De Naam Is Namu Amida Butsu (21)

Shitoku A. Peel

Begintijd, stervenstijd (slot)

Niet alleen moeten we er goed bewust van lijn dat wij op eigen houtje geen bevrijding kunnen bereiken, maar we dienen er tevens aan te denken dat we, ondanks onze inspanningen en ondanks al onze berekeningen, elke seconde van ons bestaan onherroepelijk voortgestuwd worden naar de donkere afgrond van de dood.

Dat is voorzeker hetgeen Shinran bedoelde toen hij zei dat de mens door zijn kwaad tot de hel veroordeeld is: er is geen uitweg.

Er is geen uitweg zolang we ons blijven vastklampen aan onze aardse noties en maatstaven wat tijd betreft. Wanneer we in overweging nemen dat nirvana de uitweg is, dan moeten we het feit erkennen dat nirvana iets absoluuts is. Nirvana kan enkel gevat worden buiten alle tijdsbegrenzingen.

En net zoals we nirvana niet kunnen meten met onze menselijke maten noch het kunnen beschrijven in onze menselijke woorden, net evenzo moeten we vaststellen dat de ‘tijd’ van nirvana niet overeenkomt met onze menselijk-meetbare tijd. Maar wél met de “temps sacré”, de religieuze tijd die een eeuwig nu is.

Er zijn - in dit verband - twee problemen die vele eeuwen de boeddhistische gemoederen verstoord hebben. In sommige sutra’s kan je lezen dat het heil reeds verwezenlijkt is, maar dat de dwaze onwetende wezens er nog steeds geen besef van hebben dat ze in feite reeds uit de lijdenswereld bevrijd zijn. In het Lotus·sutra b.v. de mooie parabel van het juweel dat in de zoom van het kleed van de zieke bedelaar geborgen is.

Dit probleem, dat in Japan gekend is als “hongaku”, d.i. de ‘Voortijdelijke Verlichting’, was (en is nog steeds…) het voorwerp van lange en geleerde discussies.

Zelfs in het Grote Sutra, in de formulering van Dharmakara’s 48 Geloften, is er een dubbelzinnige zinsconstructie. Zo begint elke Gelofte met ‘Indien Ik boeddha word…, waarop een voorwaarde wordt uitgedrukt; de Gelofte eindigt telkens met “moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.” Het vreemde hier is dat in alle sutra’s en sastra’s er geen onderscheid gemaakt wordt tussen het Boeddhaschap (het Boeddha worden) en de Verlichting, zodat de formulering op zijn minst paradoxaal, zoniet zinloos overkomt. Zoals het maar al te vaak het geval is, heeft dit paradoks aanleiding gegeven tot een boel scholastische discussies, maar zonder evenwel een duidelijke oplossing te krijgen, althans tot Shinran. Er werd immers geen rekening gehouden met het onderscheid tussen de twee tijd-modi. Immers, zolang we ons situeren in de wereldse tijd (Eliade’s temps profane), d. i. met uitzichten op verleden en toekomst, kunnen we zeggen dat het heil nog niet verwezenlijkt is. Maar wanneer we de vraag bekijken tegen de achtergrond van de absolute religieuze tijd, dan is bevrijding uit de lijdenswereld vervat in het eeuwige heden.

Daardoor komt het dat het een fout tegen de logica is ons af te vragen of we al dan niet reeds de verlichting verwezenlijkt hebben. Deze vraag is immers foutief geformuleerd door de verwarring die we inbrengen tussen enerzijds de existentiële tijd van “wij” of “ik”, en anderzijds de absolute “tijd” (maar kan men nog van ‘tijd’ spreken?) van de Verlichting.

Een ander probleem in verband met de tijd, is de waardering van het doodsmoment. In heel wat boeddhistische denominaties wordt gezegd dat de gemoedstoestand op het ogenblik van de dood determinerend is voor de volgende bestaansvorm, of zelfs de verwezenlijking van nirvana.

In de oudere Reine-Landscholen werd dit geïllustreerd aan de hand van het begrip “raigo”: Amida Buddha komt, met zijn hele gevolg, vanuit het Westelijke Paradijs de stervende volgeling ophalen om hem te voeren naar de gelukzaligheid van het Reine Land.

Shinran heeft deze opvatting met klem verworpen, niet enkel omdat het een te materialistisch (zegge mythologisch) beeld geeft van het Reine Land, maar vooral omdat het begrenzingen en beperkingen impliceert wat betreft de Ander-Kracht van het Oneindige Mededogen. De eis van een heldere geest op het stervensmoment was in zijn ogen een onaanvaardbare interferentie van zelf-kracht.

Zo komt het dat in Shinrans visie, het niet het moment van de lichamelijke dood is dat beslissend is, maar wel het moment waarop de natuurlijke activiteit van de Gelofte-Kracht zich in het gemoed van de Nembutsu-adept ontvouwt, waarbij het ego-gericht gemoed ‘omgekeerd’ wordt tot een ‘gemoed van vertrouwen’.

Wanneer we nauwlettend de evolutie van Shinrans denken volgen, kunnen we vaststellen hoe hij geleidelijk een sterkere beklemtoning van shinjin voorstaat. Gezien vanuit onze huidige context, is shinjin de verzekering, sterker nog: de vestiging van Geboorte in het Reine Land. Door shinjin verwezenlijkt de ‘mens van Nembutsu’ het bodhisattva-stadium van niet-terugvallen; hij wordt omvat en niet meer losgelaten; hij wordt gelijk aan Maitreya, de Boeddha van de toekomst.

Voorzeker, shinjin is niet nirvana, maar ligt er zeer nabij. Shinjin heeft met nirvana de zuivere religieuze dimensie gemeen.

Shinjin is een ‘gebeurtenis’ die zich voltrekt op het vlak van de religieuze tijd. Daardoor komt het dat wij, in onze wereldse tijd, onbekwaam zijn een effectief besef van shinjin te hebben. We kunnen het moment van shinjin niet meten, niet berekenen. We kunnen zelfs niet beweren dat we shinjin al dan niet “hebben”. Shinjin is een evenement dat in ons plaats heeft, maar dan niet volgens onze dagelijkse, wereldse ervaring. Net zoals de verlichting zelf is shinjin iets dat plaats grijpt buiten ons tijdsbewustzijn.

Daartegenover staat dat, als we vanuit onle spiritualiteit de dingen van het dagelijkse bestaan bekijken, wij in feite elk ogenblik van dit bestaan kunnen aanzien als het éne-nu-moment, het éne-moment-van-shinjin.

Er is in ons bestaan slechts één ogenblik waarop de twee tijd-modi integraal en volwaardig samenvallen. Dat éne ogenblik is het moment van onze fysische dood. Onze lichamelijke dood heeft vanzelfsprekend plaats in onze individuele wereldse tijd. Maar - zo shinjin gevestigd is geworden - is het meteen het moment van Geboorte in het Reine Land, en deze Geboorte is het “nu” in de absolute religieuze tijd. Zo komt het dat op het stervensmoment beide tijd-modi samenvloeien en één worden overheen alle dualismen en dichotomieën eigen aan de menselijke geest.

In deze wonderbaarlijke convergentie ontdekken wij het volle opbloeien van de Mahayana-spiritualiteit: de relatieve dood wordt de absolute Geboorte.

Hier gaat het Reine Land open voor ons onwetend gemoed. We kunnen ons hier afvragen hoe ver we eigenlijk verwijderd zijn van het beginpunt van ons individueel bestaan, dat begon in de baarmoeder van een vrouw, maar veroordeeld is om onherroepeleijk te sterven.

Hoe wonderlijk is toch deze leer: geboren zijnde, dienen we te leven in begeerte, haat en begoocheling, om ten slotte dood te gaan in angst en ellende. Maar met het openbloeien van shinjin in ons gemoed, wordt het vreselijke moment van de fysische dood het open-gaan van het Reine Land. Ons armzalig bestaan wordt omgetoverd in nirvana.

En nirvana is worden tot Boeddha-Kracht om, deelhebbend aan het Grote Mededogen, alle wezens mede naar het einde van hun lijdensbestaan te voeren: de vervulling van de bodhisattva-Gelofte.

Om dit goed te realiseren, dienen we alle dagen van het ons resterend bestaan te leven in vertrouwdheid met de dood-die-Geboorte-is. We zouden nooit de miseries van ons leven mogen afscheiden van Boeddha’s Hinderloze licht.

Elke dag, elk moment van de dag zijn wij aan het sterven. Het leven en de tijd leren ons onophoudelijk dat onze verwachtingen en onze berekeningen en heel de warboel van ons doen-en-laten ingeknoopt zijn in de ellendes eigen aan de wereldse tijd. Zo een besef kan enkel onze nederigheid en onze dankbaarheid nog sterker maken.

Zo wordt elk ogenblik een moment van sterven, maar tevens het moment van een groot beginnen!

Ekō 59
De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home