Mattoshō (19)

Lamp Voor Latere Tijden

Brieven van Shinran

Brieven 19 en 20 werden door Shinran geschreven ten gunste van mede-Nembutsu-beoefenaars uit de Kantō-streek. Sommigen onder hen hadden Shinran reeds in Kyoto opgezocht om de in deze brieven vermelde problemen met hem te bespreken.

Shinran wijst er hier op dat het foutief is zich te beroepen op Amida’s grenzeloze en niet-discriminerende Mededogen om handelingen trachten te rechtvaardigen die voortkomen uit menselijke dwaasheid, onwetendheid en ego-gerichtheid.

“De wereld verwerpen” bestaat niet enkel uit de negatie van dergelijke verrechtvaardiging, dewelke in feite een onvolledig bewust-zijn van het Ware Mededogen weergeeft, maar meer positief ook in de mens “goed” te doen en warmte in menselijke relaties te manifesteren.

Ik heb jullie dikwijls geschreven, maar ik vraag me af of jullie mijn brieven ooit gezien hebben.

De vervulling van Myōhō-bō’s gekoesterde verlangen om geboren te worden in het Boeddha-Land wordt zeker geprezen door diegenen in de Hitachi-provincie die dezelfde ambitie delen. Op geen enkele manier wordt de Geboorte verwezenlijkt door de berekening van dwaze wezens; noch kan ze het object van berekening vormen van de vooraanstaande wijzen.

Zelfs “heilige” meesters van het Mahayana en het Hinayana vertrouwen zichzelf volledig toe aan de kracht van de Gelofte om de Geboorte te verwezenlijken, zonder de minste berekening.

Het is echter een uiterst zeldzaam en voortreffelijk resultaat van heilzaam karma dat gewone mensen zoals jullie de Gelofte komen te horen en Namu-Amida-Butsu ontmoeten. Onder geen enkele omstandigheid zouden jullie hieromtrent bedenkingen dienen te hebben. Aangaande dit, lees a.u.b. de kopijen van Seikaku’s Enkel Shinjin, Ryūkans Over zelfkracht en Ander-Kracht en andere traktaten die ik eerder heb gezonden. Dergelijke mensen zijn de beste leraars voor onze tijden. Gezien zij reeds in het Boeddhaland geboren zijn, is er niets dat hetgeen in hun traktaten geschreven staat kan overtreffen. Zij verstonden Hōnen Shōnins leer ten volle en verwezenlijkten om deze reden de perfecte Geboorte. Zelfs binnen de groepen waar de nembutsu reeds vele jaren werd uitgesproken, waren er altijd sommigen die over de leer spraken vanuit hun eigen beperkte zienswijzen; dit blijkt nog altijd het geval te zijn. Zelfs Myōhō-bō’s Geboorte kwam er enkel nadat hij een volledige omkering van gemoed onderging, want ook hij had oorspronkelijk gedachten van onvoorstelbare kwaaddoenerij.

Je moet niet doen wat niet gedaan zou mogen worden, noch denken wat niet gedacht zou mogen worden, noch zeggen wat niet gezegd zou mogen worden, denkende dat je hoe dan ook geboren kan worden in het Boeddhaland. Wij menselijke wezens, zijn zo dat we, gek geworden door de passies van hebzucht verlangen te bezitten; verblind door de passies van haat datgene haten wat niet gehaat zou mogen worden, daarbij ingaand tegen de wet van oorzaak en gevolg; op een dwaalspoor gebracht door de passies van onwetendheid, doen we wat zelfs niet gedacht zou mogen worden. Maar de persoon die opzettelijk denkt en doet wat onbetamelijk is - zeggende dat het toegelaten is omwille van Boeddha’s wonderbaarlijke Gelofte het dwaze wezen te redden - verlangt er niet werkelijk naar de wereld te verwerpen noch voelt hij bewust aan dat hijzelf een wezen van karmisch kwaad is. Zodoende heeft hij geen aspiratie naar de nembutsu noch naar Boeddha’s Gelofte; vandaar, hoe ijverig hij zich ook toelegt op de nembutsu, met een dergelijke attitude zal het voor hem moeilijk zijn de Geboorte in het komende leven te verwezenlijken. Ik verzoek jullie dit punt ten volle aan de mensen over te brengen. Het is voor mij niet nodig deze dingen aan jullie te vertellen; toch schrijf ik ze hier openhartig neer omdat jullie mij altijd met zorg en bezorgdheid hebben omringd.

In recentelijke jaren heeft de leer van de nembutsu zoveel veranderingen ondergaan dat het mij niet nodig lijkt hieromtrent een opmerking te maken; nochtans, voor mensen die zorgvuldig de leer van onze afgestorven Meester hebben ontvangen, deze is nog steeds zoals hij oorspronkelijk was, niet onderhevig aan om het even welke verandering. Dit is goed geweten; ik ben er dan ook zeker van dat jullie erover gehoord hebben. Alhoewel de mensen die afwijkende visies van de Reine-Landlering onderrichten, allen volgelingen van de Meester zijn, herformuleren zij de leer op hun eigen manier, daarbij zichzelf in verwarring brengend en anderen misleidend. Dit is waarlijk betreurenswaardig. Zelfs in de hoofdstad zijn er velen die op een dwaalspoor raken; hoeveel meer nog dit het geval is in de provincies wens ik niet te weten. Het is onmogelijk alles te zeggen in deze brief; ik zal jullie nog schrijven.

Myōkyō-bō’s reis naar Kyoto is waarlijk welkom en het verheugde mij om uit eerste hand Myōhō-bō’s verwezenlijking van de Geboorte te vernemen. Ik ben ook dankbaar voor de milde giften van de mensen ginds. In ieder geval, hun bezoek komt als een grote verrassing.

Wees er a.u.b. zeker van dat je deze brief aan iedereen voorleest. Alle nembutsu-beoefenaars in de afgelegen districten zouden zonder uitzondering deze brief dienen te zien.

Met respect.

Tekens van het jarenlange zeggen van de nembutsu en het verlangen naar Geboorte kan men merken in de verandering van het gemoed dat voorheen slecht was en in de diepe genegenheid voor vrienden en mede-beoefenaars; dit is het teken dat men de wereld heeft verworpen. Jullie zouden dit ten volle dienen te begrijpen.

(Brief 19 wordt nu gezien als een composiet van twee aparte brieven. Het volgende deel is een waarschuwing tegen het aanmoedigen van mensen om zich over te geven aan zelfzuchtige impulsen, meer bepaald gaat het hier om het kwaadspreken over leraars en ouders.)

Mensen die neerkijken op leraars en die kwaadspreken over de meesters, belasteren de Dharma. Zij die kwaadspreken van hun ouders zijn schuldig aan de vijf zware vergrijpen. We zouden ons niet met hen moeten inlaten. Daarom, daar Zenjō-bō, die in het noordelijke district woonde, zijn ouders heeft beschimpt en mij op diverse manieren heeft belasterd, kon ik geen warme gevoelens meer voor hem voelen en heb ik hem niet aangemoedigd mij op te zoeken. Zij die het voorbeeld van Myōhō-bō kleineren, zelfs wanneer zij horen van zijn Geboorte, zijn zeker niet zijn mede-beoefenaars.

Ik hoor dat u mensen die dronken zijn van de wijn der onwetendheid aanzet tot nog grotere dronkenschap en dat u toestaat dat mensen die sedert lang dineren op de drie vergiften, nog meer vergift tot zich nemen, hun vertellend dat ze ervan zouden moeten genieten; dit is werkelijk pijnlijk. Er is zulk een verdriet in het dronken zijn van de wijn der onwetendheid, en toch nemen ze met plezier de drie vergiften tot zich, en het vergift is nog niet verminderd. Ze zijn nog niet ontwaakt uit de dronkenschap der onwetendheid. Begrijp dit a.u.b. ten volle

(Vertaald door B. Van Parijs, naar de Engelse uitgave “Letters of Shinran”, Shin Buddhist Translation Series I, Kyoto 1978.)

Ekō 62
Mattoshō

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
          home