Geduld Poging 14

Bruno Van Parijs

“Zout op de vleugels van een vlinder,” zei mijn grootvader altijd wanneer ik weer eens, tevergeefs, trachtte er één te vangen. Nadenkend over wat geduld zou kunnen betekenen, herinner ik me zijn woorden, en ik realiseer me dat ik er tot op heden weinig van heb begrepen. Rusteloos zie ik mezelf met de vingers op de tafel roffelen, wanneer grootmoeder treuzelt met het delen van de kaarten; ik hoor mezelf binnensmonds vloeken, wanneer de zin die in mijn hoofd ronddwarrelt halsstarrig weigert zijn geheim aan het papier mee te delen.

Wat is geduld?

“Even wachten a.u.b.,” ronkt de computer zachtjes. Hebben computers dan werkelijk een zin voor humor? De cursor [men had het beter de “curser” kunnen noemen] haalt me snel uit die illusie; ongeduldig flikkerend verlangt hij een antwoord op de vraag, uitdagend als de meester die een antwoord verlangt op de koan. Je geduld of je leven!

Het geduld dat ik de laatste dagen in mijn zoeken naar een antwoord heb betracht, vindt bij het horen van deze vraag een roemloos einde. Telkens ik denk het antwoord te benaderen word ik geconfronteerd met de ervaring van ongeduld. Is het verwonderlijk? Neen, het is misschien spijtig, naar verwonderlijk is het zeker niet.

Het komt me voor dat we geduld op twee verschillende manieren kunnen benaderen. Ten eerste is het geduld te zien als het resultaat van onze eigen inspanningen. Een geduld dat we onszelf iets of wat Confucianistisch trachten op te leggen. Het is geduld dat als uitgangspunt de eigen berekening heeft, geduld dat gekleurd is door onze bonnō. We zouden kunnen stellen dat het een jiriki-geduld is. Dat dit soort geduld wel eens opraakt is volkomen normaal. De beperkingen van ons “ik”- denken zijn meteen ook de beperkingen van ons “ik”-geduld.

Toch kan deze vorm van geduld doeltreffend zijn in onze dagdagelijkse omgang met de wereld [of ervaring van die wereld]. Zonder veel problemen kunnen we dat extra-minuutje aan de bushalte opbrengen [tenzij men natuurlijk in Berchem woont!], het helpt ons in het wachten bij de bakker of bij het schrijven van een tekstje etc.

Wanneer we het echter spiritueel gaan bekijken, wordt jiriki-geduld volkomen ontoereikend. Enkel het besef dat het doel van de spirituele “queeste” niets anders kan zijn dan de verwezenlijking van de Geboorte, van àlle wezens zonder onderscheid, doet ons de futiliteit van ons geduldig-zijn inzien. Spiritueel bekeken wordt het roffelen van de vingers op tafel een bonken op de poorten van de hel!

De Leer van de Boeddha leert ons echter dat er ook zoiets bestaat als de “Volkomenheid van Geduld” (ksānti-pāramitā).

Het begrip “Volkomenheid” of pāramitā verwijst naar de onbegrensdheid, de onbeperktheid, en wordt soms ook vertaald als “Deugd”, Deugd in deze context betekent “Werkzaamheid.”

We zouden ksānti-pāramitā dus kunnen vertalen als “Onbegrensde Werkzaamheid van Geduld”. Het is het Geduld waarmee het Boeddhaschap zichzelf heeft verwezenlijkt én [nog steeds] verwezenlijkt, het Geduld eigen aan Oneindig Licht/Mededogen, vrij van om het even welke egocentrische berekening. Het is Tariki-geduld, Geduld werkzaam doorheen Amida Buddha’s Geloftekracht, en als dusdanig onbeschrijflijk, onverklaarbaar en onvoorstelbaar. Het is het Geduld dat onophoudelijk wordt beoefend in de Ene Praktijk. De Ene Praktijk is Namu Amida Butsu!

Na dertien pogingen lijkt één ding zeker: geduld is de vlinder die ik nooit zal vangen, alle zoutmijnen van Siberië ten spijt… maar ja, zo fladdert dat. In mijn hand nog één zoutkorrel… de vlinder zet zich op mijn neus… Ik zou zweren dat ik hen hoor fluisteren: “Kom, pak me dan!”

Namu Amida Butsu

Ekō 58

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home