Editoriaal - Dankbaarheid

Als men zich zou afvragen welke ‘deugden’ de boeddhist - en zeker de Shinboeddhist - moeten kenmerken, dan zijn dat uiteraard vertrouwen en dankbaar­heid.

Vertrouwen in de Leer van de Boeddha, in de grenzeloze werkzaamheid van het Boeddhaschap. Reeds in het ‘oude’ Boeddhisme is sraddhā (Pāli= saddhā) “vertrouwen”, een indriya (vermogen, overheersing) en een bala (kracht).

Voor Shinran is vertrouwen (shin) het hoogste geestelijke goed, is vertrouwen-zelf de verwezenlijking. Shinjin is niets anders dan het Gemoed van Amida dat niet-twee is ten opzichte van het gemoed van de volgeling, net zoals nirvana (d. i. Verl ichting, Geboorte in het Reine land) niet verschei­den is van samsara, de lijdenswereld, de 12 causale fases van de Pratitya Samutpāda. Maar - let wel! - shinjin is het resultaat van de Ander-Kracht, van de Voortijdelijke Gelofte, en is niet een zelf-kracht ‘verdienste’ van de adept.

Helemaal anders is het gesteld met de dankbaarheid.

Ofschoon dankbaarheid niet vermeld wordt als middel of als weg naar de Uiteindelijke Verlichting, is het zo dat dankbaarheid toch het geheel van de Leer van de Boeddha doordringt.

In de eerste plaats de dankbaarheid als mens geboren te zijn en de Leer deelachtig te kunnen worden.

Dankbaar zijn voor Shakyamuni’s verkondigen van de Dharma. Dankbaarheid ook voor de wijzen en de meesters die de Leer tot ons gebracht hebben, ons de Leer hebben uiteengezet en tot overweging gegeven hebben. Dankbaarheid voor het heilzame karma dat ons in die situatie gebracht heeft.

De reformatie die Shinran doorgevoerd heeft in het traditionele Reine-landdenken bevat een duidelijk teken hoezeer hij dit gevoel van dankbaarheid belangrijk achtte. Shinran verwierp immers elke mythologie, elke ritus, elk ‘goed werk’, elke eigen verdienste, ja zelfs elke vorm van moraliteit als heilsmiddel. Voor hem is zelfs shinjin duidelijk niets anders dan Amida’s werkzaamheid. Zo bleef er voor de mens niets anders over dan nederigheid en dankbaarheid te betonen. Vooral dankbaarheid.

De enige vorm van liturgie die hij blijkbaar benadrukte, was Hōon-kō: het ‘bijeenkomen om dankbaarheid uit te drukken’. Deze typische Shin-liturgie werd door de Shōnin gevierd op de 16de dag van elke maand, als een permanente expressie van onze dankbaarheid voor de Geboorte in het Reine Land dank zij Amida’s onbegrensde Mededogen.

Na de dood van de Meester werd Hōon-kō tevens gesteld in het teken van dankbaarheid ten opzichte van het leven en de leerverkondiging van Shinran Shōnin zelf. Zo is dit gebruik in zwang gekomen: Amida en Shinran tezamen in één dank-gedachtenis te betrekken. Zo komt het dat ook nu nog Hōon-kō in de Jōdo-Shinshū DE grote jaarlijkse gebeurtenis is, gehouden op de dag van Shinrans sterven: 16 januari volgens de westerse kalender (gevolgd door Nishi­Hongwanji), of op 28 november volgens het traditionele maanjaar [nog toegepast door Higashi-Hongwanji).

Wie wat ervaring heeft met Shinboeddhisme weet evenwel dat er in Japan op elke 16de van de maand bijzondere bijeenkomsten gehouden worden, tot zelfs in de kleinste tempels - of zelfs gewoon in de woningen van leken, waar de volgelingen bijeenkomen om Shoshinge te reciteren, om te luisteren naar een dharma-talk en de plechtigheid te besluiten met Shinrans Ondoku-san:

Nyorai daihi no ondoku wa
Mi 0 ko ni shitemo hōzu beshi.
Shishu chishiki no ondoku wa
Hone 0 kudaki te mo shasu beshi.

De weldadigheid van Tathagata’s Groot Mededogen
drukken we uit in dankbaarheid, ook al wordt ons lijf verpulverd.
De weldadigheid van onze meesters en leraars
drukken we uit in dankbaarheid, ook al worden onze beenderen gebroken.

(Shōzōmatsu-wasan, 59)

Maar dankbaarheid is méér dan gewoon een liturgische viering. Dankbaarheid dient immers een besef van elk ogenblik, van elk gedachte-moment te zijn. Niet zomaar een ‘religieus’ gebruik als het pas geeft…

Immers: het Amida-Boeddhaschap is bij bepaling zo oneindig, zo onbegrensd, zo ongebonden aan tijd en ruimte dat het een oneindig en onbegrensd aantal ‘vormen’ aanneemt, ook in deze wereld van ons lijden.

Zo is een mooi Shin-gebruik vòòr de maaltijd de handen in gasshō samen te brengen en te zeggen ‘Itadakimasu’, letterlijk ‘hiervan zal ik eten’. Bedoeling is op dat moment zijn dankbaarheid te uiten voor al wie en al wat bijgedragen heeft tot de mogelijkheid het voedsel te nuttigen. Neem b.v. een gewoon stuk brood: moeder de vrouw, de bakker, de maalder, de boer, de grond, het zaad, de regen, de zon… in feite een oneindige reeks wezens… voor die éne boterham.

Dankbaarheid voor alles wat het leven goed, heilzaam, aangenaam maakt: de zonneschijn, de blauwe hemel, het ruisen van de wind in de boomtoppen, de sterrenhemel, de bloeiende appelboom, de zang van een lijster, de geur van herfstbladeren, de vluchtige regenboog, het schitterspel in de bergbeek, het dansen van de vlammen in de haard, de muziek van Bach of Schoenberg, het lichtspel in de katedraal van Autun, Amida’s beeld in Eikando… Wanneer de Chinese kunstenaars hun landschappen (‘bergen en water’ heet dat in het Chinees) tekenden, tekenden zij niets anders dan het Boeddhaschap in zijn kosmische belichaming.

Toch…

Is het eigenlijk niet zo dat men zelfs het aangename van het leven dient te overstijgen? Want er is immers een minder gemakkelijke, minder vanzelfsprekende vorm van dankbaarheid, ook al is die in de praktijk heel wat moeizamer waar te maken. Want ook voor het onaangename, het ‘kwade’ dient de boeddhist zich dankbaar te betonen. Hier immers wordt hij geconfronteerd met het vertrekpunt van de Leer. Hier immers herinnert het pijnlijke, kwalijke dat hij ervaart hem direct met de Leer zelf. Zegt de eerste Edele Waarheid niet dat alle bestaande doorlijden, door onvrede getekend is?

Het smartelijke, hopeloze, verdwaasde, vreselijke dat elk van ons in zijn dagelijks bestaan meemaakt of kan meemaken, kan immers - zo wij het zò zien - ­manifestatie zijn van deze Edele Waarheid, en verder zelfs van de oorsprong van het lijden: want is de wereld rondom ons, maar zeker de wereld in ons niet vergiftigd door de drie ‘vergiften’ die zijn de blinde, verblinde en verblin­dende begeertes, door afkeer en haat, door dwaasheid en verdwazing?

Kijk op uw tv-scherm naar die onsmakelijke soap-opera’s, lees de krant, luister naar de nieuwsberichten. Denk aan de intrigues in uw werkkring, aan de brutaliteit van kleine en grote misdadigers, aan machtsmisbruik van generaals en korporaals, aan de hooghartigheid van de loketbediendes, de verwaandheid van onderwijzers en professoren. Om niet te spreken over Bangladesh, Somalië, Haïti. Of de gevangenissen zowat overal ter wereld… en de hongersnood… en het profitariaat… En zeg dan nog dat de Boeddha overdreven heeft…

Het geheel van datgene wat we dagelijks ervaren: dàt is de Leer. De som van onze belevenissen is niets anders dan de belichaming van “alle bestaande is door lijden getekend”. Hier is ruimte voor de eerste stap naar een hechter begrijpen van de Dharma. Hier hebben we de kans een inzicht te krijgen in het sombere mechanisme van samsara. En meteen ook een perspectief om eruit los te geraken.

Dat is geen pessimisme, zoals men al te licht denkt. Verre van daar! Het is een opengooien op het universum van Boeddha-Licht. Het is het verwerkelijken in ons van Wijsheid-Mededogen.

En om poëtisch te besluiten: toen dorpsbewoners na een sneeuwstorm de ingestorte hut van haiku-dichter Issa (1763-1828) doorzochten, vonden ze hem dood in zijn futon, met bij zich een laatste gedicht:

Ook de sneeuw op mijn ziektebed
komt van het Reine Land.

Namu Amida Butsu en gasshō.

Shitoku

Ekō 59

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home