Mattoshō (16)

Lamp voor Latere Tijden

Brieven van Shinran

Deze brief waarschuwt tegen het concept van “toegelaten kwaad”.

Vanwege de immensiteit van het Ware Mededogen kan het zijn dat de mens zich vrij voelt te denken, zeggen en doen wat hij wil. Een dergelijke houding bevestigt echter enkel diens zelfzuchtige impulsen en onthult een gebrek aan waardering aangaande de aard van Amida’s Mededogen.

Deze waardering, die als kern het berouwvolle gemoed heeft, gaat in tegen de neiging tot wangedrag. Dit probleem wordt ook besproken in de brieven 19 en 20. Het is mogelijk dat deze brief aan Zenran gericht was.

Ik heb gehoord dat gij, die niets afweet van de schrifturen of van het ware fundament van het Reine-Landboeddhisme, aan ontzettend zelfgenoegzame en schaam­teloze mensen vertelt dat een persoon het kwade moet doen dat zijn verlangen hem dicteert.

Dat is volkomen verkeerd.

Hebt gij dan niet gezien dat ik uiteindelijk alle relaties met Zenjō-bō, die in het Noordelijke district leefde, heb afgebroken?

Wanneer een persoon, zichzelf verrechtvaardigend door te stellen dat hij een dwaas wezen is, alles kan doen wat in hem opkomt, kan hij dan ook zomaar stelen of moorden?

Zelfs de persoon die geneigd is tot stelen, zal natuurlijkerwijze een verandering van gemoed ondergaan wanneer hij, verlangend naar het Boeddhaland, de Nembutsu komt te zeggen.

Toch wordt aan mensen die dergelijke tekenen niet vertonen verteld dat het toelaatbaar is het kwade te doen; zoiets zou nooit mogen voorkomen, onder geen enkele omstandigheid!

Door oncontroleerbare blinde passies verdwaasd, doen we dingen die we niet zouden mogen doen; zeggen we dingen die we niet zouden mogen zeggen; denken we dingen die we niet zouden mogen denken. Wanneer echter een persoon bedrieglijk is in zijn relaties tot anderen, wanneer hij doet wat hij niet zou mogen doen, en zegt wat hij niet zou mogen zeggen, omdat hij ervan uitgaat dat dit zijn Geboorte [toch] niet hindert, dan is dat geen geval van verdwaasd zijn door passies.

Aangelien hij opzettelijk dele dingen doet, zijn het simpelweg wandaden die nooit verricht hadden moeten worden.

Wanneer gij iets zegt dat het verkeerdelijke handelen van de mensen van Kashima en Namekata doet ophouden, en de vervormde zienswijzen van de mensen in dat gebied corrigeert, zal dąt het teken zijn dat gij mij [echt] vertegenwoordigt! Het is betreurenswaardig dat gij de mensen hebt verteld zich over te geven aan de verlangens van hun hart en dąt te doen waar ze zin in hebben.

Men dient ernaar te streven het kwade van deze wereld af te leggen en op te houden met het verrichten van beklagenswaardige handelingen.

Dit is wat het betekent de wereld te verwerpen (1) en de Nembutsu te beleven.

Wanneer mensen - zelfs al hebben ze gedurende vele jaren de Nembutsu uitgespro­ken - anderen misbruiken in woord en daad, is er niets dat wijst op een verwerpen van deze wereld.

Aldus leert Shantao ons in de passage over het gemoed van oprechtheid dat we een voorzichtige afstand dienen te behouden van die mensen die het kwade zijn toegenegen.

Wanneer is er ooit gezegd geworden dat men dient te handelen in overeenstemming met het [eigen] gemoed dat [van nature uit] slecht is?

Gij, die volkomen onwetend zijn aangaande de sūtra’s en de commentaren, en onwetend aangaande Tathagata’s woorden, zoudt nooit anderen op deze manier mogen onderrichten.

Met respect.

Geboorte in het Boeddhaland heeft in het geheel niets te maken met de berekeningen van dwaze wezens.

Aangezien ze volledig is toevertrouwd aan de Voortijdelijke Gelofte van de Boeddha, is ze inderdaad Ander-Kracht.

Het is belachelijk te trachten dit op verschillende manieren te berekenen.

11de maand, 24ste dag.

Shinran

(1) De tendens teniet doen die ons doet toegeven aan instinctmatige neigingen.

Ekō 59
Mattoshō

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home