Een Heidense Visie

Katrien Haemers

Het is niet alleen boeiend, maar ook deugdelijk, te luisteren naar wat ‘anderen’ over het boeddhisme vertellen. ‘Anderen’ zijn natuurlijk mensen die niet als volgeling over het boeddhisme praten, maar als historicus, socioloog, filosoof of gewoon geïnteresseerde.

Zo werd ik enorm geboeid door wat Trevor Ling, een Engels socioloog en godsdiensthistoricus over de Boeddha en het boeddhisme had te vertellen. (5) Hij schetst de figuur van Gautama Shakyamuni helemaal in de historische en geografische context van het India van de 6de eeuw vóór onze tijdrekening: een periode van grote opbloei van de landbouw, waardoor een overgang van nomadische naar sedentaire leefgemeenschappen. Een periode van grote welvaart: handel en rijkdom, ontwikkeling van de steden met de daarbij horende ontwikkeling van ambachten en beroepsspecialisaties, kunstvormen en volksvertier. Op politiek gebied zien we een verschuiving van een republikeins regime naar een monarchie, gepaard gaande met de overgang van samenleven in stamverband naar samenleven in steden.

Al deze ingrijpende veranderingen brengen een soort ‘mal-de-siêcle-avant-la-lettre’ voort, waarbij Trevor Ling ook niet aarzelt te verwijzen naar onze eigen tijd (dit wordt pas écht interessant!).

Deze ontreddering komt volgens hem voort uit de snel ontwikkelende individualisering van de samenleving: de overgang die de mensen toen doormaakten van de kleinschalige familiesamenleving naar het vreemde grootschalige en onpersoonlijke leven in steden, ging gepaard met een psychische malaise, een verhoogd gevoel van ontevredenheid met het leven zoals het geleefd moest worden. “Deze malaise maakte Boeddha tot zijn uitgangspunt van hetgeen hij Duhkha noemde.”

Duhkha was het lot dat alle levende wezens gemeenschappelijk hebben, dat was het uitgangspunt: alle inspanningen moesten vandaaruit vertrekken om de oplossing te zoeken.

De bedoeling van de leer kan dus gezien worden - in zijn ‘aller-eenvoudigste vorm’ - als een poging om dat idee van individualisme te ondermijnen: het relativeren van het door-materieel-succes-dronken-geworden eeuwige ik, waarvan ieder wezen aanvoelt hoe uitzonderlijk belangrijk dat wel is… Maar volgens Boeddha’s opvatting is dàt juist de wortel van alle menselijke ellende. Dan is de vernietiging van die idee fundamenteel voor de genezing. De derde edele waarheid wordt moeilijk aanvaard: ze lijkt in strijd met het gezond verstand…

Maar de bedoeling is ‘enkel’ de muren van dat individualisme neer te halen en een grotere ruimte te scheppen, waar plaats is voor alle wezens.

De leer van anattā was - en is - een uitnodiging aan de mensen om te ontdekken dat de structuur van het bestaan anders is dan men gewoon was aan te nemen: het menselijk individu was - en is - niet het sleutelbegrip van alles.

Het gaat om het besef dat er iets is wat aan de persoonlijke bevrediging of voordeel te boven gaat, waarden die boven de belangen van het individu liggen.

Het gaat om het verlangen een samenleving te organiseren die niet individueel-gericht is.

Het gaat om het besef dat het boeddhisme niet dient om de persoonlijke lijdensproblematiek van een individu op te lossen: daarin ontkent de leer de individuele ziel. Het bewustzijn moet zich verruimen, niet in esoterische droomsferen, maar in een voelen en bewust-zijn van ‘alle-mensen’, hetgeen een betrokkenheid, een aansprakelijkheid betekent tegenover alles en iedereen.

Het individualisme stelt grenzen aan de liefde: de leer van de Boeddha wil de ziekte van dat individualisme genezen door die grenzen op te heffen, en een al-liefde, mettā te verkondigen.

De leden van de boeddhistische sangha waren de bhikkhu: · de deelachtigen (6). Dit waren géén monniken (7), geen enkelingen, geen personen die zich hadden teruggetrokken om in een eenzame ascese het levensprobleem te verwerken.

De bhikkhu wilde getuigenis afleggen van het feit dat hij zijn persoonlijke bezittingen én verwachtingen had prijsgegeven, omdat hij geloofde in het heil van de gemeenschap, en niet meer in het individuele heil. Daarin verkondigde hij de anattā-leer.

Trevor Ling bevestigt dat het zinloos is het boeddhisme los van zijn sociale context te willen begrijpen:

“Men heeft het boeddhisme in deze tijd ontdaan van deze sociale en politieke dimensie; en het gereduceerd tot datgene wat de moderne mens als godsdienst beschouwt: een systeem van spirituele geloofsopvattingen, een bron van vertroosting voor sommigen, maar uiteindelijk een weinig beduidende privé-opvatting die weinig invloed heeft op de werkelijke stromingen die vorm geven aan het menselijk streven. Westerlingen hebben enkel oog voor dit wanneer zij het boeddhisme benaderen, aangezien het enkel maar dat is wat zij zoeken…”

Dat is een scherpe, naar serene uitspraak van iemand die er niets bij te winnen of te verliezen heeft. Om een tijdje stil van te worden.

Het was me een genoegen de tolk te zijn van Trevor Ling voor Ekō.

(5) Trevor Ling, “Buddha”, 1973. Nederl. vert. bij Het Spectrum, 1976.

(6) Talrijke etymologieën zijn mogelijk, 0.a. Skr. van de stam bhiks, door MMW vertaald als ‘to wish to share or partake’ (Sh.).

(7) Van het Grieks monakhos, ‘alleen, alleen levend’ (Sh.).

Ekō 57

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home