet als zelf-transcendentie, maar als spontane vervulling van de eigen aard.

Want we zijn tegelijk bombu en Boeddhaschap, we zijn tegelijk geroepen tot het dwaze en tot wijsheid, tot egocentrische hakarai en tot mededogen. Want het een is niet in tegenspraak met het ander. Ons bombu-schap zelf is de noodzakelijke vorm die de beleving van het Boeddhaschap mogelijk maakt.

Namu Amida Butsu.

Ekō 54

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home