Editoriaal- Moeilijk?

Men hoort vaak - al te vaak - zeggen dat het boeddhisme een verdraaid moeilijke religie is, dat enkel een intellectuele elite die leer aankan en dat de gewone burger en Jan Modaal uit de boot vallen.

Bij dergelijke opmerkingen heb ik verscheidene bedenkingen.

Eerst dat, in de veronderstelling dat er in de wereld 300 miljoen (sommigen tellen er 800 miljoen) ‘boeddhisten’ zouden zijn, deze toch bezwaarlijk allemaal tot de intellectuele elite kunnen gerekend worden. Tijdens mijn verblijven bv. in Japan en Thailand heb ik ruimschoots de gelegenheid gehad dit vast te stellen: er is daar even veel (of: even weinig?) intellectuele elite als bij ons. Zijn dan al die miljoenen slechts nep-boeddhisten? Nee: ofschoon niet elke Japanner of elke Thai een voorbeeldig ‘boeddhist’ is, viel me toch op dat heel wat van die mensen in de Leer van de Boeddha een zeer diep vertrouwen hebben. Ik zou er zelfs anekdotes over kunnen vertellen moest ik een goed verteller zijn.

Tweede bedenking: de legende verhaalt dat toen Gautama Buddha pas de Verlichting had verwezenlijkt, hij wel degelijk de problematiek van die moeilijke Leerverkondiging doorzag. Vrezend dat de nieuwbakken Boeddha ervoor zou terugdeinzen de Dharma te verkondigen, kwam in hoogsteigen persoon de god Brahmā vanuit zijn hemel naar Bodh-Gaya gestormd om er de Boeddha te huldigen en hem te smeken toch de Leer, die goden en mensen zo broodnodig hebben, te verkondigen uit mededogen met de lijdende wezens. Gautama antwoordde hem daarop dat hij dat inderdaad zou doen “ook al was het maar voor die wezens die slechts weinig stof op de oogleden hebben.” Dus toch een elite?

Maar is het dan zo beschamend tot zo een elite te behoren? Bij ‘elite’ denken we natuurlijk aan miljonairs of aan Beverley Hills of aan de nomenclatuur of aan een of ander establishment of gerontocratie ergens ter wereld. Maar vormen niet alle kunstenaars, wetenschappers, dichters, filosofen, Getuigen van Jehova, componisten, Formule-1-rijders, informatici, mystici, … elk een soort elite?

En kunnen de ‘boeddhisten’ dan ook niet zo een soort elite vormen? De vraag laat ik liefst open.

Volgende overweging: de Leer van de Boeddha heeft zich bij zijn geografische verspreiding overal allereerst gericht tot een intellectuele elite. Dat was het geval in China, waar het boeddhisme vanaf de 2de/3de eeuw vooral de taoïstische intelligentsia aansprak. Dat was eveneens het geval in het 19de-eeuwse Europa: behoorden Max Müllar, T. W. Rhys Davids, Karl E. Neumann, S. Beal, E. Burnouf, H. Kern, L. de La Vallée Poussin, G. Grimm, Th. Tscherbatsky, H. Oldenbarg, E. Sénart, L. P. Minaeff, … dan niet tot een academische buddhologische ‘elite’ die waardevol werk heeft afgeleverd? Het zijn immers deze ‘elites’ die zowel in China als in Europa de interesse hebben opgeleverd waaruit een bredere belangstelling en kennismaking mogelijk is geworden.

Vierde overweging: dat wat het boeddhisme zo moeilijk, soms zelfs onverteerbaar maakt, dat is dat het ten opzichte van andere levensbeschouwingen zeer aparte stellingen inneemt. Stellingen die voor sommigen gewoonweg conflictueel zijn tegenover ‘onze’ algemeen-aanvaarde psychologische instellingen.

Neem b.v. het probleem zelf/niet-zelf waarmee zo veel mensen last hebben. Toegegeven: het is een taaie kluif, een duistere kōan, een aansporing tot interne zelf-moord. “Dus ik besta niet”. “Dus ben ik niets en niemand”. “Als ik geen zelf ben, waaraan kan ik me dan vasthouden?” Noteer en passant dat “dus ik besta niet” in se een verkeerde formulering is. Juister zou zijn “Dus het ‘ik’ bestaat niet” - maar deze finesse ontgaat velen.

In een maatschappij zoals de onze, in een cultuur die zich post-modernistisch wil noemen en waarin de enige overlevende godsdienst die van de ik-cultus blijkt te zijn, waar de ego-assertiviteit bezongen en aangesmeerd wordt - voor een paar duizend frank ‘krijg’ je massa’s cursussen en lezingen over ‘Wees jezelf” of erger nog “Durf jezelf te zijn’ - daar staat het boeddhisme onvermijdelijk in een duidelijke contramine.

Komt daarbij dan nog dat het westerse denken, sedert de Pre-Socratici, a.h.w. ontologisch gekleurd is en alle verschijnselen en ervaringen door een zijns-bril wil bekijken. De grote westerse vraag is nog steeds die van Hamlet: “To be or not to be, that’s the question.” Er is een zelf of er is geen zelf. Maar deze binaire redenering gaat boeddhistisch niet op. De Leer van de Boeddha is geen zijnsleer, is zelfs geen metafysica - maar de Leer van Verlossing uit het lijden hier en nu (beste lezer: lees en herlees de Vier Edele Waarheden!). Het boeddhisme wil in de eerste plaats empirisch, pragmatisch, efficiënt te werk gaan. Zijn methodiek doet uitsluitend beroep op praktische gegevens.

Zo b.v.: waar de Boeddha zegt dat er geen ‘zelf’ (Pāli attā, Skr. ātman) is noch binnen noch buiten de Vijf Groeperingen (Pāli khandha, Skr. skandha), daar doet hij geen ‘objectief-wetenschappelijke’ uitspraak over de ‘samenstelling’ van het individu, maar wijst hij vooral op het risico van gehechtheid aan of door die Groeperingen, die hij dan ook upadānakkhandha ‘Groeperingen van gehechtheden’ noemt. In zijn ogen gaat het hier dus om een ethisch verschijnsel, en zeker niet over een psychologische versie van een of andere Tabel van Mendeljev.

Bekijkt men het dilemma zelf/niet-zelf vanuit deze hoek, dan wordt het probleem beperkter en meteen helderder. Geen overbodige transposities meer naar een of andere metafysica, maar een praktische zij het ook spirituele gebruiksaanwijzing, een bevrijdende leefregel, een niet-ik-gedragslijn.

Vijfde overweging: Shinran laat ons duidelijk aanvoelen dat die zelf/niet-zelf dualiteit een overbodigheid is die haar oplossing natuurlijkerwijze vindt in Shinjin.

Shinjin is immers het gemoed (citta: attitude) waarin wat ‘zelf’ genoemd wordt (d.i. de lijdende persoon die lijdt vanuit zijn ego-denken jiriki) en wat ‘niet-zelf’ genoemd wordt (nl. de Boeddha-natuur, de Voortijdelijke Gelofte, de Ander-Kracht) hun dualiteit verliezen. Deze niet-tweeheid vindt zijn uitdrukking in de Naam (myōgō) Namu Amida Butsu.

Dus last met uw zelf/niet-zelf? Laat eerst dat ‘uw, mijn enz.’ vallen. Ontdek dan dat er geen conceptueel antwoord is dat ‘werkzaam’ kan zijn. De opheffing van deze problematiek: Namu Amida Butsu.

Of nog een andere moeilijkheid van het boeddhisme, in het bijzonder dan van het Mahayana. Dat is het beklemtonen van de relativiteit van alle ervaringen, van alle verschijnselen, van alle ‘dingen’ en hun ‘kenmerken’. Nagarjuna drukt velen de put in door te zeggen dat de absolute waarheid niet bereikbaar is via ons discursieve denken. Dus: geen absolute waarheid? Dàt heeft Nagarjuna nooit beweerd. Maar de machteloosheid van ons denken - dan wanneer wij er sedert millennia van overtuigd zijn dat het menselijke denken alles aan kan.

Niets waaraan je je ‘absoluut’ kan vasthouden? Je moet alles relativeren? Ook jezelf en je eigen gedachtenwereld? Alles relativeren: ook het kwade, het goede? Maar hoe weet je dan wat goed, wat slecht is? Waar zijn dan de normen waarmee je aan je leven een duidelijke zin ken geven. Met de Bijbel of de Koren in de hand kan je tenminste weten wat je moet doen.

Het relativistische boeddhisme schuift echter elk houvast door naar je eigen beslissing. Noem dat vrijheid… Maar je wordt geconfronteerd met je eigen existentie. Er is niets of niemand rondom je die voor jou jouw problemen oplost. Wel maakt men je leven nog gallig door te stellen dat je solidair aansprakelijk, karmisch aansprakelijk bent voor jezelf en voor alle wezens. Je wordt gewoon aan je lot overgelaten.

Al wat je zegt, al wat je doet, al wat je denkt, dien je te relativeren. Maar wat blijft er je dan nog over? Misschien is er hier of daar een psychoanalist die kan troosten met een verwijzing naar het afbreken of ontbreken van een vader-binding (of noem dat eventueel de God/mens-relatie…) in het boeddhisme.

Maar eens te meer ligt hier de eigenlijke problematiek in het hopeloos verwarren van de existentiële contingentie en de spirituele approach-procedure van het relatieve samsara en de absoluutheid van Oneindige Verlichting.

En weer het is in de Naam en enkel in de Naam dat via de natuurlijkheid van het Grote Mededogen, de spontaneïteit van de Voortijdelijke Gelofte en de vanzelfsprekendheid van de Ander-Kracht, dat het relatieve omgekeerd en opgenomen wordt in het absolute van het Boeddhaschap.

Een oplossing van het probleem van de relativiteit ligt precies in de essentiële irrelevantie van het probleem zelf. Denk hierbij - voor uw logische veiligheid - aan de noch… noch… propositie van het boeddhistische tetralemma: noch zelf noch niet-zelf. Waaroverheen dan het Ware Zelf: de Verlichting.

En om nogmaals te besluiten met de Myōkōnin Saiichi

Er is noch zelfkracht
noch Ander-Kracht
Er is enkel Ander-Kracht.

Dus: Namu Amida Butsu

Shitoku

Ekō 57

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home