Dharmatalk

Rev. Esho Muraishi

Wat is de mens? Waar komt hij vandaan? Waarheen gaat hij? Dat zijn zowat fundamentele vragen in het menselijk bestaan.

Wetenschappelijk wordt gezegd dat de planeet Aarde (met een doormeter van ongeveer 12 700 km) waarop wij nu leven, ontstaan is ca. 4 600 miljoen jaren geleden. Vóór die tijd was de Aarde een rondwentelende wolk van oververhitte gassen. Wij leven nu op de korst van die Aarde, op een rotslaag met een dikte ergens tussen 8 en 64 km. Daaronder ligt een reusachtige massa gesmolten gesteente, die men ‘magma’ noemt.

Die massa koelde langzaam af; er werd water geproduceerd en grote hoeveelheden dampen en gassen verzamelden zich rond de aardbol. Deze wolken werden tot zeeën en in die zeeën begonnen planten te groeien. En die planten produceerden zuurstof. Dank zij die zuurstof ontstonden in de zeeën de eerste primitieve diervormen. Men zegt dat dit zowat 570 tot 400 miljoen jaar geleden gebeurde.

We kunnen daaruit besluiten dat de oorsprong van het leven gezocht kan worden in die reusachtige hete magmabol; anders gezegd je kan hieruit besluiten dat het leven oorspronkelijk ontstond in vuur, dan in water tot ontwikkeling kwam. Maar als men vraagt waar dan de Aarde zelf begon, dan moet men naar de Zon verwijzen. Maar wat dan denken van de oorsprong van de Zon? En zo kan men verder gaan.

Het is amper ongeveer een miljoen jaar geleden dat onze rechtstreekse voorouders op Aarde verschenen. Een Aarde die toen al minstens 4 599 miljoen jaren bestond zonder de mens.

Nu leven wij op die Aarde terwijl zij rond de Zon wentelt. Maar hoe leven we? Hoe leef ik?

Hierbij moet ik aan de woorden van Boeddha Gautama denken. Hij leerde ons dat alles (dharma’s) aan elkaar gebonden is, van elkaar afhankelijk is en elkaar doordringt in termen van beweging, ruimte, tijd en kennis. Wat we nù zijn staat in functie van hetgeen we geweest zijn, en wat wij worden hangt af van hetgeen we nù zijn. Bijvoorbeeld: we worden geboren uit vader en moeder. Maar wat dan met vader en moeder? Die werden ook geboren, elk met vader en moeder. Bekijken we twee generaties, dan zijn we reeds in afhankelijkheid verbonden aan vier mensen méér: twee ouders, twee grootvaders en twee grootmoeders. Maar bekijken we de situatie eens over 5 generaties? Vijf generaties geleden hadden we al 32 familieleden. Tien generaties terug waren dat er 1 024. Zo kan men blijven tellen. In de veronderstelling dat een generatie op 30 jaar gerekend wordt, blijkt dat we zeshonderd jaar geleden met 1 048 576 verwanten waren… Maar moest één van die verwanten er niet geweest zijn, dan zouden wij, hier en nu, er ook niet zijn!

Je kan je geen van de vroegere bestaansvormen herinneren. Maar kan je je nog herinneren toen je een acht weken oude foetus was (18 mm groot); of toen je een drie weken oud embryo was (3 mm!). Dat je jezelf niet kan herinneren als foetus of als embryo betekent niet dat je toen niet bestond. En zo zal het ook wel zijn met je vroegere bestaansvormen.

In het leven dat we nù leiden, zijn wij niet enkel genetisch gebonden, maar ook maatschappelijk. Je kan immers niet alleen leven. Je hebt niet enkel je ouders, je verwanten, je vrienden, je buren nodig: je hangt af van een onbepaalbaar aantal mensen en wezens. Het is onmogelijk alleen te leven.

Zo wordt het leven bepaald door ontelbare rechtstreekse en onrechtstreekse omstandigheden en voorwaarden. Je bent feitelijk al zoveel generaties aan het leven. Je kan je het begin van je leven niet herinneren en je zal ook het einde van je leven niet herinneren. Dat is samsāra, de stroming van het geconditioneerde individuele bestaan.

Meestal ervaren we het feit van deze samsarische realiteit niet; maar je huidige bestaan is samsara; en de kracht die samsara in beweging houdt is karma. En alle afhankelijkheden en conditioneringen die doorheen samsara en karma werkzaam zijn, dat is het Ontstaan in Wederzijdse Afhankelijkheid (pratītya samutpāda). Elk van ons, wezens samengesteld uit een lichaam (fysische handelingen), geest (alle mentale handelingen) en taal (de communicatieve handelingen), wordt door die pratītya samutpāda geconditioneerd.

Eens ontstond je in de baarmoeder van je moeder; maar je bent noch mannelijk noch vrouwelijk noch iets daartussenin. Je leven is in feite vormeloos, maar het kan in elke vorm functioneren. In je dagelijks leven realiseer je niet met de nodige ernst wat je samsarische situatie is, want je hebt het veel te druk om dààrover na te denken. Je bent immers bezig met allerlei zaken die je aanbelangen. Je zit opgescheept met eenzaamheid, met lastige problemen, met feilen in je gezondheid, met tegenslag in zaken, met kwetsuren in je eergevoel… maar hoe of je ook leeft, je leeft eindeloos je samsarische bestaan verder.

In het verleden heb je al zoveel meegemaakt en in de toekomst ga je nog heel wat meemaken. Maar het is doordat je in het verleden de geschikte omstandigheden om als mens geboren te worden opgeleverd hebt, dat je als mens geboren bent.

Maar als je die omstandigheden niet hebt kunnen opleveren, dan zal je bestaan, als natuurlijk verloop van pratītya samutpāda van het mensenkarma afwijken. Wat er ook van zij, de actieve verhouding tussen je bestaan en de vorm die dit bestaan aanneemt is zo subtiel, zo onvoorstelbaar doordat je jezelf niet kan objectiveren, en dat wat aan je geobjectiveerd is, dat is niet jezelf.

Datgene wat Boeddha Gautama zocht, dat is een levensweg overheen samsara. En, als volgeling van Boeddha Gautama, datgene wat Shinran Shonin zocht, dat is een levensweg zonder samsarische smarten, en meteen ook, een levensweg waarin de ene de andere niet zou kwetsen of dwarszitten.

Zoals Boeddha Gautama “het gaan van de samsarische wereld naar een wereld-overheen-samsara” onderrichtte en dan ook “het zoeken naar het uiteindelijke levensgeluk (sukhā) overheen (pāra) vreugde en lijden” voorstelde, zo ook leerde Shinran ons de betekenis van het verwezenlijken van het uiteindelijke geluk overheen de samsarische door lijden getekende levensstroom. Dat is de natuurlijke weg tot het Boeddhaschap.

Maar wat is het meest effectieve middel om dat uiteindelijke geluk (dat noch vreugde noch lijden inhoudt) te verwezenlijken? Dat is Amida Buddha, de Boeddha Oneindig Licht en Oneindig Leven, te horen. Maar hoe komt men ertoe de Boeddha te horen? Men hoort de Boeddha wanneer men Namu Amida Butsu zegt (in het Sanskriet luidt dit Namo ‘mithābhāya Buddhāya).

Wat is die ‘Namu Amida Butsu? Namu Amida Butsu staat voor “Beschermd door alle Boeddha’s door zo talrijke goede karmische vormingen en geschikte middelen, door de kracht (adhisthāna) die haar bron heeft in Amida Buddha’s Gelofte (pranidhāna) ben ik geroepen om een boeddha te worden, om dan te werken aan het bevrijden van alle wezens die karmisch aan mij verbonden zijn.”

Je kan “Namu Amida Butsu” met het meeste gemak zeggen in een boeddhistische tempel of vóór je huisaltaar. Je kan “Namu Amida Butsu” zeggen samen met je vrienden of je gezin. Je kan het zeggen als je helemaal alleen bent, als je naar bed gaat, je kan Namu Amida Butsu zeggen staande, zittend, liggend; je kan het luidop zeggen of stilletjes voor je heen. Hoe de omstandigheden ook zijn, hou Amida, het Oneindige Licht, het Oneindige Leven, in je gemoed door “Namu Amida Butsu” te zeggen.

Als je je goed voelt, als je treurig of depressief bent, hou Amida in je gemoed. En je leven krijgt een wending, de juiste draaiing naar de Boeddha toe, zoals de naald van een kompas onvermijdelijk naar het noorden wijst.

Namo ‘mithābhāya Buddhāya! Namo ‘mithābhāya Buddhāya! Namu Amida Butsu!

Ekō 60

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home