De Naam Is Namu Amida Butsu (17)

Shitoku A. Peel

Hakarai: Zorgen en Berekeningen (2)

Het is dan ook via dit Pad van het Reine Land dat Amida’s Mededogen – of noem het Gelofte-Kracht of Natuurlijkheid of Verdienste-overdracht – elk van ons, elk wezen wat of hoe het ook moge zijn, tot de Geboorte in het Reine Land brengt. En als je het zó bekijkt, lijkt het allemaal erg eenvoudig. Wat is dat Pad van het Reine Land toch een gemakkelijke manier om van alle lijden verlost te worden! De Boeddha doet immers alles… Helaas: maar zó eenvoudig, zo gemakkelijk is het niet. Want wij (d.i. ‘ik’) zijn er ook nog. En tegenover de natuurlijke werking van Amida’s Gelofte-Kracht stellen wij onze fundamentele onwetendheden op. Het is alsof we ons afsluiten, ons verbergen voor het licht van Wijsheid en Mededogen.

Bovendien ‘zitten’ we met ‘onze’ natuurlijkheid of datgene wat we voor ‘onze natuurlijkheid’ houden. We beelden ons in dat we ‘natuurlijk’ handelen wanneer we de impulsen eigen aan ons bestaan van begeerte, haat en verdwazing involgen. We zijn maar al te vaak geneigd te denken dat ‘onze’ natuurlijkheid erin bestaat de verlangens en de angsten van ons gemoed, van ons ego te verwezenlijken. We noemen dat zelf-bevestiging, ik-ontplooiing, assertiviteit. Dan wanneer het eigenlijk niets anders is dan een ego-tripperige ambitie. Onze bevlekkingen (Skr. klesa, Jap. bonnō) zijn heer en meesters over ons bestaan. Het is beslist niet door het involgen van deze bonnō dat we baas in eigen gemoed worden. Beweren dat onze bonnō ons ware en werkelijke zelf zijn, dat is slechts een ego-illusie temeer.

Met de illusie dat we íemand zijn, dat we het centrum van de wereld zijn vermits al wat bestaat rondom ons draait, onderlijnen we dat we dat allemaal veel veel beter weten dan die Boeddha van jullie.

We willen bezig zijn. Actief. Dynamiek. We willen doen. Ons eigen lot in eigen handen nemen. Zelf-verdienste. Spiritueel miljardair worden. ‘Heb je gezien hoe heilig ik ben!’ We kunnen niet duiden dat Boeddha’s licht schijnt ‘helderder dan zon en maan, helderder dan het wonderjuweel…’ Mijn licht moet helderder zijn, het helderste. Daarom sluiten we alle luiken om elk licht buiten te houden. We willen zelfs niet weten dat er licht is, ‘… helderder dan het wonderjuweel dat alle wensen vervult…’ (1). Het licht van de Boeddha vervult niet al onze wensen en verlangens. We kunnen zelfs niet in het licht van de zon kijken; laat staan dat we met onze bonnō-ogen in het Hinderloze Licht zouden staren.

Om al die redenen en vooral om onze zelfgenoegzaamheid, willen we alles zelf, door onszelf en voor onszelf doen, volgens onze persoonlijke middelen en plannen, volgens onze individuele bekommernissen. En waarlijk: heel wat kunnen we zelf doen. Geld verdienen, studeren, een boek schrijven, kilometers joggen, een biertje drinken, de auto wassen, erwtjes doppen. Daarmee heeft de Boeddha niets te maken. Maar bovendien zijn we zo pretentieus dat we mordicus beweren dat we mordicus ons eigen nirvana willen veroveren.

Beschikken we over de middelen daartoe? Hooghartig beweren we van wel. Wortelend in de fundamentele onwetendheid over onze ware en werkelijke natuur - die leegheid is – gebruiken we onze bonnō dan maar als motiveringen. We noemen dat ‘libido’ of ‘geldingsdrang’ of zo iets… We maken gebruik van onze persoonlijke begeertes, van onze individuele gevoelens van afkeer en haat, van onze verdwazing naar macht en rijkdom en eer en intellectuele weelderigheid.

Het is dan ook geen mirakel dat we gedoemd zijn te mislukken en onvermijdelijk terugvallen in smart, begoocheling, misleiding, pijn, wanhoop. Als boeddhisten weten we dat er geen permanent zelf kan zijn. Hoe kunnen we ons dan nog voorstellen dat we juist die zelf-kracht zouden opleveren om zelf-verwezenlijking te bereiken?

En hoe kunnen we ooit vergeten dat verlossing, bevrijding, heil, Verlichting, nirvana, Geboorte in het Reine Land niet die van ons, niet die van mij is? Wat wij onze verlossing uit de kringloop van geboorte-en-dood noemen, onze Verlichting, onze Geboorte, dat is geen verlossing, geen Verlichting, geen Geboorte van iets zoals ‘wij’ of ‘ik’. Indien er verlossing is, dan is dat de verlossing voor alle wezens zonder onderscheid, de verlossing van alle wezens hoe ontelbaar ze ook zijn. Maar dat is de verlossing verwezenlijkt door Namu Amida Butsu sedert het tijdloze begin van de beginloze tijd. Dat is immers de werkzaamheid van het Boeddhaschap. Dat is geen punctuele ‘genade’, maar de universele en noodzakelijke Verlichting van alle wezens.

(1) Uit Sambutsuge (Groot Sutra, 1).

Deze éne en absolute Verlichting kan niet opgesplitst worden in ontelbare kleinzielige persoonlijke verlossinkjes.

Het ware beeld van verlossing, van nirvana is Namu Amida Butsu.

Het beeld van niet-verlossing is ons individuele ego-gerichte bezig-zijn-met mezelve, ons alles-beter-weten, waarbij we onze opgeblazen bonnō opstellen als zovele challengers van het Licht van Mededogen.

Hoe sterk zijn die bonnō van ons? Daarbij moeten we bedenken dat ook ons verlangen naar Geboorte in het Reine Land (yokushō) eigenlijk ook een vorm van bonnō is. We willen ons lekker voelen In het Reine Land. ‘Feel fine in Jodo’ zou onze slogan kunnen zijn. Maar ook dit verlangen - hoe nobel, hoe subliem ook - is uiteindelijk slechte een activiteit van onze ik-geest.

En verlangen wij wel écht naar die Geboorte? Ik durf daaraan te twijfelen. Die geboorte is een fraaie geestesconstructie, ‘ein Gedankengebäude” zoals de Duitsers dat zo goed kunnen uitdrukken. Een hoopvol perspectief, maar tegelijkertijd zijn we er toch bevreesd voor. Of we de Geboorte nu situeren op het ogenblik van shinjin of op het moment van de dood, we blijven liever hier voortploeteren met onze bezigheden, ons gezin, onze zaak, onze gezondheid, ons geld, onze nieuwe wagen. De idee van Geboorte in het Reine Land is storend.

Zelfs Shinran had er problemen mee. Lees eens het 9de hoofdstuk van Tannisho om te ontdekken dat je niet alleen bent met je bevreemding. Ook Yuien-bo en Shinran zelf konden geen gat in de lucht springen bij de gedachte aan Geboorte:

“Het is moeilijk dit oude huis van lijden te verlaten. Wij hebben er rondgedoold van de ene geboorte naar de andere… We voelen niet meer het verlangen naar het Land van Vrede waarin we zullen geboren worden. Zo verblindend en overweldigend is ons begeren.”

Waarom blijven we dan zeggen dat “verlangen naar Geboorte” één van de Drie Gemoedstoestanden is (2)? In het hoofdstuk over Shinjin (KGSS III) lezen we:

“Verlangen naar Geboorte [in het Reine tand] is de roep van Tathagata tot de vele menigtes van levende wezens… Het gemoed van oprecht verlangen naar geboorte wordt aldus geschonken aan de oceaan van wezens. Het verlangen naar geboorte is het gemoed van verdienste-overdracht. En vermits dit het Gemoed van Groot Mededogen is, is het niet door twijfel bezoedeld.”

(2) Zie Kyogyoshinsho III, 18-39 en VI, 15.

Eigenlijk zouden we dit liever niet weten. In plaats van onze eigen berekeningen en plannen op geestelijk vlak kwijt te geraken, zelfs in plaats van steeds maar bewuster te worden van de aanwezigheid in ons bestaan van bonnō en hakarai (berekeningen, bekommernissen), gaan we gewoon voort met ze te koesteren, te voeden, op te blazen omdat wij geloven dat ze onze ware persoonlijkheid zijn.

In plaats van elke open plek in ons gemoed in te vullen met Amida, vullen we de laden en vakjes en dozen van ons gemoed met onze ik-problemen en onze ego-berekeningen. Ons opbergvolume (ons bewustzijn) wordt aldus de uitdrukking van onze conflicten, van onze ontgoochelingen, van onze aversie, van ons dorsten en van onze zelf-misleiding.

Onze hakarai ontstaan noodzakelijkerwijze uit onze bonnō. Zij zijn onze hard drugs, onze vergiften, onze kankers. Wij menen ze te gebruiken om andermans bestaan moeilijker te maken, maar vergeten hierbij dat wij ze onophoudelijk in ons eigen gemoed infuseren.

De enige uitweg die ons overblijft en die we aankunnen, dat is stilletjes-aan, heel stilletjes-aan en geleidelijk, maar ook (vooral!) in de kleine dingen van het bestaan, de vormen van ons ego-gericht denken te situeren, te beheersen en ze voorzichtigjes tot nul te herleiden. Het grote probleem is bewust te zijn van dit ego-gericht denken. Immers: elk van ons zal ten stelligste ontkennen zo een ‘schadelijk’ ego-gericht denken te hebben.

En dat nul-punt, waar ligt dat? Eerlijk, ik denk niet dat we ooit zo een nul-punt kunnen bereiken. We zijn geen heiligen. We zijn geen wijzen.

Maar op een zeker ogenblik zullen we waarschijnlijk voelen dat het al maar gemakkelijker en eenvoudiger wordt op de Boeddha te rekenen dan op onze eigen constructies. We worden dan ook rustiger, zekerder en betrouwend over onze verdere levensloop. We zijn het probleem kwijt. Het is terechtgekomen waar het thuishoort: bij de werking van Amida’s Gelofte-Kracht, in de oneindige oceaan van het Grote Mededogen. En het is alsof we kunnen drijven op deze oceaan, alsof iemand ons plots de reddingsboei omgordt zodat we vlotter kunnen omgaan in onze oceaan van jammer en ellende. Die iemand is Amida, de reddingsboei is de Universele Gelofte van de Ander-Kracht. Heel dat heilsproces is de zaak van Amida Buddha. Dat is zijn hakarai, zijn plan, zijn gelofte, zijn activiteit.

Om nog even iets uit Tannisho (3) te lezen:

“… Wanneer wij ertoe komen in volle vertrouwen de nembutsu uit te spreken zonder enige twijfel dat we zullen bevrijd worden door het Mededogen van Amida, dan zullen wij ook uitbreken uit deze wereld van geboorte-en-dood. Dat op zichzelf is reeds de werking van Tathagata. Wanneer we tot dat besef komen, dan nemen we afstand van onze eigen inspanningen en berekeningen. Zo ook komen we tot harmonie met de Gelofte, uitgesproken vóór alle tijden en zullen we geboren worden in het Ware Land van Vervulling.”

Woorden van Meester Shichiri

(1835-1900)

naar de vertaling door Arai Toshikazu

Meester Shichiri zei: “Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik heb het te druk om uiteenzettingen over de Leer bij te wonen; ik zal naar de tempel gaan wanneer ik met mijn werk klaar ben en over meer tijd beschik.’ Die lui zijn zoals iemand die wenst een rivier over te steken, vóór die rivier blijft staan en wacht totdat het water ophoudt te stromen. Vermits het stromen van het water nooit ophoudt zal dat ‘werk’ nooit klaar geraken. Er verschijnt immers meer werk zelfs voordat de helft van de onderneming klaar geraakt. Wanneer je inderdaad die rivier moet oversteken, dan waad of zwem je doorheen het opkomende water. Wanneer je inderdaad naar de Leer wil luisteren, dan trek je naar de tempel zelfs al moet je je verbintenissen en afspraken verwaarlozen. Je zou zelfs extra tijd moeten maken om iets op te vangen van een Dharma-uiteenzetting die je gemist hebt. Rennyo Shonin zei: ‘Je zou naar de Leer moeten luisteren al moest je je dagelijkse bezigheden laten vallen. Het is verkeerd te denken dat je naar de Leer kan luisteren zomaar tussen je dagelijkse bezigheden door.’

Meester Shichiri zei: “We kunnen het goede niet in onszelf voortbrengen door onze eigen inspanningen. Maar wanneer we geleid worden door Namu Amida Butsu, kunnen we niet anders dan niet afgeleid worden van het morele pad, net zoais treinen op de rails getrokken worden door een locomotief. Maak het voor jezelf zeker dat je voortgetrokken wordt door de locomotief Namu Amida Butsu.”

(3) Hoofdstuk 11.

Ekō 55
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home