De Naam is Namu Amida Butsu (19)

Shitoku A. Peel

De Myokonin (2)

Het grootste gedeelte van onze argumentering ligt op een zeer existentieel niveau. De meeste (maar beslist niet alle) Myokonins blijken te behoren bij de lagere sociale klassen. Sommigen waren ongeletterd, maar deze factor is niet doorslaggevend. Zo o.a. was Issa een ook in zijn tijd beroemd haiku-dichter die vaak met Bashō vergeleken wordt.

Wat echter wél een feit is, dat is dat elk Myokonin geconfronteerd werd met intense levensproblemen: ziekte, armoede, hard werken, vernederingen, gezinsproblemen, mislukkingen. Zonder uitzondering werden ze alle gedompeld in bestaansellende. Toch ondanks - misschien zelfs dank zij - deze druk voelden zij zich rijk en dankbaar. Hun biografieën vertonen een intense emotionele openheid en precies daardoor verwerft hun bestaan zin en rijkdom. En dankbaarheid voor dit leven en voor het Reine Land dat voor hen maar een bamboevliesje (zie in dit Ekō-nummer Shinrans 14de brief uit Mattosho) ver is.

Er is nog een ander kenmerk: het religieuze leven en in-leven van de Myokonins situeert zich niet in een institutionele structuur. Ze zijn a.h.w. Shinshu-freelancers… Ze zijn geen ‘priesters’. En ofschoon heel wat uit hun spiritualiteit een tempel als locus heeft, zijn ze vaak wat wij ‘antiklerikaal’ noemen. Hun religiositeit is niet beperkt tot erediensten en predikingen maar neemt geheel hun privé-bestaan in beslag: gezin, dorp, werkplaats. Immers de grote meerderheid van de Myokonins waarvan de biografie bewaard is, waren gewone, doodgewone leken.

De spirituele aanwezigheid van de Myokonins in de gemeenschap waarin ze leefden, is niet verbonden aan een officiële hiërarchie. Buiten het algemene kenmerk van een diepe eerbied voor de Hoofdtempel en de afstammelingen van Shinran, weten ze geen blijf met de Hongwanji-administratie. Ze zijn privé-personen die door in-nen (oorzaken en omstandigheden) tot een groep behoren en zich - in hun eigenheid - toch sterk met die groep verbonden voelen. Toch hoeden ze zich voor een geïnstitutionaliseerde religie. Men kan zelfs zeggen dat de meeste Myokonins eigenlijk nabij de rand van de heterodoxie geleefd hebben. Maar een ‘doctrine’ hebben ze nooit voorgesteld: in deze zin kan men stellen dat begrippen als orthodoxie en heterodoxie niet op de Myokonins toepasselijk zijn. Toch: alhoewel zij geen theorie geformuleerd hebben, zijn zij expressie van de Leer. Zij zijn levende illustraties van het Nembutsu-leven.

Zij hebben deelgenomen aan het parochiale leven van hun gemeenschap. Ze hebben deelgenomen aan de officies en soms zelfs in de tempel het woord gevoerd. Ze zijn met hun dorpsgenoten mee op pelgrimage getrokken naar Kyoto of naar de andere plaatsen waar Shinran Shōnin verbleven had. Maar het impact van Namu Amida Butsu is toch het sterkst geweest in hun domein van enkeling. Of - zoals dit in het Tibetaanse Boeddhisme wordt uitgedrukt - in hun “oog-in-oog-met-Amida-staan”.

In feite is het vaak zo dat de meeste van die Myokonins ons sterk herinneren aan die op eerste gezicht vreemde uitdrukking van Shinran, dat de Boeddha zijn Gelofte heeft afgelegd enkel voor hem, Shinran, alleen. Deze primaire vorm van mystiek waarbij een als het ware persoonlijke relatie gecreëerd wordt tussen de adept en het Oneindige Boeddhaschap, karakteriseert het overkoepelend gedrag van de Myokonins. Intellectueel bekeken, is het niet erg duidelijk hoe zij zich Amida voorstelden: als het vormloze Dharmakaya of als een personaliseerbare aanwezigheid? Maar duidelijk: dat moet niet hun bekommernis geweest zijn.

Het is juist dat zogenaamde primaire aspect van de mystiek, dat aspect van geen bekommernis-en-geen-vragen dat bij ons zo moeilijk overkomt. Wij voelen ons gebonden door een spel van vragen en antwoorden; wij weten ons gekluisterd aan meningen, leringen, maten en gewichten, inzichten en uiteenzettingen. Ons intellect is een hongerig monster (4) dat onophoudelijk vragen wil stellen - vaak (meestal?) zonder op antwoorden te wachten. Onze geest lijdt aan boulimie: het onophoudelijke voldoen van denkgrillen en conceptuele geeuwhonger.

Laat ons toch maar niet het belang en de waarde van het intellect niet met het badwater wegwerpen. Het intellect is een zo nuttig instrument - zolang we het als een louter (louterend?) instrument beschouwen. Het verzamelt, meet, evalueert, klasseert de informatie die we van de buitenwereld ontvangen om de hele brij uit te klaren tot kennis, een werkhuis zonder hetwelk leven, maatschappij, cultuur, beschaving, religie onmogelijk zouden zijn.

Maar voor een leven in eensgerichtheid, d.i. het religieuze leven, kan ons intellect, precies door zijn onvermijdelijke complexiteit, enkel verwarring stichten. Het kan de periferie beschrijven en/of uittesten, maar weet met de kern geen blijf…

Bovendien is een vergoddelijken van onze intellectuele kennis (met of zonder academische graden en titels) niet enkel een afwijzen van werkelijk weten, maar tevens het onbegaanbaar maken van de weg die voert naar een directe ervaring, een ‘onmiddelbare wetenschap’ die het ‘al’ moet be-grijpen.

De Myokonins, of zij nu al dan niet hun intellectuele kennis hebben ontwikkeld, hebben dergelijke problemen niet. Het is mede daardoor dat ze de mogelijkheid hebben met uiterst eenvoudige instrumenten het hoofd te bieden aan hun problemen van het dagelijkse bestaan.

Dat is zoiets als zouden we verplicht zijn een uiteraard natuurlijk gevoel, zoals de liefde van moeder tot kind, te analyseren en te definiëren. Zo een natuurlijk gevoel - dat we trouwens (hopelijk) allen ervaren hebben, hetzij als moeder hetzij als kind, hetzij als subject hetzij als object. Maar net zoals de appreciatie van een kunstwerk, kan een verschijnsel als moederliefde niet versneden worden tot logische onderdelen. Het enige wat we ermee kunnen doen, is de poging het te beschrijven zoals we het ervaren of het ondergaan. Daarbij kunnen we, naar believen, steeds meer en meer definities eraan toevoegen die uiteindelijk niet anders zijn dan lege series lege woorden, lege zinnen. Noch Aristoteles noch Freud noch Stuart Mill noch Keynes noch Piaget kunnen ooit uitleggen wat moederliefde wel is. Maar een doodgewone glimlach kan dat wél, een teder gebaar, een moeilijke traan…

In diezelfde zin, maar dan dieper natuurlijk want losgehaakt van de persoonlijke interrelaties, zo is onze intieme relatie tot de Naam. De meesten onder ons ervaren moeilijkheden bij het onthullen/ervaren/ontdekken van de ware en diepe natuur van deze relatie. Maar de Myokonin blijken dat niet te hebben.

In hun eensgerichtheid van gemoed, hun bijzonderste kenmerk, kennen en ervaren zij de aard van hun relatie tot Amida. Niet via een of ander orgaan zoals de hersenen of het hart of hun hormonenstelsel, niet via een rationele gedachtenopbouw gefundeerd op analyse en synthese, maar door de totaliteit van hun daar-zijn in het panorama van Amida’s Gelofte-Kracht. Dat is het Leidmotief van hun religieus leven. Myokonins immers ‘zeggen’ de Nembutsu niet; zij leven binnenin de Nembutsu. En het ritme van de Naam ‘Namu Amida Butsu’ ritmeert hun gemoed als een Dharma-trommel.

Leven binnenin de Naam, de Naam aanschouwen als ware eenheid, als de absolute niet-tweeheid dat bespaart hun de vele vormen van discrimineren. Zij kunnen niet langer oplopen met het onderscheid dat wij zien tussen wat wij noemen de twee kanten van de Naam: myōgō en nembutsu.

Zoiets kan ons duidelijker maken waarom de Myokonins zo kalmpjes weg kunnen zeggen dat ze één voet in de lijdenswereld, de andere voet in het Reine Land hebben. Onvermijdelijk zouden wij dolgraag weten welke de voet in de lijdenswereld, welke de voet in het Reine Land is. Maar dat zinloze vraagstuk verstoort de Myokonins niet. Zij be-leven wat wij wel bestudeerd maar niet ervaren of toegepast hebben: de niet-tweeheid van Samsara en Nirvana, van Onwetendheid en Verlichting.

Het is me trouwens een vreemd volkje, die Myokonins! Als voorbeelden staan ze dichter bij onze dagelijksheid dan de arahants of de patriarchen. Omdat ze zo levend zijn, zo één-voudig. We zouden ze willen navolgen omdat we be-denken dat zij dichter bij de Geboorte staan dan wij met onze ingebouwde denkbibliotheken en ratelende rationalismes. Dit weten we: we kunnen van ze een pak ‘domme wijsheid’ leren.

Maar asjeblief: niet te veel illusies maken. Niet nabootsen. Er is voor ons niet de minste kans een kloon van de Myokonins te worden. We zijn doorheen al onze karmische vormingen allen ontzettend verschillend. We zijn weliswaar allen vol verdwazing, vol lusten, vol aversies, maar in elk van ons nemen die “drie vergiften” andere gestalten aan. En zal ook de verlichting zich aan ons voordoen in een andere gestalte.

Het is uitgesloten Myokonins na te bootsen. In het bestaan dienen we te vermijden te spreken of ons te gedragen zoals persoon A of persoon B ook al vinden we A en B zo exemplarisch. Laten we beginnen met de vorm aan te nemen van onze eigen natuurlijkheid. Zoals de Myokonins.

Laten we nooit proberen heilig te zijn. Er zijn al te veel van die heiligen in de ontelbare hellen!

De boodschap van de Myokonins is dat we doodgewoon zo moeten zijn: juist licht en eenvoudig genoeg dat in en buiten ons Amida Buddha’s Mededogende Gelofte-Kracht de wereld van vrede en vreugde (Anrakoku) voor alle wezens kan verwezenlijken.

Dat is, naar ik meen, het belangrijkste van de boodschap die we van de Myokonins kunnen leren.

(4) Zouden de hongergeesten uit de mythologie misschien niet onze intellectuele honger zijn, met hun piepkleine mond en hun dikke buik, om van het grote oog niet te spreken…?

Ekō 57
De Naam is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home