Reïncarnatie - Overwegingen bij een film…

Het is blijkbaar nog steeds onduidelijk of Bertolucci’s Little Buddha een succes is geweest. Niet bepaald een kassucces zoals Jurassic Park, maar daar is het hier niet om te doen. De meningen zijn, naar ik verneem, erg verdeeld en ik zelf heb, buiten wat eerder toevallige videobeelden, de film zelf niet gezien.

De enen zeggen dat de prent filmisch geslaagd is en zelfs dat de Leer van de Boeddha er ‘goed’ uitkomt; anderen beweren dat het een flop is met mooie kleuren, een onsamenhangende, vervelende Amerikaanse show-draak, die het Boeddhisme geweld aandoet. “Je voelt, zei iemand, dat die film niet door een boeddhist is gemaakt.” (1)

In mijn overwegingen ga ik dus voort op het bitterweinige (nog geen halfuur…) dat ik van Little Buddha zélf gezien heb, hetgeen ik erover in de pers gelezen heb en wat diverse kijkers mij erover verteld hebben.

Wat mij - en met mij heel wat boeddhisten die door de film onaangenaam getroffen werden - het pijnlijkst overkwam, zonder me evenwel te verbazen, was de usuele verwarring rondom de term ‘reïncarnatie’. De film draait als het ware rondom dit thema en voor de meeste kijkers komt dat thema dan ook over als de doctrinale spil van het Boeddhisme. Onvermijdelijk heeft dat bij veel Theravada en Mahayana boeddhisten kwaad bloed gezet. Immers: het Boeddhisme is helemaal geen leer van ‘reïncarnatie’ zoals b.v. het Hindoeïsme (of zoals de vooral in de V.S. bloeiende New Age trend…).

Letterlijk betekent ‘reïncarnatie’ een terugkeer in het vlees, en komt, zo men wil, overeen met de aan het Grieks ontleende term ‘metempsychose’ = zielsverhuizing: een ātman, een eeuwige of onsterfelijke zielsentiteit, een metafysische wezenskern die in functie van karma van de ene levensvorm overstapt naar een volgende, andere levensvorm.

(1) Stel je voor, zei een ander, dat die film door een Chinees cineast of door een Kurosawa zou gedraaid zijn…

Reïncarnatie en/of metempsychose vooronderstelt bijgevolg zo een permanente, van het ene leven naar het andere overstappende entiteit. De Leer van de Boeddha, zoals hij erkend wordt in boeddhistische stromingen, is evenwel gestoeld op het principe van anātman: de leer van het niet-zelf, waarbij juist het bestaan van zo een permanente wezenskern wordt ontkend. Er kan dus, wil men binnen de boeddhistische doctrine blijven, geen sprake zijn van een ‘zielsverhuizing’.

Het Boeddhisme kent enkel de convergentie van samengesteldheden zoals de impulsen, gewaarwordingen, gedachtestructuren, wilshandelingen en bewustzijnsbeelden die in onderlinge samenhang en contradictie en voortdurende verandering onze momentane ‘persoonlijkheid’ vormen: de nama-rūpa (‘naam en vorm’) als resultante van fysische ervaringen en psychische factoren, herleidbaar tot de ‘Vijf Groeperingen’ (pañca-skandha): lichamelijke impulsen, gewaarwordingen, discriminerende percepties, wilsreacties en discriminerende bewustzijnsconstructies, waarvan elk op hun beurt weer tot in het oneindige toe composiet zijn.

Dit geheel van (zo goed als ongrijpbare) factoren genereren de bestaansdrang (bhava-samskāra) die de modaliteiten van een volgende bestaansvorm - niet noodzakelijk een “ander leven” - conditioneert. Dàt (en niets anders…) is wat in het Boeddhisme de wedergeboorte wordt genoemd. En de keten van die wedergeboortes is de lijdenswereld samsāra.

De teksten waarschuwen ons voortdurend voor het risico ook maar de vraag te stellen of het ‘ego’ van de éne bestaansvorm identiek is aan of verschillend is van de vorige of de volgende bestaansvorm (1). Wil men toch een nuancerend antwoord, dan zou men (met reserve…) kunnen zeggen dat metafysisch/soteriologisch de opeenvolgende bestaansvormen verschillen, maar dat ze volitioneel/karmisch zich tot elkaar verhouden als oorzaak-en-gevolg. Zo gezien is de ‘wedergeboorte’ het complexe resultaat van onduldbare existentiële wilsstructuren (immers karma = wilsdaad).

(1) Majjhima-nikāja 2 is hierover bijzonder duidelijk; Milinda-panha geeft hierover duidelijke beeldspraak.

Cm het nogmaals duidelijk te stellen: het is absoluut foutief en daarbij verwarrend in een boeddhistische context het woord ‘reïncarnatie’ te gebruiken.

Ook al moet ik hierbij onmiddellijk toegeven dat er misschien toch één situatie voorkomt waarin men, binnen een bepaald institutioneel verband over ‘reïncarnatie’ zou kunnen spreken. Dit is het geval binnen het ‘Tibetaanse’ Boeddhisme, waar men vanaf de 15de eeuw de institutie van tulku aantreft (1).

Het tulku-systeem houdt hoofdzakelijk in dat religieuze leiders geacht worden ‘voort te leven’ in nieuwgeboren veranderingslichamen (nirmāna-kāya). Het systeem determineert de opvolging én de permanentie van spirituele (en vaak ook politieke) leiders. Traditioneel zijn zowat 200 tulku’s geregistreerd, maar hun aantal neemt gestadig toe.

Bekijkt men de tulku-instelling vanuit een doctrinaal standpunt, dan stelt men vast dat er ook hier geen sprake is van metempsychose in strikte zin, maar wel van een door lichamelijkheid (rūpa-skandha) veroorzaakte lichaamstransformatie.

De tulku-traditie treft men aan in de gebieden waar het Tibetaanse Boeddhisme thuis is, maar niet in de tantrische scholen buiten deze regio’s. Zo o.a. treft men het niet aan in de Japanse Shingon-school.

En omdat dankbaarheid toch de grote vereiste is van de Shinboeddhist:

Dank u wel, Mister Bertolucci, dat U me deze overwegingen hebt mogelijk gemaakt.

Shitoku.

(1) Men bedenke hierbij dat de Tibetaans-boeddhistische bevolking (hoofdzakelijk Tibet, Ladakh, Sikkim, Bhutan en Mongolië) in het Boeddhisme een zeer kleine minderheid uitmaakt: zowat 3 000 000 aanhangers tegenover een (geschatte) 257 000 000 “andere” boeddhisten gespreid over Sri Lanka, Birma, Z.O. Azië, Korea, Japan; waarbij noch China noch Noord-Korea in aanmerking werden genomen wegens gebrek aan betrouwbare cijfergegevens.

Ekō 60

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home