Editoriaal: Mededogen of Medelijden?

Al te vaak vergeet men dat - althans in het Nederlands - deze beide woorden weliswaar tot één ‘familie’ behoren, maar toch héél verschillende betekenissen en connotaties hebben. Deze terminologische verwazing is niet eigen aan onze taal. Met de ons omringende ‘rijkere’ talen is men er niet beter aan toe: het Frans met “commisération, compassion, miséricorde, pitié”; het Engels met “compassion, mercy, pity”, zelfs de filosofische taal bij uitstek heeft er last mee: “Barmherzigkeit, Erbarmen, Mitgefühl, Mitleid”…

De bedoeling van dit editoriaal is echter niet onze Van Dale te corrigeren. Waar wij als boeddhisten - en als Shinboeddhisten zeker - de mond vol hebben van het [Grote] Mededogen, moeten we rekening houden met het feit dat het gaat om ‘technische’ termen en daarbij rekening houden met hun originele draagwijdte.

In het Sanskriet vinden we voor ‘ons’ Mededogen’ de term karunā, term (en begrip) opvallend door zijn verwantschap met het werkwoord karoti (stam kri) dat de betekenis ‘doen, handelen’ heeft. Deze betekenis is van groot belang wil men echt de draagwijdte van het boeddhistische ‘mededogen’ begrijpen. Het Chinees maakt bij voorkeur gebruik van de vertaling van de combinatie mahā-maitrī mahā-karunā (‘grote welwillendheid/groot mededogen): Ch. ta-t’zu ta-pei (Jap. daiji daihi). In deze combinatie staat ‘maitrī’ voor de ingesteldheid van vrede en geluk voor alle wezens, terwijl ‘karunā’ het actief-zijn uitdrukt.

Deze taal-omweg wijst erop dat we met ‘mededogen’ uitstijgen boven elke individuele, persoonsgebonden emotionele materie. In deze belichting moet ik dan ook vooropzetten dat, boeddhistisch bekeken, het gebruik van ons ‘medelijden’ (‘mede-lijden’ dit is eer samsarische ervaring) gekoppeld is aan een welomschreven gerichte relatie met één of meer personen (of zelfs collectiviteiten van personen: DE hongerigen, DE vluchtelingen, DE aidspatiënten…). Daartegenover is ‘Mededogen’ allesomvattend, overheen het persoonlijke, zoals mooi en sterk uitgedrukt wordt in het Mettā-sutta:

“Mochten alle wezens in vreugde en veiligheid vertoeven,
mochten alle wezens gelukkig zijn.

Mocht toch elk wezen gelukkig Zijn,
of het nu beweeglijk of onbeweeglijk is,

Lang, groot, middelmatig of kort, fijn of grof,
zichtbaar of onzichtbaar, dichtbij of ver,
geboren of toekomstig.

Mochten alle wezens gelukkig zijn!

Zoals een moeder haar eigen kind,
haar enig kind levenslang beschermt,
moge zo elkeen tegenover gelijk welk levend wezen
een onmetelijke geest ontwikkelen.

Ja, in al-liefde voor de gehele wereld
ontwikkele men een onmetelijke geest,
boven, onder en horizontaal, zonder tegenzin,
zonder vijandigheid, zonder vijand…

(cursiveringen van Shitoku)

Ook wanneer we lezen of zeggen dat het Mededogen van Amida alle-wezens-hoe-ze-ook-zijn omvat, dienen we erbij te bedenken dat hier elke persoonsgebondenheid uitgesloten is en dat het onmogelijk is hierbij te denken aan zoiets als ‘mede-lijden’ vanwege de Boeddha. Mededogen betekent voor ons de betrokkenheid van het Oneindige Boeddhaschap met alle wezens. Mededogen, als technische term, is voor ons een kenbaar kenmerk van het Boeddhaschap, samen met Wijsheid. Wij kunnen het Boeddhaschap ervaren als Wijsheid/Mededogen, waarbij wij de twee termen apart stellen. Maar in waarheid zijn beide termen één: er is geen Wijsheid buiten Mededogen, geen Mededogen buiten Wijsheid. Juist zoals Amitābha en Amitāyus één zijn, de Oneindigheid van Licht en Leven.

Hiermee worden dan ook Shinrans woorden (in Tannishō iv), die vaak slecht begrepen worden, meteen duidelijk:

“In het Pad der Wijzen is mededogen “medelijden hebben met [iemand], zich eens voelen met [iemand], bekommerd zijn om de wezens.

Het mededogen volgens het Pad van het Reine Land dient verklaard te worden als volgt: de Nembutsu zeggend, vlug boeddha worden en met het ‘gemoed-van-grote-welwillendheid-en-groot mededogen’ (daiji-daihi-shin) werkzaam te zijn ten voordele van alle wezens.

Hoezeer men ook in dit bestaan liefde en medelijden gevoelt, het is moeilijk [de anderen uit hun lijden] te bevrijden, zoals men het graag gedaan had. Dergelijk mededogen, van het begin tot het einde, heeft niet veel zin.” (1)

Dat ik op dit onderwerp gekomen ben, is feitelijk te wijten aan sommige recente uitspraken van enkele boeddhistische vrienden die zich blijkbaar in relationele moeilijkheden bevinden. Die uitspraken wil ik zowat samenvatten als: “Wanneer mijn vrouw zich ergert aan mijn boeddhistische opvatting en er hierdoor tussen ons een breuk dreigt, dan zal ik uit ‘mededogen’ afstand doen van die opvatting, ofwel die opvatting voor haar verborgen houden, om haar deze vorm van lijden te besparen.”

Niet enkel gaat het hier m.i. om een verwarring van “allesomvattend mededogen” met “persoonsgebonden medelijden’ maar ook om een struisvogelpolitisch zelf-excuus getekend door de angst naar relatieverlies. Bovendien getuigt zo een uitspraak van een foutief psychologisch inzicht.

Wanneer iemand (echtgenoot, echtgenote, partner, familielid, vriend, collega…) zich ergert aan uw boeddhistische opvatting, dan houdt dat m.i. in (a) dat er in die relatie een markant gebrek aan vertrouwen, aan verdraagzaamheid, aan respect is,- en zonder vertrouwen, zonder verdraagzaamheid, zeker zonder wederzijds respect is samen-leven onmogelijk; (b) dat er zeer blijkbaar andere voorafgaandelijke gronden, bewust of onbewust, uitgedrukt of verzwegen, in die relatie moeten aanwezig zijn.

Dat men tegen dergelijke existentiële situaties opziet, dat men vreest oorzaak te worden van ‘andermans lijden’, dat is begrijpelijk. Maar deze omzichtigheid in de schoenen van Boeddha’s Grote Mededogen te schuiven, dat vind ik op zijn minst overdreven.

Dat de Leer van de Boeddha - en het beleven ervan - aanleiding kan geven tot sociale of relationele moeilijkheden, dat is in sommige gevallen (bijna) onvermijdelijk, zeker wanneer er geen wederzijds begrijpen en aanvaarden is.

Zelfs Gautama Buddha heeft dat aan den lijve ervaren. Uit Mededogen met alle wezens heeft hij kind, vrouw en buis verlaten, ondanks zijn medelijden met datgene wat hij lief had. Maar voor hem primeerde Mededogen op medelijden. Na zijn Verlichting is hij dan teruggekeerd om de Leer aan vrouw en kind te brengen. Zoon Rahula werd een van de Tien grote Arahants, vrouw Yasodhara drong aan op de oprichting van de Nonnenorde…

Nu: ik kan aannemen dat niet elk boeddhist de moed van een Bodhisattva kan opleveren. Toch geloof ik dat schipperen tussen de Leer en een persoonlijke binding getuigt van een gebrek aan vertrouwen in de Leer. Het getuigt bovendien van weinig boeddhistische moed (Skr. indriya) en van weinig energie (Skr. vīrya = manhaftigheid, volharding), toch een van de Zeven Factoren ter Verlichting en een van de Zes Paramita’s…

Men versta me wel: ik pleit niet voor het verbreken van een relatie “in naam van de Boeddha”. Wél had ik graag van dit editoriaal een pleidooi gemaakt voor meer moed, meer openhartigheid, meer oprechtheid, meer verdraagzaamheid, zeker meer respect binnen elke moeilijke relatie.

Vergeef me deze preektoon. Want zelf weet ik, uit ervaring, waarover het gaat…

Namu Amida Butsu.

Shitoku.

(1) Opmerkelijk in de originele tekst is dat “Mededogen” (in onze vertaling) weergegeven wordt door de kanji-tekens ‘daihi’, terwijl “liefde” en “medelijden” (in onze vertaling) in Japans syllabisch schrift weergegeven worden.

Ekō 61

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home