Mattoshō (14)

Lamp voor Latere Tijden - Brieven van Shinran

Deze brief, door Kyōshin geschreven in 1258, is een uitdrukking van zijn inzicht aangaande de betekenis van het zich verheugen in shinjin en het gelijk zijn aan de Tathagata’s.

Shinran keurt de inhoud van de brief goed, maar brengt veranderingen aan in bepaalde zinnen: in deze vertaling worden de verbeterde woorden in subscript, de verbeteringen onmiddellijk daarop in superscript weergegeven. [nota van de webmaster: de verbeterde woorden in doorstreept, de verbeteringen in cursief.

Hieraan toegevoegd is een brief van Ren’i, die Shinrans commentaren over deze brief en over de lering dat de persoon van shinjin gelijk is aan Maitreya, weergeeft.

[van Kyōshin]

Eerbiedig leg ik U de volgende brief voor. Het sutra Groot Sutra van het Onmeetbare Leven (1) bevat de zin, ‘de persoon realiseert shinjin en verheugt zich’, en uw hymne een van de hymnen over het Boeddhaland gebaseerd op het Bloemenkranssutra verklaart:

De persoon die zich verheugt in shinjin
is gelijk aan de Tathagata’s; zo wordt het geleerd.
Groot shinjin is Boeddhanatuur
Boeddhanatuur is Tathagata zelf.

Niettemin blijken er onder de mensen van de enkelvoudige praktijk enkelen te zijn die dit verkeerd verstaan en zeggen dat de bewering door mede-beoefenaars, dat de persoon die zich verheugt in shinjin gelijk is aan de tathagata’s, een attitude van zelfkracht weerspiegelt en neigt naar de Shingon-leringen. Ik wens geen oordeel te vellen over anderen, maar ter eigen verduidelijking schrijf ik U over deze zaak.

Er is een andere hymne:

De persoon die waar en werkelijk shinjin verwezenlijkt
treedt onmiddellijk het stadium van de waarlijk gevestigden binnen.
Op deze manier het stadium van niet-terugkeren binnengetreden,
verwezenlijkt men noodzakelijkerwijze nirvana.

De uitdrukking ‘men verwezenlijkt nirvana’ betekent dat wanneer het gemoed van de persoon van waar en werkelijk shinjin op het einde van zijn huidige leven het Vervulde Boeddhaland bereikt, hij één wordt met het Licht dat het gemoed van Tathagata is. Daar zijn werkelijkheid Onmeetbaar Leven is en zijn activiteit onafscheidbaar is van Onmeetbaar Licht.

Dit blijkt de reden te zijn om te zeggen ‘Groot shinjin is Boeddhanatuur; Boeddhanatuur is Tathagata zelf’.

Volgens mijn inzicht komt dit overeen met de 11de, 12de en 13de Geloften. De vreugde in het kennen van het wonder en de weldadigheid van de Gelofte van Groot Mededogen, die Amida voor ons, wezens van karmisch kwaad, tot stand bracht, is grenzeloos en kan nooit volledig uitgedrukt worden, want ze gaat alle gedachten en woorden te boven. Reeds lange kalpa’s geleden - ver, ver terug in het beginloze verleden - hebben we onder een oneindig aantal Boeddha’s die in deze wereld verschenen het zelfkracht grote gemoed ter verlichting opgewekt, maar we hebben de verlichting niet verwezenlijkt onze zelfkracht heeft gefaald. Nu echter, geleid door de meedogende middelen van de twee wereldgeëerden (2) hebben we niet de minste intentie de diverse praktijken en disciplines te beoefenen, noch koesteren we enige gedachte aan zelfkracht en twijfel. Dank zij het Mededogen van de Tathagata Ongehinderd Licht, die ons omvat om ons nooit meer los te laten, verheugen we ons, volledig vrij van twijfel, en is de verwezenlijking van onze Geboorte gevestigd door het éénmaal uitspreken van de nembutsu in de nembutsu zelfs herleid tot één uiting. Nu dat ik me realiseer dat dit het mysterie van de Gelofte is, zie ik dat het allemaal voor mij alleen is: de Reine-Landschrifturen die ik onvermoeid lees en beluister, het voortdurende verlangen ware meesters te ontmoeten, omvatten om nooit meer los te laten, shinjin, nembutsu.

Door Uw gedachten te onderzoeken, volgens uw lering en vrij van subjectieve zienswijzen, heb ik de bedoeling van de Gelofte leren kennen, bewandel ik het Directe Pad en zal ik uiteindelijk het Ware Boeddhaland verwezenlijken. Al dit is nu vervuld in het uitspreken van de nembutsu in de nembutsu zelfs herleid tot één uiting en het waarlijk horen van de Naam. Hoe vreugdevol en hoe dankbaar voel ik me!

Ik vind ook de Geselecteerde Geschriften over de Leer van Amida (3) over het algemeen verhelderend in deze zaak. Niettemin, afgeleid door de zaken van het dagdagelijkse leven, ben ik soms urenlang verstrooid. Toch, of het nu dag of nacht is, het ontglipt mijn geest niet, en er is enkel de handeling van het verheugen in Amida’s Mededogen; er is enkel het diamantharde shinjin, of het nu wandelend, staand, zittend of liggend is, zonder enige gedachte aan de geschiktheid van tijd of plaats; er is enkel het zeggen van de Naam uit dankbaarheid voor Boeddha’s diepgaande weldadigheid en voor de vreugde verleend door de deugd van mijn meester weldadigheid van de meesters. De nembutsu is geen dagelijkse routine voor mij. Ik vraag me af of dit verkeerd is. Uitermate belangrijk zijnde voor mijn leven, is er niets dat dit overtreft. Wensend, indien mogelijk, uw volledig en gedetailleerd onderricht te ontvangen, heb ik iets neergeschreven van mijn gedachten. Alhoewel ik een hele tijd in Kyoto verbleven heb, was ik de hele tijd gehaast, zonder een moment rust; nu betreur ik dit en verlang ik boven alles terug te keren met als enig doel minstens vijf dagen bij U te zijn. Het ontroert mij te zeggen dat dit alles toe te schrijven is aan Uw weldadigheid.

Nederig geadresseerd aan de Shonin

Ren’i-bō: draag a.u.b. deze brief over

10de maand, 10de dag
Kyōshin

Postscriptum

Sommige mensen die de nembutsu zeggen voegen de woorden mugekō nyorai [Tathagata Ongehinderd Licht] in tussen uitingen van namu-amida-butsu. Dit wordt bekritiseerd door een persoon die beweert dat het zeggen van kimyō jinjippō mugekō nyorai [ik neem mijn toevlucht tot de Tathagata Ongehinderd Licht dat de tien richtingen vervult] in toevoeging tot namu-amida-butsu aanmatigend en pretentieus is. Hoe moet deze zaak verstaan worden?

[Shinrans antwoord]

Het is een grove vergissing te zeggen dat men mugekō butsu [Boeddha Ongehinderd Licht] niet mag zeggen in toevoeging tot namu-amida-butsu. Kimyō komt overeen met namu. Mugekō butsu is Licht; het is Wijsheid. Deze Wijsheid is Amida Boeddha zelf. Aangezien mensen de vorm van Amida Boeddha niet kennen, heeft Bodhisattva Vasubandhu, al zijn mogelijkheden uitputtend, deze uitdrukking gecreëerd om ons zo in staat te stellen Amida’s vorm met volkomen zekerheid te kennen.

Ik heb ook een klein aantal correcties in de bewoording van uw brief aangebracht.

[Ren’i’s antwoord]

Ik heb de inhoud van uw brief in detail aan de Shōnin meegedeeld, en hij verklaarde dat deze al bij al vrij was van vergissing. Hoewel, betreffende de bewering, ‘onze verwezenlijking van Geboorte is gevestigd door het éénmaal uitspreken van de nembutsu; ik realiseer me dat dit het mysterie van de Gelofte is’, gaf hij het commentaar dat alhoewel dit juist lijkt, de nembutsu niet gelimiteerd mag worden tot één uiting, en in de marge van uw brief maakte hij eigenhandig de aantekening dat deze passage onjuist was. Hij gaf mij de opdracht dit te doen, maar ik bedacht dat U zijn eigen geschrift een fascinerende verificatie zou vinden en ik spoorde hem aan, alhoewel hij op dat moment leed aan een hoest, het er zelf in te schrijven.

Ook dit nog: mensen die naar Kyoto gekomen zijn, rapporteren dat er debatten aan de gang zijn op het platteland. Zo vermelden zij bijvoorbeeld dat sommigen discussies aangaan betreffende het gelijk zijn aan Maitreya. Ik teken hier een passage op die de Shōnin over deze zaak heeft geschreven; ik hoop dat U ze zal lezen:

Verder, betreffende het gelijk zijn aan Maitreya: Maitreya is in het stadium gelijk aan verlichting; dit is het causale stadium van verwezenlijking. De maan wordt perfect vol op de 14de of 15de dag, het stadium van Maitreya komt overeen met de nog steeds half-gevormde maan op de 8ste of 9de dag. Dit is zoals de zelfkracht-praktijk. Wat ons betreft, alhoewel we dwaze wezens zijn, is shinjin gevestigd geworden en is ons stadium dat van de waarlijk gevestigden. Dit is het causale stadium van verwezenlijking, het stadium gelijk aan de verlichting. Maitreya’s weg is zelfkracht: de onze is Ander-Kracht. Alhoewel er dit verschil is tussen zelfkracht en Ander-Kracht, is het causale stadium van verwezenlijking gelijk. Verder, Maitreya’s verwezenlijking van de volkomen verlichting zal nog lang op zich laten wachten, maar wij zullen nirvana snel verwezenlijken. Hij verwacht de dageraad over 5 670 000 000 jaren; wij echter zijn als het ware enkel door een bamboevliesje ervan gescheiden. Onder de geleidelijke en de plotse leringen is de Zijne de plotse, de onze de plotse binnenin de plotse.

Nirvana is de volkomen verlichting. Tan-luans Commentaar spreekt over een boom die ‘Miraculeuze Groei’ wordt genoemd. Deze boom ligt gedurende 100 jaar ondergronds begraven, maar wanneer hij scheuten voortbrengt groeit hij 100 meter per dag. Net zoals deze boom 100 jaar ondergronds doorbrengt, verblijven wij in deze wereld in het stadium van waarlijk gevestigden. En net zoals hij 100 meter in één enkele dag groeit, zo is onze verwezenlijking van nirvana. Dit is een metafoor die ons de vorm van Ander-Kracht onthult. De groei van de pijnboom, die elk jaar slechts enkele centimeters groeit, ·is erg traag, en toont ons de vorm van zelfkracht.

Verder, betreffende het gelijk zijn aan de Tathagata’s: verlicht door het Licht van de Boeddha, verwezenlijken dwaze wezens vol van blinde driften shinjin en verheugen zij zich. Omdat zij shinjin verwezenlijken en zich verheugen, verblijven zij in het stadium van de waarlijk gevestigden. Shinjin is Wijsheid. Deze Wijsheid is de wijsheid die verwezenlijkt is omdat we omvat zijn door het Licht van Ander-Kracht. Boeddha’s Licht is eveneens Wijsheid. Dus kunnen we zeggen dat de persoon van shinjin en de Tathagata dezelfde zijn. ‘Dezelfde’ betekent dat zij in shinjin aan elkaar gelijk zijn. Het stadium van vreugde betekent het stadium in hetwelk mensen zich verheugen in shinjin. Vermits een persoon zich in shinjin verheugt, wordt van hem gezegd dat hij gelijk is aan de Tathagata.

Ik heb hier gekopieerd wat de Shōnin in detail geschreven heeft.

Ook dit nog: betreffende uw vraag over het uitspreken van mugekō nyorai samen met namu-amida-butsu heeft de Shōnin een gedetailleerd commentaar in de marge van uw brief geschreven; zodoende stuur ik deze naar U terug. Alhoewel de woorden verschillend zijn, of we nu Amida zeggen of mugekō, de betekenis is dezelfde, ‘Amida’ is Sanskriet en werd vertaald als muryōju [Onmeetbaar Leven] en mugekō [Ongehinderd Licht]. De woorden in Sanskriet en Chinees verschillen, maar hun betekenis is dezelfde.

Nu dan, wat betreft Kakushin-bō: ik was diep bedroefd door zijn dood, maar voelde ook grote waardering voor hem daar hij nooit afgedwaald is van shinjin. Ik vroeg hem dikwijls hoe zijn realisatie van shinjin was. Elke keer antwoordde hij me dat hij niet afgeweken was van shinjin en dat zijn realisatie sterker en sterker werd. Op weg naar Kyoto, nadat hij zijn eigen provincie verlaten had, viel hij ziek in een plaats Hitoichi genaamd en alhoewel zijn metgezellen hem aanraadden terug te keren, antwoordde hij: ‘Wanneer het een dodelijke ziekte is, dan zal ik sterven of ik nu terugkeer of niet. Als ik ziek moet zijn, zal ik ziek zijn of ik nu terugkeer of blijf. Als het dan toch eender is, wens ik te sterven aan de zijde van de Shōnin’. Zijn shinjin was waarlijk voortreffelijk, zo voortreffelijk en benijdenswaardig dat het me herinnert aan Shan-tao’s parabel van de twee rivieren. Op het punt te sterven, uitte hij namu-amida-butsu, namu-mugekō-nyorai, namu-fukashigikō-nyorai [Tathagata Ondenkbaar Licht], en zijn handen samenbrengend, ging hij rustig de dood tegemoet.

Of men nu achterblijft of voorafgaat, het is waarlijk iets droevigs door de dood gescheiden te worden. Maar degene die het eerst nirvana verwezenlijkt, legt zonder dralen de gelofte af diegenen die hem dierbaar waren eerst te redden, diegenen met wie hij karmisch verbonden was, zijn verwanten en vrienden. Zo zou het kunnen zijn en aangezien ik hetzelfde Pad van de Leer heb betreden als Kakushin, voel ik me ten zeerste gerustgesteld. Aangezien er wordt gezegd dat ouder en kind zijn een band is uit een vorig leven, moet gij U ook gerustgesteld voelen. Het is onmogelijk uit te drukken hoe ontroerend en indrukwekkend het allemaal was, daarom stop ik hier. Hoe kan ik er nog over spreken? Ik hoop er later veel meer over te zeggen.

Ik las deze brief aan de Shōnin voor om te zien of er fouten in stonden; hij zei me dat er niets aan toe te voegen was en dat het zo goed was. Hij was bijzonder ontroerd en weende wanneer ik aan het gedeelte over Kakushin kwam, want hij is diep bedroefd door diens dood.

10de maand, 29ste dag

Ren’i

Aan Kyōshin-bō

Vertaald door B. Van Parijs, naar de Engelse uitgave “Letters of Shinran”, Shin Buddhist Translation Series I, Kyoto 1978.

 (1) Daimuryōjūkyō.

(2) Namelijk Amida Buddha en Shakyamuni Gautama Buddha.

(3) Midakyō gishu, in 1 ch., van een onbekend Japanse auteur.

Ekō 57
Mattoshō

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home