O-Bon Overwegingen

Myoshu Agnes Jedrzejewska

Er is, in elke menselijke traditie, minstens één dag per jaar dat de mensen over de dood dienen na te denken. In onze streken is dat Allerzielen, op 2 november, een meestal kille en regenachtige dag, waarop men soms lange afstanden aflegt om graven van verwanten te bezoeken en om ze dankbaarheid en liefde overheen de dood te betuigen.

Maar met uitzondering van die bijzondere gelegenheden, Allerzielen voor de enen, O-Bon voor de anderen, denken wij nog niet al te veel na over dood en sterven. We zijn immers te druk bezig met ons leven om nog belangstelling te hebben voor onze dood. Zelfs mensen die beroepshalve vaak met de dood in aanraking komen (artsen, verpleegsters, begrafenisondernemers, priesters, notarissen…) bezinnen zich niet al te graag over de dood, ook al is dit maar omdat ze bezig zijn met andermans heengaan en niet met de eigen dood.

Er zijn vanzelfsprekend uitzonderingen. B.v. patiënten die terminaal ziek zijn. Althans zouden sommigen onder hen zich vragen moeten stellen over wat er gebeurt bij de overgang van de ene bestaansvorm naar de andere. Maar, met het besef dat hun nog slechts een korte tijd overblijft, spannen ze zich in om die laatste dagen nog zo goed mogelijk te leven. Geen minuut van deze kostbare samsarische tijd mag verloren gaan. De dood als proces en als ervaring wordt meestal uitgesteld tot op het feitelijke laatste ogenblik.

Volgens de Leer van de Boeddha, ervaren alle mensen, alle wezens ontelbaar talrijke keren sterven en dood. Maar dàt herinneren we ons niet. Onze herinnering is beperkt tot deze éne levenstijd, althans voor de meeste gewone mensen.

Sommige boeddhistische tradities kennen wel bijzondere praktijken om de ervaring van de dood te benaderen ook al blijft men leven. Maar voor dergelijke praktijk is een lange training, overheen verschillende bestaansvormen, noodzakelijk. Zo b.v. biedt het Tibetaans Boeddhisme aan gevorderde monniken de doodspraktijk Poa aan. Wie deze praktijk beoefent, kan voor kortere of langere tijd als het ware gescheiden zijn van zijn lichaam: deze ervaring van het hogere heldere bewustzijn helpt bij het loslaten van gehechtheden aan het lichaam en versterkt het inzicht op het ware Zelf en het vertrouwen in de Leer.

Toen hij nog monnik was in een Tendai-klooster was Shinran Shonin ervoor bevreesd dat hij vroeg zou sterven. Voor hem was niet de dood op zichzelf het grote probleem; hij was echter beangstigd door de mogelijkheid dat hij zou sterven zonder Satori ervaren te hebben. Het gevoel nog maar weinig tijd te hebben, bracht hem ertoe alles op alles te zetten en beroep te doen rechtstreeks op de Boeddha. En de Boeddha antwoordde en verwees Shinran naar de Nembutsu-praktijk. Daarop verliet Shinran het klooster en sloot hij zich aan bij de volgelingen van Honen Shonin en diens Enkel-Nembutsu.

De nembutsu veranderde Shinrans leven. Hij stierf niet jong. En bij zijn leven ontving hij Amida Buddha’s Gemoed. Deze menselijke ervaring Amida’s Gemoed in dit leven te ontvangen, noemde Shinran Shinjin.

Waarom noemde hij die ervaring niet Satori of Kensho zoals de Zen-monniken dat deden? Omdat Shinjin, ofschoon het van dezelfde natuur is als Kensho of Satori, toch ten gronde anders is.

Om Kensho te ervaren, dient de Zen-volgeling doorheen een lang proces van mentale uitzuivering te gaan en heel wat strenge voorschriften te vervullen om de juiste geestesgesteldheid te verwezenlijken. Op het ogenblik dat hij of zij daarvoor goed geschikt is, met een zuiver gemoed, heeft de eerste aanraking met het Boeddha Gemoed plaats. Dat was de ervaring waarnaar Shinran zo hevig verlangd had en voor die ervaring volgde hij de zware praktijken van de Tendai-traditie.

De reden - of althans één van de belangrijkste redenen - waarom hij het klooster verliet, was de onmogelijkheid Kensho te verwezenlijken hoe hard hij er ook naar gestreefd had, twintig jaar lang. En het was doorheen de NAAM, doorheen NAMU AMIDA BUTSU, dat Shinran de Wijsheid van het Boeddha-Gemoed ontving, ook al was zijn gemoed niet zo zuiver als nodig was voor Kensho.

Iets unieks greep plaats wanneer Shinran enkel nog de Nembutsu-praktijk beoefende. Zijn bonno (passies) bleef hem bekommeren en bleef hem binden aan de kringloop van geboorte-en-dood net zoals elk ander gewoon mens. Hij had een gezin. Hij had moeilijkheden met de Japanse overheden. Hij werd zelfs als een misdadiger beschouwd. Zijn leven was alles behalve gemakkelijk, althans in de gewone betekenis. Maar anderzijds werd zijn leven een succes aangezien hij in staat was deelachtig te zijn aan Boeddha’s Wijsheid. Hij voelde zich beschermd door Amida Buddha en door alle Boeddha’s. Hij had de beste raadgever - Amida Buddha. En Shinran werd omvat door het Licht van Amida Buddha dat niet kon tegengehouden worden door Shinrans bonno.

Nu kan er wel gezegd worden dat iedereen door Amida’s Licht omvat wordt. Iedereen ontvangt de weldadigheid van de Voortijdelijke Gelofte. Dat is juist. Het verschil tussen Shinran en de zogenaamde gewone mens is dat Shinran het Licht zag en meteen ook iedereen in dit Licht zag, wat een gewoon mens niet doet.

Deze ervaring, de dingen te zien in het Licht van Amida Buddha, betekent alle dingen te begrijpen zoals de Boeddha het doet, maar omdat we geen Boeddha zijn maar iemand die karmisch aan Samsara gebonden is, noemde Shinran deze ervaring Shinjin.

Aangezien hij geen Boeddha was maar toch deelachtig was aan Boeddha’s Wijsheid, was zijn positie verschillend van Kensho. Hij wist hetzelfde als de Zen-meesters over de grote verwezenlijking, maar betaalde ondertussen al zijn karmische schulden af. Hij was niet geenzijds Samsara, maar hij was tevens in aanraking met Nirvana. Zo had hij op hetzelfde moment de dubbele ervaring van Samsara vanuit het menselijk perspectief en van Boeddhaschap via Amida Buddha’s Gemoed in de Nembutsu.

Shinran beschreef deze ervaring als Shinjin en gaf ons zijn duidelijk verslag hoe dit Shinjin gegrondvest was op het onderricht van Shakyamuni en overgedragen werd door zeven grote meesters.

Shakyamuni legde aan zijn volgelingen uit dat het enkel gedurende 500 jaar na zijn heengaan mogelijk zou zijn Satori te verwezenlijken op de manier die hijzelf daartoe gebruikt had. Nadien zouden immers de omstandigheden steeds maar slechter worden en uiteindelijk zou er enkel de Nembutsu overblijven om de uiteindelijke Verlichting te verwezenlijken dank zij de Voortijdelijke Gelofte van Amida Buddha.

Shinran besefte maar al te goed dat hij leefde in de Periode van de Verworden Leer en dat enkel de Nembutsu nog als Weg kon gelden. Daarom leerde hij hoe de Nembutsu krachtig en universeel is. Zozeer zelfs dat elke boeddhistische praktijk, elke boeddhistische traditie, tot zelfs de verkondiging van Shakyamuni Buddha, enkel mogelijk geweest is dank zij Hongan, de Voortijdelijke Gelofte van Amida Buddha.

Bovendien besefte Shinran Shonin uit eigen ervaring dat er niemand is die de Nembutsu beoefent dan enkel de Boeddha zelf. De Nembutsu is de praktijk van de Boeddha en we worden uitgenodigd tot deelneming aan die praktijk. Dat betekent dat door de Naam uit te spreken, wij deelhebben aan de Zuivere Praktijk van Amida Buddha gedurende de 5 kalpa’s van het tijdloze verleden.

Ofschoon wij dus enkel de Naam uitspreken, toch ontvangen wij op datzelfde ogenblik de weldadigheden van Boeddha’s praktijk. Deze weldadigheden maken dat ons leven begrijpelijker en aanvaardbaarder wordt. En stap na stap komen we dichter bij het Boeddhaschap.

Levend in de Naam en met de Naam ervaren we steeds meer gemoedsrust. Ten slotte verwezenlijken we Anjin, het Vredesgemoed. We beginnen dan ook een spontane dankbaarheid voor de Boeddha te voelen doordat we beginnen de zin van ons bestaan te zien. Ons bestaan, ofschoon het door Bonno geconditioneerd wordt, is door de Nembutsu omvat. Het is zeer kostbaar. Het is de enige mogelijke weg om de Buddha Dharma rechtstreeks te beleven. Wanneer we gewaarworden dat alles, ook ons lijden, nuttig, heilzaam is voor onze geestelijke groei; wanneer we gewaarworden dat alles, ook onze dood, een duidelijke zin heeft, dan wordt ons bestaan gevestigd in vreugde en oprechte dankbaarheid. Shinjin is immers een ervaring van diepe vreugde. Onze dankbaarheid is natuurlijk. Onze nembutsu van dankbaarheid is natuurlijk. We hoeven niet over de Nembutsu na te denken. We hoeven niet over de Nembutsu te praten. We zijn in de Nembutsu, we zijn een met de Nembutsu.

Onze Satori begint in de Nembutsu, wordt door de Nembutsu gedragen en ontwikkelt zich in de Nembutsu.

De grondoorzaak van onze Satori is Hongan, de Voortijdelijke Gelofte. De wijze waarop hongan werkzaam is, is de Nembutsu. De Nembutsu brengt de ervaring van het Reine Land tot de persoon terwijl deze nog in Samsara leeft. De ervaring van het Reine Land betekent de volkomen en onomkeerbare omstandigheden die leiden naar het volkomen Nirvana. Voor Shinran betekent Shinjin het vestigen van deze omstandigheden voor een doodgewoon Samsarisch wezen niet na de dood maar NU.

Daarbij is het mogelijk dat we tot de conclusie komen dat het volstaat ons vertrouwen in Amida en in de Voortijdelijke Gelofte te stellen op het moment van onze dood, vermits Amida Buddha ons dan redt. Dergelijke zo-goed-als-christelijke interpretatie heeft niets gemeen met Shinrans ervaring van Shinjin. In feite is zo een interpretatie weer niets anders dan een truukje van ons Ego. Indien we het Reine Land uitstellen tot het ogenblik van onze dood, verplaatsen we het naar de mythe van het Beloofde-Hiernamaals, mythe die niets te maken heeft met de werkelijkheid waarin wij ons bevinden.

Als we menen dat het voldoende is te geloven in plaats van het Ware Shinjin te verwezenlijken, dan gedragen we ons niet meer als leden van de spirituele gemeenschap der boeddhisten. We doen dan niets anders dan onze verbeelding in te volgen. Zeker om deze reden moeten we nooit Shinjin verwarren met het christelijke Geloof. Nooit!

Met onze Shinjin-ervaring - die Wijsheid/Mededogen is - ontvangen we het duidelijke besef van de Ware Dharma en daardoor zullen we ook geen problemen meer hebben met begrijpen, verstaan en beleven, ongeacht de taal, de traditie, de cultuur waarin we geboren zijn.

Zo ontvangen we een kosmische dimensie, een universele “internationalisering” waarin ons leven zich steeds verder kan ontwikkelen overheen de dagdagelijkse beperkingen.

Zo kan ons lichaam die beperkingen gewaarworden. Ons lichaam wordt elke dag ouder. Ons lichaam kan een lijdensweg ingaan. Maar ons gemoed evolueert geleidelijk naar steeds ruimere dimensies zonder beperkingen. En deze werkelijke, absoluut ervaarbare identificatie van het menselijke gemoed met het Boeddha-Gemoed, waarin de mens één wordt met de Boeddha dankzij diens Nembutsu-praktijk, dàt is wat Shinran aanduidt als hij spreekt over Shinjin.

De mens van Shinjin is niet langer bevreesd voor de dood. Wanneer hij beseft hoe hij één geworden is met het Boeddha-Gemoed in de Naam, vanaf dat moment heeft hij leven en dood overstegen. Hij wordt even grenzeloos, even mateloos als de Boeddha.

Maar wanneer we voortdurend over Shinjin praten, als we onophoudelijk Shinjin aan een intellectuele analyse willen onderwerpen, dan komen we in een doodlopende steeg terecht. Dat we de Nembutsu-leer bestuderen, dat is o.k. Maar wanneer we Shinjin (en trouwens geheel het Boeddhisme) bestuderen zoals we een automotor of een koffiemachine bestuderen, dan sluiten we ons op in een houding van wat Shinran Jiriki, zelf-kracht noemde. En daarvoor moeten we op onze hoede zijn! We kunnen het Boeddhaschap enkel adequaat verstaan wanneer we zelf Boeddha geworden zijn. Maar we kunnen hier en nu wel realiseren dat de Naam Boeddha-zelf is. Vanaf dat ogenblik verwerkelijken we de Ander-Kracht Nembutsu en worden we gelijk aan Maitreya Buddha. En vanaf dat ogenblik krijgt onze dood een nieuwe zin: vrij te zijn van de gebondenheid aan Samsara, van het lijdensbestaan.

Ik wens iedereen zo een bevrijdende dood toe.

Namu Amida Butsu

Ekō 61

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home