Oorlog En Vrede

“Hij beledigde me, hij sloeg me,
hij overwon me, hij beroofde me!”
in hem die zulke gedachten koestert
wordt haat nooit gestild.

In deze wereld [van lijden] wordt haat
nooit door haat gestild;
door niet-haat wordt haat gestild,
dat is een oud principe.

(Dhammapada 3 & 5)

Siddharta Gautama, die men de Boeddha, de ‘Verlichte’ noemt, leefde aanvankelijk in een prinselijk paleis. Maar op een nacht verliet hij toch huis en gezin, want hij kon de schokkende beelden van pijn en lijden niet vergeten, niet langer verdragen. Daarom verliet hij alles, gedreven door de vraag waarom de mensen toch zó moeten lijden en sterven. Hij wou op zoek gaan naar de oorsprong van dat lijden, hij wou de oplossing voor dat lijden vinden.

Zijn zoektocht heeft vele jaren geduurd. Na heel wat omzwervingen kwam hij tot de ontdekking dat de voornaamste oorzaak van onvrede, lijden en ellende de begeerte is, het onophoudelijk begeren van personen en volkeren en staten naar bezit, naar macht, naar eer en roem. Maar ook het tegengestelde van begeerte, namelijk de vrees, de angst, de afkeer, de haat, zijn mede oorzaak van dat universele lijden. Dwaasheid en verdwazing dragen deze gevoelens met zich mee.

Door dit begeren bezorgt de mens niet alleen zichzelf veel pijn, maar het stelt hem ook (en vooral!) op tegen de andere mens, die zeer waarschijnlijk op zijn beurt hetzelfde begeert of vreest.

En wat nog méér is: het stelt de mens op tegenover alle andere wezens - wanneer een mens alles op aarde wil gebruiken enkel tot eigen voordeel, dan misbruikt hij datgene waarvan hij zich bedient. Hij gedraagt zich niet meer onmenselijk tegenover zijn medemensen, maar ook tegenover de dieren, het water, de lucht; hij kent geen eerbied meer voor de aarde die hem draagt en voedt, kan nergens meer de schoonheid van de dingen zien, verblind door zijn hang naar het nut. En alle ellende van het bestaan komt voort uit een niet te stillen ik-honger naar steeds meer. Daardoor ontstaat er vijandschap, agressie onder de mensen, tussen mens en dier en plant en bergen en rivieren. Daarom sprak de Boeddha altijd over vrede voor alle wezens, want de mens leeft samen met alles wat er op deze aarde is.

Er werd nooit in naam van het Boeddhisme oorlog gevoerd; nooit werd iemand vervolgd omdat hij geen boeddhist was of wilde worden. Het Boeddhisme is een religie van absolute vrede en welwillendheid tegenover alle wezens, hoe ‘goed’ of hoe ‘slecht’ die ook mogen zijn. Dat betekent niet dat ‘de boeddhisten’ nooit oorlog gevoerd hebben of zich tot geweld hebben laten verleiden…

Maar vrede is nog heel wat meer dan niet-oorlog of geweldloosheid (ahimsā). Er zal geen vrede komen enkel doordat we de wapens vernietigd hebben; er zal geen vrede komen enkel doordat we veel plechtige verdragen hebben ondertekend.

Het is alleen de vrede binnenin het gemoed van elk van ons dat èchte vrede tussen alle wezens kan brengen. In de hand van een boos mens kan zelfs een kinderspeelgoedje een gevaarlijk wapen worden. Er is immers geen enkel wapen dat uit zichzelf gevaarlijk is zolang het niet gegrepen wordt door iemand die geweld wil.

Er is een oorlog die zich op de slagvelden of in de straten van puin afspeelt - maar er is ook de zoveel dreigendere oorlog die zich afspeelt op het afgrondelijk slagveld van het menselijke hart. Een bom die ontploft betekent meer dan een explosie van springstoffen: het is vooral een explosie van haat, vernielingsdrang en dwaasheid. De Boeddha heeft zijn lange leven lang geprobeerd uit te leggen dat we de éne oorlog niet kunnen goedmaken met een andere oorlog, dat we het lijden veroorzaakt door een aanslag of een verkrachting niet kunnen verzachten door een andere aanslag, een andere verkrachting. Maar dat we tegenover haat enkel niet-haat kunnen stellen, tegenover wrok enkel liefde en mededogen, tegenover dwaasheid enkel inzicht en wijsheid.

Want elke oorlog en elke vrede beginnen binnen ons menselijke hart.

Shitoku

(uit pijn aan Bosnië, Afghanistan, Somalië, Liberia, Guatemala…)

Ekō 60

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home